Netwerken, denkt Betty, ik moet netwerken. Ze luistert naar de inhuurpianist, die al een half uur bizarre variaties op ‘The shadow of your smile’ speelt, en staart naar de hoofdredacteur van de krant, die dapper op de nieuwjaarsreceptie blijft, als een brave kapitein op zijn zinkende schip. Om de moed erin te houden draagt hij een woest met oranje en groene slierten gedessineerde das, als een vloeistofdia. ‘Die fleurt je pak zo leuk op,’ heeft zijn vrouw gezegd. Vond hij ook. Of hij heeft haar niet durven tegenspreken. Ze koopt vast ook zijn onderbroeken. Nee! Niet aan denken. Netwerken.

Betty staat met haar rug tegen de muur. Ze houdt niet van nieuwjaarsrecepties. Je wordt geacht je losjes tussen de mensen te begeven, contact te leggen, gesprekjes van drie minuten te houden, visitekaartjes af te geven. Fuck, vergeten mee te nemen. Liever verschuilt ze zich achter een potpalm en kijkt ze hoeveel variaties ze kan ontdekken in nieuwjaarsreceptiemanieren.

De hand. De drie zoenen in de lucht. De klop op de schouder. ‘Goed nieuwjaar.’ ‘Mag je eigenlijk niet meer zeggen, hè.’ ‘Hoe is het sinds vorig jaar?’ ‘Wat doe jij ook alweer?’ ‘O, ik zie iemand.’ ‘We moeten eens verder praten.’ ‘We bellen!’ ‘Ik ga je mailen!’ Angst, gemaskeerd door de Beste Wensen.

De kunstrecensente die altijd de Belangrijke Kunstenaars mag doen, heeft haar opgemerkt en aarzelt zichtbaar of ze haar zal aanspreken. Dinges, hoe heet ze ook alweer? Eet nooit. En drinkt nooit en plein public rode wijn omdat ze daar paarse lippen van krijgt of op haar beige angora truitje morst. Verstandig. Betty glimlacht quasi-afwezig naar haar en loopt een andere kant op. De pianist speelt ‘Fly me to the moon’. Ze kent hier verder niemand.

‘Betty!’

Bijna niemand. ‘Theo! De beste wensen.’

Terwijl de chef kunst & lifestyle en opdrachtgever van haar culirubriek ‘Betty serveert’ tegen haar praat (en intussen over haar schouder kijkt of er niet iets interessanters langskomt) kijkt ze geïntrigeerd naar zijn das. Bruine en groene slierten. Hier zit hetzelfde brein achter. Zou de vrouw van de hoofdredacteur iets hebben met Theo? Of de vrouw van Theo met de hoofdredacteur? Of dat ze dezelfde minnares hebben? Was er niet ook ooit iets met Monica Lewinsky en de dassen van Bill Clinton? Dat hij als een teken de das droeg die zij hem gegeven had?

‘Nou,’ zegt Theo, ‘Ik bel je nog.’

Het eind van elk nieuwjaarsreceptiegesprek: ‘Ik bel je nog.’ Of: ‘Ik vind je wel op Facebook.’ Wat nou visitekaartjes. Betty denkt aan haar barre Facebookpagina, waar tien lukrake contacten staan te verpieteren onder haar anonieme grijze silhouet. Moet ik toch echt iets aan doen, als freelancer in crisistijd. Netwerken.

Ze luistert naar een verbijsterend vrolijke versie van ‘As time goes by’. Gelukkig is David hier niet. Hij zou het hier geen minuut uithouden. In haar ooghoek duikt de kunstrecensente (Dinges???) weer op. Het liefst zou Betty haar hoofd in de pot van de palm steken, maar het is te laat.’Heb je het gehoord?’ zegt Dinges ontzet. ‘Gustav Leonhardt is dood.’

Wat blijft er voor tastbaars over na een relatie? Foto’s, waarop je achteraf pas dingen ziet: een naar binnen gekeerde blik van hem (vond ze romantisch), een te opgemaakt gezicht van haar (vond hij mooi). Recente bioscoopkaartjes: Beginners, Jane Eyre, Midnight in Paris. Cd’s die ze in de loop der tijd heeft gekregen: Al Green, Adele, Ravel. Bach, de Goldbergvariaties, door Gustav Leonhardt: Davids eerste cadeautje, toen ze zich had laten ontvallen dat ze niet van klavecimbelmuziek hield. Ze hadden er net zo lang naar geluisterd tot ze de schoonheid had ontdekt in Leonhardts precieze, puriteinse stijl. En tot ze niet meer durfde te zeggen dat ze liever naar de jazzy Goldbergvariaties van Glenn Gould op piano luisterde.

Wat zou David nu doen? Anderhalve maand al gaat ze alleen naar tentoonstellingen en concerten, aan haar vriendinnen en haar moeder zou ze eerst moeten uitleggen wie Gustav Leonhardt was, en dan nog zouden ze hun schouders ophalen en zeggen dat ze klavecimbelmuziek gejengel vinden, dat ze niet helemaal naar Den Haag gaan om een oud Frans schilderij te bekijken, dat ze het prachtig vinden dat zij zich daarvoor interesseert, maar, nou ja…’Hij was bang om te falen, en nu is hij bang om te bellen. Hij steekt z’n kop in ’t zand, en jij ook,’ heeft Anna gezegd. ‘Jullie moeten praten.’

Betty pakt haar mobiel. ‘Gustav Leonhardt is dood,’ sms’t ze. ‘En jij?’

Hoeveel variaties zijn er voor het bijleggen van een ruzie? Deze is alweer zo lang geleden, dat de kwaadheid lafjes is weggeëbd.

Bij David thuis klinkt Goldbergvariatie nummer 25. In mineur.

‘Ik was gewoon bang zonder jou,’ zegt David.

‘Ik kon gewoon niet met je mee,’ zegt Betty. ‘Al wilde ik wel. Ik moest bij mijn moeder blijven. Mijn naastbijliggende plicht.’

‘Woutertje Pieterse.’

‘Dat bedoel ik nou. Niemand anders weet dat soort dingen.’

‘Wil je nog weten… Ik wil nog zeggen…’Nee. ‘Sssst. Luister, hij zit weer in majeur.’ Best gezellig, denkt Betty. Samen met de kop in hetzelfde zand.