Feuilleton
Jongens, denkt Betty. Aardige jongens?
Ze staat voor een levensgrote foto van Joel Sternfeld in FOAM: Summer Interns Having Lunch. Wall Street, augustus 1987. Twee jongens zitten op de stoep van een beurs- of bankgebouw. Hoe oud zullen ze zijn, vijftien, zestien, zeventien, ze dragen een pak dat te volwassen voor ze is, met bretels en stropdas, ze hebben hun jasje uitgetrokken, de rechter heeft een half opgegeten hotdog in zijn hand – jongens, nog, misschien zelfs aardige jongens, al is dat niet te zien. In hun ogen al de blik van de man die ze zullen worden: serieus, hard, arrogant, vermoeid – met daarachter het vermoeden van angst.
Bij David thuis, in een zilveren lijst in de vensterbank, staat een jeugdfoto van hem. Jaar of vijftien, achter de piano, ook in zo’n te ouwelijk pak, en David kijkt precies zo in de camera als deze jongens. Aandoenlijk. Angstig. Beangstigend.
Als Betty aan David denkt, ziet ze altijd een glimp van dit kind in hem. Diep in de charmante, ogenschijnlijk zelfverzekerde pianist schuilt een bang jongetje dat alleen zij kent. Iemands diepste angst kennen, dat is liefde. Niet eens dat je weet wat zijn lievelingscognac is en dat hij snurkt en niet van fabrieksmayonaise en van rommel in huis houdt.
Ze weet wat hij denkt als hij beleefd glimlacht. Wat hij voelt als hij alleen is. Wat hij wil en wat hij vreest. Betty kent de man die zich aan niemand anders zo laat kennen: de jongen in de man.
Maar om de jongen en de man heen is de laatste tijd een verse laag verschenen, als een grotere matroesjkapop. Een vreemde, onbekende man. Een man met een nieuw trainingsjack in plaats van zijn oude tweedjasje. Een man die ‘Chill’ zegt in een smartphone.
‘Chill. Hij zei Chill?’
‘Ja.’
‘Niet cool? Of vet cool? Of wreed?’
‘Nee.’
‘Dan is ze behoorlijk jong.’
‘Wie?’
‘Zij. De andere vrouw.’
‘Floor! Je denkt toch niet echt dat-ie vreemdgaat?’
‘Ja natuurlijk! Dat denk jij toch ook?’
Was dat nou wel zo’n goed idee, Floor bellen? ‘Anna zegt dat het een soort midlifecrisis is. Dat David en ik moeten praten.’
‘Welnee,’ zegt Floor, ‘je moet niet praten. Jij bent geen prater. En David al helemáál niet. Praten deden ze in de jaren zeventig, en dat leidde ook alleen maar tot scheidingen, draken van kinderen en emotie-incontinente babyboomers. Jij moet uitzoeken wat David uitspookt. Waar jij goed in bent, is observeren. Goed kijken wat hij doet, zakken nazoeken, sms-berichten scannen. Beetje speuren.
Begin eens op zijn Facebookpagina.’
‘Wat moet ik nou op zijn Facebookpagina?’
‘Hoe lang zijn jullie nou samen? Wat weet je eigenlijk van hem?’
Niks. Ik weet niks van David. Betty, die de neiging heeft sociale media te zien als asociale media, verdiept zich al niet eens in haar eigen Facebookaccount (geen profielfoto en tien vage kennissen), laat staan in dat van David. Ze logt in en vindt zijn pagina.
Terug naar december. Wat heeft hij in Parijs gedaan? Ik ging niet mee, heeft hij een andere mascotte gevonden?
Ha. Foto’s. Een zaal met een vleugel. David voor en na het optreden.
Voor: schouders opgetrokken, alsof zijn jasje te krap zit, de arrogante jongensblik in de ogen. Na: ontspannen lachend, jasje uit. Charmant.
In control. Grijnzend met een gezette man naast hem, glimlachend in gesprek met een vrouw die op Carla Bruni lijkt – vóór de botox en de plastische chirurgie waardoor ze op een kruising tussen kat en hamster ging lijken, dus Bruni is het niet. Zou zij…? Nee. Te dun.
‘Ruben’ likes de foto. ‘Cool dat ik erbij was.’
Zoek de mascotte.
‘Merci pour Debussy et Sinatra!’ schrijft ‘Philippe’. Ach gos. Heeft-ie toch ‘Strangers in the night’ moeten spelen.
Postje van ‘Eline’: ‘Ça était super!’ Jaja. Dat zal wel. Voor de zekerheid kijkt ze even op de pagina van Eline. Nee. Te oud.
Betty staat op en schenkt zichzelf een glas wijn in. Ze voelt zich misselijk. Wil ik eigenlijk wel weten wat David in Parijs heeft gedaan, of wat hij hier doet? Ze kan zich niet voorstellen dat hij vreemdgaat, David die breezerseks heeft met een meisje dat ‘chill’ zegt, godallemachtig, waarom zou ze zich dat wíllen voorstellen, waarom zou ze daarnaar op zoek gaan? Kan het me eigenlijk wel iets schelen?
Weg uit Facebook. Naar de nieuwssites. Prins Friso. Anil Ramdas. Job Cohen. Vallende mannen, gevallen mannen. Betty klikt op de site van FOAM. Daar zitten ze, de jongens uit 1987 met de man in hun ogen.
Ooit zijn ze die man geworden. Geliefdes hebben van hen gehouden zolang ze nog een glimp van het kind in hen zagen, en hen weer verlaten toen het laatste restje jongensemotie uit hun ogen was verdwenen. En wie weet werden ze wel de vallende mannen uit die torens in 2001 – eindelijk bevrijd van die kluisterende, aandoenlijke angst.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.