Feuilleton

Warm zonlicht valt op Maarten en Henriette. Op een bankje bij het Rijksmuseum eten ze een ijsje. ‘Ik heb een mieterse film gezien,’ zegt zij.

Mieters. Wat een fijn woord, toch. Betty vond Bij nader inzien twintig jaar geleden geweldig op tv, maar bij nader inzien, op dvd, te gekunsteld. Duidelijk een pre-Maria Goos-serie, waarin acteurs nog niet praten zoals mensen, terloops, onaf, onlogisch, er-staat-niet-wat-er-staat. Toch blijft ze kijken. Ze is moe van het geweld in The Wire, van de kilte van The Killing, van al die cult-dvd-series. Die kunnen later nog, al stapelen ze zich op: Borgen moet ze nog zien, het derde seizoen van Damages, alle Dexters, hoewel niemand het daar meer over heeft dus dat hoeft niet, en ze heeft The Sopranos ook nooit gezien, maar dat durft ze niet meer te zeggen. De must-see-dvd-serie heeft inmiddels dezelfde status als het boek dat je gelezen moet hebben: bovenop het schuldgevoel over de ongelezen boeken stapelt zich nu het schuldgevoel op over de onbekeken series.

Bij nader inzien biedt dan wel niet de oplossing van haar schuldgevoel, maar wel de nostalgie waar Betty nu even behoefte aan heeft. Het bij elkaar kruipen op armoedige zolderkamertjes zonder design of computer. Dat je telkens dezelfde grammofoonplaat opzet. Het verlangen om een brievenroman te schrijven. De grote verwachtingen over wat komen gaat. Dat nog niet alles gedaan is. Mieters.

Betty kijkt drie afleveringen achter elkaar terwijl ze gedachteloos een bak Saroma leegeet. Dan voelt ze zich misselijk. Het wordt een beetje griezelig, zoals ze naar het verleden grijpt om zich prettig te voelen.

Net een Wereldoorlog achter de kiezen hebben, als vrouw niet zomaar carrière kunnen maken, bang zijn om zwanger te worden. En dat huwelijk van de Voskuiltjes is ook een hel gebleken. Hoezo, mieters?

Het is allemaal de schuld van Theo van de krant, die nostalgie.

Vanmiddag – op zondag, godbetert! – heeft ze er aan moeten geloven: het gesprek over zijn plannen met Het Merk Betty.

‘Ik ben geen merk, Theo, ik ben een mens.’

‘Ja, maar dat is júíst leuk! De mensen willen niet Johannes van Dam die alles beter weet. De mensen willen een vrouw van vlees en bloed, die ook maar wat staat te klooien in de keuken.’

‘Zeg, ik weet heus wel wat ik doe.’

‘Dat weet jij. Dat weet ik. Maar dat weet de mediaconsument niet.’

‘De mediaconsument?’

‘Ja. Je moet op Twitter: hashtagbettysculitweet. Je moet op Facebook.

Ik zie een website. Ik zie een blog. Ik zie een kookboek. Ik zie een série kookboeken. Ik zie een eigen blad. Ik zie een tv-kookprogramma.

Ik zie DWDD. Ik zie je als tafeldame bij DWDD.’

‘Je ziet dollartekens.’ Waarom zeg je eigenlijk nooit eurotekens? ‘Jezus Betty, aandacht is macht. Jij hebt gewoon niet het talent die aandacht naar je toe te trekken. Daar help ik je alleen maar bij.’

‘Ik wil niet, Theo. Ik ben daar niet geschikt voor. Wat moet ik twitteren, elke dag? Dat je vers bronwater moet drinken uit de Sebilj-fontein in Sarajevo? Of dat ik nog een zak wokgroenten in de groentela heb liggen die eigenlijk bijna over de datum is, maar dat mijn geliefde me vanavond uit eten heeft gevraagd?’

‘Ja! Precies! Je bent een merk, én een mens!’

‘Theo… Mag ik niet gewoon mijn kookrubriekje tikken, en verder niet? Ik heb niet eens een smartphone!’

‘Jezus, uit welk jaar komt die telefoon van jou? 1962? Weet je wat het met jou is? Je leeft dertig jaar terug.’ Mmm. ‘Je zou het liefst je teksten op een ouwe Remington tikken…’ Ja, eigenlijk wel. ‘…en alles opzoeken in de Grote Winkler Prins.’ Nee! Leve internet! ‘Jij wilt zeker ook de gulden terug. Misschien moet je PVV stemmen. Of MAX. Of zo. Moet ik het soms láten doen, door een jong hip meisje?’

‘Theo!’

Theo staat op en houdt de deur voor haar open. ‘Dus dat is afgesproken. Jij krijgt een smartphone van de krant en jij gaat twitteren.’Hadden we dat afgesproken?

Net voor middernacht gaat de telefoon. David. ‘Dag liefje, hoe was het?’ Ze weet dat hij naar de jubileumvoorstelling van Meesterpianisten is geweest. Dat hij ze allemaal gezien heeft, van de broertjes Jussen tot Jean-Yves Thibaudet. En ze weet hoe hij daarop altijd reageert. Niet enthousiast, niet geïnspireerd, maar radeloos, geïntimideerd, geconfronteerd met alles wat hij niet bereikt heeft.

‘Mooi,’ zegt hij mat.

‘Weet je wat?’ zegt Betty. ‘Ben je nog bij het Concertgebouw? Ik kom naar je toe. We gaan naar het Vondelpark, een eindje wandelen.’

Kunstenaar Steve McQueen heeft de geelwitte lampen van de lantaarns in het park tijdelijk laten omwikkelen met blauw folie. Het wordt er spookachtig van, in deze eerste lenteachtige nacht. Betty en David lopen zwijgend langs de grote vijver. Er zit veel fout tussen hen beiden. Er zijn geheimen en scheve zaken. Maar ze zijn vandaag ieder geconfronteerd met tekortkomingen en de geringe reikwijdte van hun kunnen, ze hebben zich klein gevoeld, en hier, in het blauwe licht, vinden hun handen elkaar.