Bij de boeken top-1 hoort een Republiek der Letteren-podcast. Voor de laatste keer – want Jeroen gaat naar Elsevier Weekblad. De onvolprezen letterenman gaat nog één keer in gesprek met eindredacteur (en medeboekenliefhebber) Marleen Slob over de ontwikkelingen in literaire wereld: nieuwe boeken, nieuwe vertalingen en prijswinnaars passeren allemaal de revue.

Hoe schrijf je literair over de brexit? In ieder geval niet zoals Ian McEwan in zijn novelle The Cockroach, vrij naar Kafka’s voorbeeldverhaal Die Verwandlung. De beoogde satire sneeuwt daar onder door de woede van de schrijver over de Brexit en dat resulteert in te makkelijk effectbejag en flauwiteiten. Nee, dan de oude vos John le Carré. Die kan het wél in zijn zesentwintigste boek Agent Running in the Field. In de Nederlandse vertaling is gekozen voor een andere, betekenisloze titel: Spion buiten dienst – daarover later meer.

Kijken wie het zegt

Achtentachtig is de Britse spionageschrijver John le Carré (1931, pseudoniem van David Cornwell) en still going strong. Hij is niet alleen de schrijver die in een belangrijk deel van zijn oeuvre de Koude Oorlog als spiegelwereld in fictie ving, maar ook degene die na de val van de Muur de huidige wereld bleef chroniqueren in zijn romans, met een scherp oog voor de tijdgeest en paraat engagement. Het verbaasde mij dus niet dat de contemporaine blikvanger ditmaal de Brexit is.

Le Carré is een te goede schrijver om zijn personages te reduceren tot buikspreekpoppen.

Daar vallen harde woorden over, net als over de presidenten Trump en Poetin. Dat hoeft niet te verbazen, want Le Carré heeft uitgesproken opinies over wat er mis is in de wereld. Die worden in de publiciteit meestal bewonderend als ‘woedend’ benoemd. Geen idee of hij een vulkanisch gemoed heeft, ik ken hem niet persoonlijk. Mocht dat zo zijn, dan is hij in elk geval als schrijver vakman genoeg om dat zijn proza niet te laten versjteren.

Want ja, er wordt nogal wat gezegd over de Brexit, maar dan moet je wel kijken wie het zegt – de bekende verdedigingslinie van de schrijver om niet gelijkgesteld te worden aan de uitspraken van zijn personages. Maar Le Carré is een te goede schrijver om zijn personages te reduceren tot buikspreekpoppen. De psychologie schuilt bij hem vooral in de dialogen, voor de bühne spreken is er gelukkig niet bij.

Spel met een serieuze inzet

Wil je zoiets literair hachelijks als Brexit voor het voetlicht brengen, dan helpt het natuurlijk ook om een tamelijk ongepolariseerd personage als hoofdpersoon van je ik-vertelling te kiezen. Nat (geboren als Anatoli, half Schots, half Wit-Russisch) is een oudgediende van de Britse geheime dienst), wiens voornaamste zorg is dat hij als 47-jarige net afgedankt is voor actieve dienst.

Men geeft bij MI6 de voorkeur aan academisch gevormde adolescenten die kundig zijn met computers en Nats Koude Oorlog-ervaring zou er niet meer toe doen. Spion buiten dienst speelt in 2018, in de aanloop naar Trumps driedaagse bezoek aan het Verenigd Koninkrijk. Nat, spion van professie, is net terug uit Estland, waar hij gestationeerd was als diplomaat maar in werkelijkheid dubbelagenten runde.

In die club vervoegt zich een slungelachtige jongeman met maar één doel: hij wil Nat onttronen als badmintonkampioen.

Dat is zijn specifieke vaardigheid, iets waar veel tijd en aandacht in gaat zitten – met een onzekere uitkomst. Dat spel met een serieuze inzet zou er volgens Nats superieuren bij de dienst niet meer toe doen, maar al van meet af aan laat Le Carré er geen misverstand over bestaan dat Nats vermeend ouderwetse kunde in deze nieuwe tijden meer dan ooit urgent is. Daarom is de Engelse titel Agent Running in the Field zo accuraat en de Nederlandse zo verfoeilijk. Nat is allesbehalve een spion buiten dienst.

Badmintonkampioen

Die spelmetafoor brengt Le Carré al in de opening van de roman aan op een manier die de lezer direct het verhaal intrekt. De plaats van handeling is gezien Nats beroep allerminst cloak-and-dagger, eerder alledaags. In een sportclub – members only – overdenkt Nat zijn bestaan, zowel zakelijk als privé (hij heeft een weerspannige dochter thuis).

In die club vervoegt zich een slungelachtige jongeman, die half Londen heeft doorgefietst en speciaal lid is geworden voor een heel jaar met maar één doel: hij wil Nat onttronen als badmintonkampioen. Dus eist hij een afspraak voor een wedstrijd. Heel zonderling en ronduit intrigerend.

De eerste wedstrijden zal Nat winnen van deze Ed, die hij behandelt als de zoon die hij nooit heeft gehad, maar in de conversaties daarna gaat het spel door. Eds openingszet: ‘Het is mijn weloverwogen mening dat voor Groot-Brittanië en Europa, en voor de liberale democratie over de gehele wereld in zijn totaliteit, het vertrek van de Britten uit de Europese Unie in het tijdperk van Donald Trump, (…) in een tijdsgewricht waarin de VS regelrecht aansturen op institutioneel racisme en neofascisme, de grootste clusterfuck uit de geschiedenis is. En wat ik vraag is: ben jij het in grote lijnen met me eens, of heb ik je beledigd en zou het beter zijn als ik nu opstond en vertrok?’

Daar moet Nat het mee doen, als rijksambtenaar, in een club waar op de spiegel achter de bar een door de barkeeper geplakte, handgeschreven boodschap hangt: NIET HARDOP PRATEN OVER DE BREXIT.

Poetins pleeschrobber

Daar blijft het niet bij. Zo krijgt ook de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Boris Johnson onderuit de zak. Maar het vuurwerk barst pas los in Tsjechië, waar Nat zijn gewezen agent Arkadi ontmoet, die zich tot een criminele oligarch heeft ontwikkeld en voor zijn hachje te vrezen heeft van Poetin.

De vijand blijft vertrouwd in deze roman over hoogverraad in tijden van Brexit: degenen die de Europese eenheid en stabiliteit in gevaar brengen.

Weet je wat Trump is, vraagt hij Nat.
Nou, antwoordt die.
Arkadi, razend: ‘Hij is Poetins pleeschrobber. Hij doet alles voor die kleine Vladi wat de kleine Vladi niet zelf kan: pissen op de Europese eenheid, pissen op de mensenrechten, pissen op de NAVO. (…) En jullie, Britten, wat doen jullie? Jullie pijpen hem en nodigen hem op de thee uit met je koningin. Jullie nemen ons zwarte geld aan en wassen het voor ons. Jullie heten onze schurken welkom als ze maar groot genoeg zijn. Jullie verkopen ons half Londen. Jullie staan handenwringend te kijken als wij onze verraders vergiftigen en jullie zeggen alsjeblieft, alsjeblieft, lieve Russische vrienden, drijf handel met ons. Is dit waarvoor ik mijn leven heb gewaagd?’

Voor Europa

Uiteraard moet je beseffen welke personages deze uitspraken doen. Ze zijn niet voorbeeldig. Ed, de badmintonner, is een drammerige, onaangepaste nerd en Arkadi is een ordinaire misdadiger.

Lees ookJohn le Carré's spion Smiley is terug, pensioengerechtigd en pro-Europa23 september 2017

Toch zijn we door hun opvattingen op recent Le Carré-terrein beland. In zijn vorige roman, A Legacy of Spies, stelde Le Carrés iconische spionnenmeester George Smiley zich aan het eind van het verhaal dezelfde vraag. Was dit het waard? En voor wie deed ik het? Niet voor zijn vaderland, realiseert hij zich. Maar voor Europa.

Zonder die grote, politiek beladen woorden te gebruiken, komt Nat in Spion buiten dienst uit op hetzelfde. Met het minderheidskabinet van de Tories heeft hij niks en Labour is geen haar beter. Maar de vijand blijft vertrouwd in deze roman over hoogverraad in tijden van Brexit: degenen die de Europese eenheid en stabiliteit in gevaar brengen, het ideaal tenslotte waarvoor de Unie is opgericht.

Nat komt erachter dat er bij zijn dienst een geheim plan bestaat met de naam Jericho, waarin Engeland om in de gratie te blijven bij de Trump-regering vuil werk opknapt in landen van voormalige Europese bondgenoten. Uiteraard speelt Moskou daar een rol in. Tot zover de onheilspellende staat van de wereld à la John le Carré.

Fascinerend amoreel

Tot dusver heb ik niks van de plot gespoild, al schrijft Le Carré literair proza dat beduidend meer biedt dan een plot. Tezelfdertijd geldt hij als een kampioen van het spannende boek en bij dat genre is het beschadigend om de plot weg te geven. Dus volsta ik ermee te melden dat Nats kennis van ‘Jericho’ hem tot een finale operatie brengt die op zijn zachtst gezegd spectaculair is.

Over dat ‘beduidend meer’ dat hij te bieden heeft: Le Carrés literaire universum is fascinerend amoreel. Een écht happy end, zonder beschadigingen, tragiek en offers, vergunt Le Carré zich zelden. Voor onschuldigen is het bij hem een hard gelag. De slotzin van Spion buiten dienst is ronduit aangrijpend. De onschuldige Ed, buiten zijn medeweten gered door de ragfijn opererende Nat, wandelt uit diens leven zonder afscheid van hem te nemen. Hij wendt zelfs zijn blik af ‘alsof hij meer gezien had dan hij kon verdragen’. Nats slotzin luidt: ‘Ik had hem willen zeggen dat ik wel deugde, maar het was te laat.’ Gelukkig weet de lezer beter. Nat deugt, voluit.

Op nummer 1 in de Vrij Nederland Top-1 is deze maand geëindigd: John le Carré, Spion buiten dienst, vertaling Rob van Moppes, Luitingh-Sijthoff, 334 p., € 23,99