Feuilleton

Hoewel ze haar moeder beloofd heeft snel terug te zijn, loopt Betty om door het bos. Ze houdt van sneeuw. Niet vanwege al die sneeuwpret- en Elfstedentochttoestanden, maar omdat het zo stil is. Elk geluid klinkt gedempt. Af en toe een ‘plof’ van sneeuw die van een tak valt, en het fluiten van een verkleumd vogeltje. In de verte jankt een hond. Hier komt Roodkapje, op weg naar haar moeder met een mand vol proviand. Nu niet afdwalen door het dorp langs de winkels met uitverkoop, maar recht naar huis.

Vanmorgen had haar moeder gebeld: ‘Ik durf de deur niet uit, met die knie. Voor je het weet breek ik een heup en dan ben ik nog veel verder van huis. Kun je alsjeblieft boodschappen voor me doen?’ Na een helse tocht met trein en bus (Wanneer snapt de NS nou eens dat het wel eens winter wordt in Nederland. Wanneer haal ik nou eens mijn rijbewijs?) was ze gearriveerd in het dorp van haar jeugd. Ze heeft genoeg eten en drinken ingeslagen voor een overwintering op Nova Zembla. Ik zou wel een slokje wijn lusten.

Betty schrikt. In het midden van een open plek staart een wolf haar dreigend aan. Ze kijkt terug. Het is een wipkip, onder een deken van sneeuw. In dit bos geen wilde dieren. Geen jager ook, trouwens.

Als alle boodschappen bij haar moeder thuis zijn opgeborgen, komen ze aangeslopen, de wolven die haar moeder bedreigen. De wolf die winter heet en komt in de vorm van angst of de kachel het wel doet en of er wel genoeg eten is en of ze niet uitglijdt, daar buiten. De wolf van ouderdom met z’n angstaanjagende, zich vermenigvuldigende kwalen. De wolf van de jongste eeuw, die zijn tanden laat zien in onbegrijpelijke formulieren en informatie die alleen op een website is te vinden of met een telefonisch keuzemenu kan worden opgevraagd. Er is geen vader meer om ze op een afstand te houden, dus vandaag is Betty Roodkapje en jager tegelijk. Ze vult formulieren in, regelt een onderhoudsmonteur, belt een instantie, belooft een e-mail te sturen, en legt haar moeder geduldig uit hoe de nieuwe koolmonoxidemelder werkt, wetende dat ze net niet goed genoeg zal luisteren om het te onthouden. ‘Ja kind, ik snap het wel, denk ik. En anders vraag ik het nog wel een keer. Zeg, er is nog iets…’

Nee. Niet nog iets. Ik ben moe. Ik wil weg. Ze wíl het gewoon niet snappen.

‘Ik moet voor een onderzoek in een potje plassen, en dan moet ik dat in buisjes doen, en zelf naar een laboratorium brengen, en… nou ja, hier is de gebruiksaanwijzing, en ik zal er wel te dom voor zijn, maar ik begrijp het niet helemaal…’

Betty zucht. ‘Kijk, mam, het is helemaal niet zo moeilijk, zo gepiept, het gaat vanzelf, je moet gewoon eerst in dat potje, en dan pak je dat buisje erbij, en dat duw je gewoon in dat dekseltje van dat potje, het staat hier in de gebruiksaanwijzing, kijk, met handige plaatjes, en…’Ze hoort zichzelf praten op de toon van een montere kleuterjuf, en ze haat zichzelf. Daar staat ze, met die belachelijke gebruiksaanwijzing voor iets dat een laboratorium uitbesteedt aan een patiënt omdat ze dat dan zelf niet meer hoeven te doen. Haar moeder is van goeden wille, ze raapt zichzelf met haar bijna tachtig jaar de hele dag bij elkaar, ze sleurt zich met alle macht en heldenmoed alleen door de wereld van 2012. Dit gaat mij later ook gebeuren. Er komt een tijd dat ze je alleen maar om hulp horen roepen als je ‘help’ twittert, terwijl ik altijd koppig heb geweigerd daaraan mee te doen. En dan heb ik geen dochter.

Betty gaat zitten en kijkt haar moeder aan. ‘Eerlijk gezegd is het een schande dat een laboratorium je laat klooien met een potje urine dat je via een ingewikkelde techniek zelf in buisjes moet doen met daarop kabouterstickertjes waar je je hele doopceel op moet schrijven. Ga er maar heen met je potje plas en zeg maar gewoon dat je hier niet voor opgeleid bent.’

‘Dus ik hoef dit niet te begrijpen?’

‘Nee mam, dit hoef je niet te begrijpen.’

Haar moeder recht haar rug, kilo’s lichter. ‘Nou, dan heb ik verder niets meer te regelen en te wensen,’ zegt ze onverwacht kordaat.

‘Echt waar? Ben je gelukkig zo?’ vraagt Betty.

‘Ja, kind.’

Betty weet dat het de verkeerde vraag was. Ze vraagt zich vaak af of haar moeder wel gelukkig is. Maar ze vraagt het haar nooit zelf.

Haar mobiel gaat. David. Ik dacht al: wanneer belt-ie.

‘Betty? Kom je naar me toe? Alsjeblieft. Ik ben bloednerveus voor dat optreden van overmorgen.’

‘Ik ben bij mijn moeder, ik moet met de trein, het kan even duren. Maar ik kom, liefje, ik kom meteen.’

Betty glimlacht. David kan het nog, haar in paniek opbellen als hij haar nodig heeft. Gelukkig is er niets veranderd.

Hè? Eh…

Die hele stomme afhankelijkheid van hem, daar ging onze ruzie toch over? Moet ik nou blij zijn dat er niets veranderd is, of niet?

Ze weet het niet. Maar op dit moment wil ze er gewoon blij mee zijn. Recht naar David, niet van het pad afwijken. Roodkapje to the rescue. Angst bezweren, daar is ze vandaag toevallig erg goed in.

En het is dé manier om haar eigen wolven op afstand te houden.