Feuilleton

Betty legt de krant neer en zucht tevreden. Al sinds Jonas haar vroeg om zijn plotseling ontslagen kindermeisje ‘tijdelijk, hoor’ te vervangen, knaagt haar feministische geweten. Moest ze niet eens echt aan het werk? Was ze niet aan haar opleiding, de samenleving en zichzelf verplicht om een volwaardige carrière na te streven? Met jaloezie keek ze naar ambitieuze vrouwen die een hele levensloop voor zichzelf uitstippelen en zich daar niet vanaf laten brengen: topopleiding, topbaan, je profileren met opiniestukken in de krant (waarin je betoogt dat hoogopgeleide vrouwen het aan hun hoge opleiding, de samenleving en zichzelf verplicht zijn om een volwaardige carrière na te streven), in New York gaan werken… Vrouwen, jonger dan zij nog. Onuitstaanbaar.

Ik zou een museum moeten willen runnen. Een boek schrijven. De derde wereld redden, denkt Betty vaak. Maar kijk eens wat ik doe: een kookrubriek in een krant schrijven en moederen over andermans kinderen. Ik zou mezelf niet moeten verliezen in zulke truttige vrouwenwerkjes.

Ze schenkt zichzelf een groot glas wijn in en staat zich toe om eens een keer tevreden te zijn met het feit dat de kinderen slapen en het huis is opgeruimd. Tevreden met deze eerste zwoele zomeravond, met de geur van pas gemaaid gras die door de openstaande tuindeuren naar binnen waait, samen met flarden van avondgesprekken uit andere tuinen in Amsterdam-Zuid. Tevreden met zichzelf.

Er gaat een zekere troost uit van mensen met scherp uitgesproken principes die zichzelf ineens totaal kwijtraken in diepmenselijke emoties. Hoe meer schijnbaar vlekkelozen zichzelf smerig verliezen in hun primitiefste neigingen, hoe gelukkiger Betty wordt. Dus deze week maakt de krant haar erg gelukkig. Dank, Heleen Mees.

De afgelopen maand is ze nauwelijks meer uit het huis van Jonas en Roos weggeweest. Wat begon als ‘af en toe oppassen’ is uitgegroeid tot – ja, tot wat? Permanent oppassen, eigenlijk. Oppassen voor de plotselinge controles van Roos, die komt en gaat wanneer het haar goeddunkt en zich na het uitdelen van een aantal bevelen-in-de-vorm-van-suggesties (‘Zou het niet een goed idee zijn om Vlinder voortaan weer een helmpje op te doen in de bakfiets?’) het liefst terugtrekt in haar meditatiekamer. Oppassen voor Jonas die zijn nieuw ontdekte mannelijke kant uitleeft: gedurende de ijzige lente is hij blijven kamperen in de tuin, samen met Storm, die tot zijn zesde jaar was opgevoed door een softe bakfietsvader maar nu in rap tempo leert vloeken, vlees eten, vuurtjes stoken en mussen uit de boom schieten. En oppassen dat Vlinder, die tot haar vierde leefde in een roze sprookjeswereld, haar liefde voor doen-alsof niet verleert en zolang het kan in die roze wereld blijft. Oppassen dat dit gezin zichzelf niet verliest, terwijl dat iets is wat ze allemaal het liefste willen: Jonas in stoere jongensdromen, Storm in duistere volwassen dromen, Roos in haar witte kamer en haar zwarte vreetbuien, Vlinder in een ander, telkens nieuw idool.

En Betty zelf? Ik mag me nergens in verliezen. Ben je een sexy powerfeministe, het volgende moment sta je in de krant met glamourfoto’s van vroeger waarin mensen met terugwerkende kracht de Fatal Attraction-gekte in je ogen menen te lezen. Aan de andere kant: voor het oog van de wereld jezelf verliezen, dat is pas groots en meeslepend leven. ‘Een groot dichter worden, en dan vallen, Godverdomme,’ schreef Nescio. Zou ik dat kunnen?

Jonas zit voor zijn tent en houdt een fles whisky omhoog. ‘Wil je ook wat? Kom je even hier zitten?’ vraagt hij.

Wauw. Uitgenodigd in jongensland. Betty gaat tegenover hem zitten, op zo’n oncomfortabel visserskrukje.

‘Hoe gaat het met je?’ vraagt Jonas.

Betty neemt een slok. Ik lust eigenlijk geen whisky. Maar het is vrouwtjesachtig truttig om te zeggen dat je liever wijn hebt.

‘Wat wil jij van het leven, Betty?’

Ik heb werkelijk geen idee. ‘Niks. Mezelf verliezen.’

‘Waarin?’ Hij woelt door zijn survival/modernemannenbaard.

‘Kweenie. In jullie, nu, in het gezin.’

‘Dat maakt je een moeder. En een moeder mag zichzelf niet verliezen.’

‘Roos is anders lekker bezig.’

‘Roos is ook geen goede moeder.’ Achteloos, als in een bijzin.

‘En jij? Ben jij een goede vader?’

‘Tuurlijk.’

‘O ja? Weet je hoe het met Vlinder is?’

Jonas staart naar de lucht.

‘Je bent een zonenvader, Jonas.’

Krekels doen of ze op een verlaten terrein in Zuid-Spanje zitten. ‘Jij bent ons vangnet,’ zegt Jonas. ‘Maar als je je nu ergens in wilt verliezen, kun je beginnen met drank.’ Hij vult haar glas bij.

‘En dan?’

‘Dan kun je aan mij beginnen.’ Hij legt een hand op haar knie.

Ze haalt hem niet weg.