Feuilleton
Betty wordt wakker. Het is donker. Alles doet haar pijn: botten, spieren, gewrichten. Ze gloeit. Ik ben drieënnegentig. Ik ga dood.
Naast haar slaapt David de slaap der tevredenen. Ze herinnert zich, van eeuwen geleden, dat hij een prachtig pianoconcert gaf. Scarlatti, zonder haperen. Dankzij haar, het is altijd dankzij haar, zegt hij – vooraf, en achteraf, als ze weer alleen met z’n tweeën zijn. Vlak na het concert zijn er altijd anderen, mensen die hem de hand willen schudden, bedeesde fans (die ene aandoenlijke puberjongen die altijd komt zeggen dat hij het mooi vond), onbekenden die in Diskotabel-speak over het optreden spreken. Een man met een geaffecteerde stem had het over het ’typisch Franse’ geluid van de piano, een middelbaar echtpaar prees Davids ‘Britse ingehoudenheid’, een vrouw in een gebreide jurk bezong zijn ‘bijna purperen spel’. Betty heeft geen idee wat ze daarmee bedoelde, en de vrouw zelf waarschijnlijk ook niet, maar David groeide onder elk compliment.
Maar dat was lang geleden. Nu ligt hij, naakt en kwetsbaar, naast Betty. Zo heeft ze hem het liefst. Ik maak hem weer klein.
Ze gaat rechtop zitten en voelt de pijn in haar gewrichten. Drieënnegentig. Ze is drieënnegentig, en David ligt nog steeds naast haar. Zesenveertig jaar is ze bewusteloos geweest, Doornroosje on speed, ze weet het zeker, en nu wordt ze wakker want zometeen gaat ze dood. Hoe zie ik eruit? Kleiner, ongetwijfeld, dan vroeger. Heeft de taillevervaging van de overgang toegeslagen? Verft ze haar haar nog? Lijkt ze op haar moeder? Kan ze nog lopen? Schrijven? Denken? God, als ik nu nog maar helder kan denken, dan is het verder maar jammer van die gewrichten.
Ze probeert om zich heen te kijken in de donkere slaapkamer. De wekker staat op 03:13. Davids wekker. Davids bed. Davids woonboot. Haar hoofd bonkt. Kan ik nog fietsen? Ik wil naar mijn eigen bed.
Ze probeert op te staan, blote voeten op de koude vloer. Het lukt. Alles doet het nog.
Ik wil hier niet doodgaan. Ik wil weg. Ik wil dit niet met David.
Met een schok komt ze bij haar positieven. Davids wekker springt op 03:15, ze staat rillend naast het bed en ze heeft koorts, realiseert ze zich. Geen wonder dat ze zich zo krakkemikkig voelt, ze heeft een stevige griep te pakken. Betty kijkt naar het vredig slapende hoofd naast haar. Ze weet wat er gaat gebeuren. David zal over een paar uur wakker worden en haar liefdevol aankijken. Hij zal willen vrijen, en dat met aandacht doen, bevrijd van de zenuwen die hij voor zijn optreden had. Hij zal zeggen dat hij een verrassing heeft. Dan zal hij haar meenemen naar een hotel in het centrum en haar trakteren op een champagneontbijt. Dat is de verrassing. Zo gaat het altijd, na een belangrijk concert.
Jaren geleden zag Betty een tv-documentaire over een diepbejaard echtpaar dat na vijftig jaar huwelijk zo op elkaar was ingespeeld dat het elkaar woordeloos op precies het goede moment de thee of de krant aanreikte, zonder er een blik of woord aan vuil te maken. Dat wil ik ook, besloot ze. Het deed haar denken aan haar kindertijd, waarin ze uren in het atelier van haar vader had doorgebracht in dezelfde woordeloze, vanzelfsprekende eendrachtigheid als dit echtpaar.
Hella Haasse is dood, daar komt het allemaal van, dringt tot Betty door.
‘Men kan nooit werkelijk een plek-van-vroeger terugvinden, of een voorbije staat van zijn opnieuw beleven. Er is ooit een toestand van volmaakt geluk geweest die men in de loop van de tijd onophoudelijk verliest, vergeet. Toch blijft men geloven dat die ergens in het verleden verzonken is en hervonden kan worden.’
Dat citaat uit Berichten van het Blauwe Huis, ergens in een in memoriam, had Betty gisteren getroffen.
Drieënnegentig was Haasse geworden, en de kranten stonden vol lofprijzingen aan haar oeuvre, haar menslievendheid, haar scherpte. In haar laatste interview had ze gezegd: ‘Als ik terugkijk op alles wat ik heb gedaan en gezien, ja, dan kan ik gerust zeggen: ik ben gelukkig geweest.’
Zo moet het dus. Als ik drieënnegentig word, ben ik nu nog maar op de helft. Een heel leven. Ben ik dan gelukkig? Ben ik nu gelukkig? Tien jaar geleden, toen ze gescheiden was van Wouter, had ze gedacht: als je denkt dat je gelukkig bent, dan ben je het toch ook? En kun je dan ook niet besluiten dat je gelukkig bent? Ze had het geprobeerd, en het was gelukt.
Als de zon door de ramen valt, kust David haar wakker. Hij wil met haar vrijen. En hij heeft een verrassing, zegt hij.
Betty kan zich nauwelijks bewegen; ze heeft overal spierpijn. Haar hoofd bonst van de nachtgedachten. Waarom wou ik doodgaan zonder David?
‘O ja, liefje,’ zegt ze. ‘Ik ben dol op jouw verrassingen.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.