Feuilleton

Het Tijdelijk Café van het Tijdelijk Stedelijk Museum is als de man met wie Betty hier heeft afgesproken: te groot en te kaal. Straks zal ze vooral galm horen op haar interviewrecordertje. Ze staart naar de muurschildering achter zijn pratende gezicht. Hou je hoofd erbij. Denk aan kunstbeleid. Bezuinigingen. Zijlstra, denk aan Halbe Zijlstra.

Achter het hoofd van kunstenaar Wiebe Waterland, orerend tegenover haar, fladderen vrolijke vogels, zweeft een zwaaiend wezen, staart een bijna zwarte bloem de ruimte in op de Karel Appelmuur – het enige wat haar nog herinnert aan het permanente, oude Stedelijk Museum. Viel er vroeger geen licht door die bloem? Het was een glasmozaïek. Er zit nu een muur achter de muur. Of een plaat bordkarton. Tijdelijk, hoop ik. Als zevenjarige zat ze hier met haar vader en zag ze hoe het zonlicht vonkte door de bloem, hoe de kleuren op hun tafel uiteen spatten. Door de grote ramen lonkte de tuin. Ik dacht dat die bloem de zon was. Nu: een levenloze tafel, een ongenaakbare muur, een dode vader.

‘De kunst is verkwanseld! Vijfendertig procent! Vijfendertig!’ zegt Wiebe. Zijn stem galmt door het café – een donderpreek in een lege kerk.

Vijfendertig procent van wat ook weer? ‘Ja,’ zegt Betty, ‘maar het publiek is het er nu toch wel weer mee eens, stond in de NRC. En er is toch met de kaasschaaf…’

‘Kaasschaaf? De botte bijl! Zijlstra Bijlstra! Ik protesteer. Met een tijdelijke installatie. Een grote botte bijl van ontbijtkoek in een vijver van tomatenketchup, als symbool voor het bloed van de miljoenen kunstenaars die moeten lijden.’ Welja. Sinterklaas en Wim T. Schippers in één.

Wiebe gaat onverdroten voort. ‘Banenverlies’, hoort ze hem zeggen. ‘Marktwerking.’ ‘Kaalslag.’ ‘Erfgoed.’ ‘Brodeloos.’ ‘Beeldenstorm.’ ‘Protestspeldjes.’

Aksiekunstenaar Wiebe Waterland draagt met zijn tijdelijke installaties al vijfendertig jaar water naar de Zee van Middelmaat. Toch bewondert Betty zijn rotsvaste geloof in het effect van zijn bedenksels. Ze mag zijn protest honoreren met zeshonderd woorden in de cultuurbijlage van de krant – een net zo tijdelijk en machteloos gebaar als zijn kunst.

Na het interview komt Betty nog even bij in het Tijdelijk Café. Goedbeschouwd voelt Wiebe Waterland de tijdgeest haarscherp aan, beseft ze. Tijdelijk is hip. Dit museum wil al jaren niet permanent worden: ze las deze week dat het eind september weer dichtgaat, in afwachting van ‘Temporary Stedelijk 3’. ‘Pop-up-restaurants’ veranderen voortdurend van plaats of stijl om verveelde klanten te blijven amuseren. Haar brandweerrode lipstick is dit seizoen ineens nergens meer te krijgen. Geroosterde pijnboompitten in de sla mogen niet meer van de kookpolitie. De legging was vorig jaar weer in maar nu alweer uit. Dit alles, met uitzondering van het laatste, stemt Betty moedeloos. Ze houdt van dingen die blijven.

Er is maar één troost: naar boven. Daar hangt hij: La Perruche et la Sirène van Matisse. Jammer, er staat geen bankje meer voor. In haar studietijd kon ze er zo een uur voor zoekbrengen. Op een bordje bij het kunstwerk leest ze dat Matisse wilde dat dit grote papier découpé de geest zou kalmeren en dat hij erover sprak als ‘een kleine tuin die me omringt en waarin ik kan wandelen’. Het doek is groter dan ze zich herinnert. Als ze het van dichtbij bekijkt, ziet ze dat er twee blauwe spatjes verf op de oranje plant linksonder zitten. Betty loopt achteruit om het in z’n geheel te zien.

Een man komt naast haar staan. Linnen tasje met verwassen opdruk. Witte sokken. Zwart manchester communistenjasje.Babyboomer. Hij draalt. Kijkt naar haar, kijkt weg. Loopt naar een Mondriaan, komt terug. Aarzelende pas. Nee, hè.

‘Ehm… ben jij Paula?’

‘Nee.’ O, God. Wanhopige internetdate.

‘Oh. Eh. Jammer. Eh, ik bedoel… Sorry.’

‘Geeft niet.’ Groene ogen, groene vegen op zijn sneakers.

‘Toch sorry.’

‘Is oké.’ Leuke flaporen. Vieze nagels.

Betty glimlacht verontschuldigend en loopt naar de trap.

Beneden wacht de Appelmuur op het einde van de zonsverduistering. Wiebe Waterland bouwt een tijdelijke installatie voor een tijdelijke staatssecretaris en een publiek dat zich tijdelijk opwond, maar nu alweer is ingeslapen. Het museum blijft misschien wel eeuwig tijdelijk, net nu Betty een permanente tuin heeft gevonden om in te wandelen.

Haar telefoon piept: een sms. ‘Dag mijn lief. Zou je graag in mijn armen sluiten, maar heb even ruimte en tijd nodig om mij voor te bereiden op het recital. 1000 virtuele kussen. 4ever de jouwe. D.’

Jammer. Ze verheugde zich op een nacht met David. Kan even niet.

Ze draait zich om en ziet dat de groene man haar nakijkt.

Was ik maar Paula. Een onbegrijpelijke, tijdelijke gedachte, even snel verdwenen als hij kwam.