Feuilleton

Betty zit op het bed. Ze klemt haar telefoon tegen haar oor. ‘Anna?’

‘Wat fluister je? Waar zit je?’

‘Bij David.’

‘Hebben jullie nou gepráát?’

‘Nee. Luister. David is een peul.’

Gelukkig is er niets veranderd, had Betty gedacht terwijl ze zich naar Davids woonboot had gespoed. Ze was met de kerst weliswaar van zijn zijde geweken door thuis te blijven terwijl hij moest optreden, en hij had in zijn paniek en kwaadheid nare dingen gezegd, maar ze hadden besloten dat het weer goed was en nu had hij haar gewoon weer nodig. Uitpraten was onzin, al dat gepraat waar Anna in gelooft – ze wilde niet weten hoe hij het er daar in Parijs had afgebracht, ze hadden elkaar gewoon een maand niet gezien en alles ging gewoon weer zoals het altijd was gegaan. Davids oplopende zenuwen voor een pianorecital. Zijn telefoontje als hij die zenuwen niet meer de baas kan. Haar rol als de bezweerster van zijn angsten, mascotte, muze. Het optreden, waar ook nu weer niets op aan te merken was – waar is hij toch bang voor, een zaaltje vol welwillende grijze hoofden -, de nazit met wat keurige notabelen, de onvermijdelijke mevrouw in een zelfgebreide artistieke trui en die ene stamelende puber die hem bewondert. Het gewoonlijke champagneontbijt – ‘Goh, David, wat een verrassing!’ – de volgende ochtend. Ze had zich met haar telefoon en laptop op Davids bank genesteld om nog een paar dagen te blijven, in het tevreden besef: hier te zijn is genoeg.

Het vroor. Het dooide. Betty zat een beetje te werken en kookte, David speelde piano of las, of belde of mailde. Ze zeiden niet veel, maar dat was juist fijn. Alles was zoals het was geweest.

Hoewel.

Betty’s favoriete pagina in de Bobo, vroeger, bestond uit twee plaatjes die ogenschijnlijk hetzelfde waren maar toch miniem van elkaar verschilden: in het tweede plaatje waren kleine dingen toegevoegd, of weggehaald. De kunst was om de verschillen op te merken.

In het huis van David zag alles er hetzelfde uit. De glanzende vleugel, de chaise longue van Le Corbusier, de gravures aan de muur, de sierlijke antieke eikenhouten kast met bladmuziek, de glazen salontafel, de Gispen-fauteuils, de strak geordende cd- en boekenkast, de kaarsrechte stapel boeken en kranten naast de beige bank: de jaloersmakende orde, leegte en schoonheid van een huis in een woonblad. Ze voelt zich er altijd een per ongeluk aangewaaid bosje zwerfvuil dat zich opdringerig in de bank nestelt.

Niets veranderd.

Nou ja, David had een nieuwe smartphone, die af en toe ‘plienk!’ of ‘pie-doe!’ riep. En over een stoel hing een nieuw jasje. Uit Parijs. Een sweaterachtig, sportief ding, niets bijzonders, duizenden mannen dragen zulke jasjes. Maar die dingen hadden in de buurt van David bijna iets gênants, zoals vroeger wanneer je ouders ineens een dansje maakten, of zoenden. David is zo gelijkmatig en conservatief, dat elke minieme afwijking eruit springt als een Niki de Saint Phalle in een zaal vol Giacometti’s. Betty is gesteld op zijn tweedjasjes, zijn En­gel­se schoenen, zijn lamswollen truien, zijn altijd gestreken overhemden, bakens in een warrige wereld waarin de krant bericht dat mannen nu capejes gaan dragen, of rare roze te krappe truitjes.

Ze houdt van zijn terughoudendheid, zijn formaliteit, zijn geremdheid zelfs. Die smartphone en het sweaterjack zijn fremdkörper, toegevoegd in het tweede plaatje.

Zoek de verschillen.

Was er ook iets weg? Iets niet?

Het is niet het huis, het is David. Er ontbreekt iets bij David.

‘Het is net als in die film, Invasion of the Body Snatchers,’ zegt Betty. ‘Met die ruimtewezens, die komen in de vorm van peulplanten, weet je nog, die mensen observeren. Als je in slaap valt, word je insloten in een reuzenpeul en na het ontwaken praat je nog hetzelfde, ziet er hetzelfde uit, maar ben je niet dezelfde – je persoonlijkheid is weg, veranderd. Alleen mensen die zo’n peul nog als mens kenden, merken het verschil. Tot ze zelf ook een peul worden.’

‘O ja,’ zegt Anna. ‘Zelfs Donald Sutherland. Vreselijk enge film.’

Ze lacht. ‘Ach, eigenlijk zijn alle mannen peulen. Joh, waarschijnlijk heeft David last van een milde midlifecrisis. De meeste mannen kopen een Harley Davidson en slangenleren cowboylaarzen. David koopt een smartphone en een sweaterjasje. Dat is voor hem al zo grensverleggend jong en woest dat het daar wel bij zal blijven. Ik denk dat het belangrijker is dat je die ruzie eens met hem uitpraat, dan blijkt waarschijnlijk dat je je veel te rare dingen in je hoofd haalt.’

Er is niets aan de hand. Ik verbeeld het me. Bodysnatchers, nou ja.

Vertederd kijkt Betty naar David, die ontspannen op de Corbusier ligt. Zwartleren Engelse schoenen aan de voeten. Gelukkig.

‘Plienk!’ Zijn telefoon.

‘Hé, met mij,’ zegt hij. ‘Nee, nu niet. Ja, da’s afgesproken. Chill.’

Chill?