Het mag een gelukkig toeval heten dat rond het jaar 1517 tegelijk aan twee invloedrijke boeken werd gewerkt waarvan de strekking volslagen tegengesteld was, alsof het ging over het verschil tussen oorlog en vrede. Goedbeschouwd gingen die boeken ook echt over oorlog en vrede. Het gaat immers om Machiavelli’s De heerser, opgedragen aan Lorenzo II de Medici. Daarin staat hoe een heerser te werk gaat, met welke intenties en met welke middelen (alles is geoorloofd).

Kortom: de heerser zoals hij volgens Machiavelli is, niet zoals hij zou moeten zijn. Hoe hij zou moeten zijn is in dat jaar te vinden in Erasmus’ De opvoeding van de christenvorst, opgedragen aan Karel van Luxemburg, de latere keizer Karel V, wiens raadsheer Erasmus zal worden, officieel niet onbezoldigd, maar in de praktijk wel.

Lees ookErasmus wilde zo graag neutraal en onpartijdig zijn, maar kon het tegenspreken niet laten14 januari 2018
Geen heerser maar dienaar

De vorst van Erasmus is helemaal geen heerser, hij is een dienaar van zijn volk, waarvan het welzijn voor hem voorop staat. Erasmus laat hem zelfs de plaatsvervanger van Christus zijn. Hij moet een voorbeeld zijn van deugdzaamheid. Van Erasmus’ vorst wordt verwacht dat hij het land beter achterlaat dan hij het aantrof. Hij moet ook iets van een filosoof hebben, hij moet nadenken over zijn positie en rol, anders wordt hij een tiran.

Bij Machiavellli is de heerser al min of meer een tiran. Hij hoeft van Machiavelli zijn woord niet altijd te houden. Het zou gunstig zijn als hij ‘een groot komediant en huichelaar’ is. Machiavelli’s vorst gaat er vanuit dat er altijd oorlog zal zijn, aangezien landen altijd opspelende tegenstrijdige belangen hebben. Zoiets is ondenkbaar bij Erasmus, die hetzelfde jaar ook De klacht van de Vrede schreef, het geschrift waarin de Vredesgodin juist klaagt over een wijdverbreide oorlogszuchtigheid.

Volgens Erasmus moet een vorst ook iets van een filosoof hebben, anders wordt hij een tiran.

Erasmus wordt niet zonder reden met het hedendaagse humanisme geassocieerd. Dat betekent wel dat bijna vanzelf zijn gematigde, vredestichtende kant wordt benadrukt, terwijl hij tegelijk een geduchte vrijdenker was die in alles wat hij schreef bijna argeloos en instinctief zijn kritische en satirische gaven botvierde, zie zijn Lof der zotheid. Erasmus had wel een hekel aan de oorlog, maar was allerminst een weerloze pacifist. Hij was een kosten-batendenker. Hij voorzag scherp hoeveel ellende oorlog teweeg kon brengen en hoe weinig profijt je ervan had, in moreel en in economisch opzicht. En uit wat voor armzalige macho-mentaliteit de meeste oorlogen voortkomen. Oorlogen behoorden in hun offensieve gedaante tot de menselijke domheden.

Het humanisme (het woord bestond toen nog niet) werd humanisme omdat het voor Erasmus niet de hele tijd over God diende te gaan (al vond hij wel dat het leven in zijn algemeenheid in het teken van de levenslessen van Christus’ diende te staan). Luther zei terecht dat ‘de menselijke dingen’ Erasmus meer aangingen dan de goddelijke. Het moest voor Erasmus over individuele menselijke ontwikkeling gaan: over leren, studeren, opvoeding, kennis vergaren, kritisch inzicht verwerven, humor, onderzoeken, uitvinden, naar het hoogste reiken, leren van de schrijvers en denkers van de klassieke oudheid, voor religieus pluralisme pleiten om godsdienstoorlogen te voorkomen.

Lees ookHoe Erasmus tussen vorsten en vijanden laveerde16 december 2016
Een masker van onschuld

Het humanisme van Erasmus heeft al sterke polemische, kritische en satirische kanten, anders was een injectie van het realisme van Machiavelli’s heerser goed van pas gekomen. De associatie van Erasmus met ‘de zachte krachten’ is hardnekkig en veronderstelt dat het humanisme niet gauw zijn tanden laat zien. Maar Erasmus deed dat voortdurend met zijn kritiek op de mentaliteit die in de katholieke kerk was gaan heersen. Erasmus was een ketter die met satirisch genoegen het vasten of de heiligenverering belachelijk maakte, en het kloosterleven, de monniksgeloften, de bedevaarten, de erfzonde, de verkoop van aflaten, de biecht en de kinderdoop. Erasmus kende zijn klassieken en leerde in dit opzicht het nodige van de spotter Lucianus.

In zijn brieven zet hij vaak een masker van volkomen onschuld op, alsof hij helemaal niet de bedoeling had aanstoot te geven. Hij had gedurende zijn leven een indrukwekkende schare vijanden, over heel Europa, speciaal aan de universiteiten van Leuven, Barcelona en Parijs (‘een rovershol’). Die schreven allemaal boeken over hem en hielden conferenties tegen hem. Erasmus schreef met veel animo terug, in boekvorm of in de vorm van brieven. Hij had vijanden, maar evenveel hooggeplaatste beschermheren die hem overlaadden met gunsten, waar hij zelden gebruik van maakte. Hij wilde onafhankelijk blijven, hij was een buitenstaander en toeschouwer.

Erasmus ergerde zich aan de rondvliegende uitspraak ‘ofwel Erasmus lutheriseert, ofwel Luther erasmiseert’.

In 1529 en 1530, zes jaar voor zijn dood, en de jaren waarin de brieven van het nu verschenen deel 16 van zijn Correspondentie werden geschreven, was die vijandigheid nog volop aanwezig. De reformatie was tegen 1530 bezig een kerkscheuring teweeg te brengen, een ‘Glaubensspaltung’, op weg naar een totale desintegratie. Luther rukte op. De stad Basel werd in dat jaar officieel een protestantse, reformatorische stad. De eerste beeldenstorm had al plaatsgevonden. Voor Erasmus reden om van Basel te verhuizen naar Freiburg: door te blijven zou hij de indruk wekken achter de reformatie te staan. Hij werd, als iemand die vanaf zijn vroegste boeken (Lof der zotheid, Adagia, Antibarbari, Colloquia) veel kritiek op de kerk had, toch al als ‘de eerste reformator’ gezien.

In 1530 werd in Augsburg een ‘rijksdag’ gehouden over de dreigende scheuring waarbij Erasmus noch Luther aanwezig waren, maar in de geest wel. Erasmus ergerde zich aan de rondvliegende uitspraak ‘ofwel Erasmus lutheriseert, ofwel Luther erasmiseert’, omdat hij had niets met Luthers gedachtenwereld gemeen, net zo min als een nachtegaal geen koekoek roept.

Erasmus was aanvankelijk voor ‘een dulding der protestanten’ zegt zijn biograaf Cornelis Augustijn. Maar daar kwam hij later op terug. Hij was nu voor de eenheid van de kerk met een ruime mate van veelkleurigheid. Dat vond Luther dan weer een niet te verdragen ‘harmoniemodel’, onhoudbaar voor zijn eigen ‘plichtsbesef en waarheid.’

Uiteindelijk ging het Erasmus voor alles om wat hij, met een archaïsch woord, ‘vroomheid’ noemde, welke kerkelijke vorm dat ook aannam. Dat is leven in overeenstemming met de deugd zoals Christus die beoefende, met als belangrijkste naastenliefde, iets wat je bij Machiavelli niet snel zult vinden. Christendom en de klassieke oudheid kwamen ook samen in Erasmus’ vroomheid. Dat is de ‘Erasmus Synthese’: ‘Hoe rechtschapen konden de Ouden zijn, welk een grote vroomheid was eigen aan Socrates, Vergilius, Horatius en Plutarchus. Hoe rijk is de geschiedenis van de oudheid aan voorbeelden van grootmoedigheid en ware deugd.’

Lees ookErasmus doet zich voor als de vermoorde onschuld, maar schoffelt ondertussen Europa geestelijk om5 december 2014
De afweermiddelen van de filosofie

Erasmus liep altijd over van het werk, maar was desondanks een niet te stuiten briefschrijver die tientallen kantjes per dag kon afscheiden. Een van kortste brieven in deel 16 is gericht aan Margaret Roper, een van de dochters van zijn Engelse vriend Thomas More aan wie Lof der zotheid is opgedragen. Hij stuurt haar een brief waaruit blijkt hoe enthousiast Maria, koningin van Hongarije en de zuster van Karel V, is over de bevordering van algemeen vormend onderwijs en studie. Ze moet de brief aan haar zusters laten lezen. Ook zij dienen zich tegen de grillen van de fortuin te wapenen ‘met de afweermiddelen van de filosofie.’

Erasmus vond het belachelijk dat vrouwen zo’n ondergeschikte rol speelden in de kerk en in het leven zelf.

Deze brief herinnert mij er aan hoe belachelijk Erasmus het vond dat vrouwen zo’n ondergeschikte rol speelden in de kerk en in het leven zelf. De gelovigen moesten zo dom mogelijk gehouden worden, maar de vrouwen helemaal. Een even geestige als bijtende dialoog daarover is te vinden in Erasmus’ Colloquia. Dat zijn gesprekken die bedoeld waren voor het leren van latijn, maar ze zitten vol met geestige stekeligheden. Zoals het gesprek van ‘De abt en de ontwikkelde vrouw.’ De abt is een karikaturale religieuze levensgenieter die boeken maar eng vindt. ‘Boeken bederven de hersens van vrouwen’ en ‘Omgaan met boeken maakt mensen gek.’ Zijn maatstaf voor geluk is ‘slapen, lekker eten en drinken, doen wat je wilt, geld, aanzien.’ Daar zet de ontwikkelde vrouw tegenover dat zij zich liever vertrouwd maakt met het beste en zich graag wijdt aan studies waar ze iets aan heeft.

Erasmus laat haar zijn mening vertolken dat vrouwen in de kerk net zo belangrijk kunnen worden als mannen, als die mannen maar plaats voor ze zouden willen maken. ‘Als jullie niet opletten’, laat hij de vrouw zeggen, ‘zal het nog zo eindigen dat wij de theologenscholen leiden, en preken in de kerken en die mijters van jullie dragen.’ Erasmus neemt zelfs een enorm voorschot op deze ontwikkeling: ‘Het schouwtoneel van de wereld wordt op zijn kop gezet.’

Erasmus blijft in dit nieuwe deel van zijn correspondentie opnieuw intrigeren. Hij is standvastig en onstandvastig, hij is dubbel en paradoxaal, hij is vroom en malicieus, hij deugt en hij is listig. Hij is ijdel en bescheiden, onafhankelijk en verguld met eerbewijzen. Hij kan pagina’s brieven schrijven over zijn eigen verdiensten, maar weigert gehoor te geven aan talloze verzoeken om zich te binden aan een universiteit of een hof. Hij houdt zich polemisch afzijdig en schrijft brieven, als een compulsief twitteraar.

De correspondentie van Desiderius Erasmus 16 is vertaald door Tineke ter Meer en uitgegeven door Ad. Donker.