Feuilleton

n haar ooghoek ziet Betty Het Ding. Ze kijkt weg, door het raam. Het is er nog niet. Nog even niet. Ze sluit haar ogen. Kwinkelerende vogeltjes. Op haar netvlies de reflectie van een waasje groen op haar dakterras. In haar hoofd is het lente, wordt het zomer. Ze trekt bloesem in bloei, en een veld vol klaprozen, ze is Monet die een bloemenwei schildert. Nog even.

De telefoon gaat.

Buiten miezert het. Ze rilt in haar coltrui. De struikachtige dingen blijven stakerige takken zonder bloemen. De groene waas is het begin van moordend, woekerend zevenblad. Ze zou er eigenlijk eens iets aan moeten doen, maar wat? Rode vingers, ik heb rode vingers.

Ze neemt op. ‘Jonas!’

‘Zou je iets voor me willen doen?’

Ha, een reclameopdrachtje.

‘Zou ik morgenochtend Storm en Vlinder een uurtje bij je kunnen stallen? Ik moet naar een bespreking bij jou in de buurt, en Roos geeft een workshop Honden Spiegelen op de hei en de au pair moet uitgerekend op die tijd naar een cursus Management.’

Honden Spiegelen?

‘Ik maak het nog goed met je, ik heb nog wel een winstgevend schrijfopdrachtje. Please, Betty? Ik zit echt omhoog.’

Niet zeuren. Jonas is een vriend, Jonas is een opdrachtgever. ‘Tuurlijk. Breng ze maar hier.’ Dit huis is helemaal niet kindproof. Wat doen kleuters tegenwoordig? Kan ik beter voor hen zorgen dan voor mijn tuintje?

En zo is ze in gedachten weer terug bij David, in het blauwe licht van het Vondelpark, een paar dagen – nachten – geleden. Ze zaten op een bankje in het stille gedeelte, ver van de mensen die het blauwe lantaarnlicht van kunstenaar Steve McQueen als een kermisattractie beschouwden – wat zij natuurlijk feitelijk ook deden, maar ze voelden zich ver van het volk dat ‘van onze belastingcenten’ mompelde, of ‘eindelijk meer blauw op straat’ grapte.

In de verte lachte een kind. ‘Die zou in bed moeten liggen,’ zei Betty.

David zweeg. Zei toen: ‘Had je het niet toch willen proberen?’

‘Wat?’

‘Kinderen.’ ‘Met jou? Jij wou… Ik was…’ Wat lief dat hij zich in mij verplaatst. Waarom hebben we dit gesprek nooit eerder gehad? Waarom begint hij er nu over?

‘Ik was verliefd, ik was eenenveertig, ik wist niet wat het zou worden tussen ons. Jij zei heel stellig dat je geen kinderen wilde.’ Het leek wel alsof het makkelijker was om iets te zeggen op dit bankje in dit vreemde duister, waarin ze hem niet hoefde aan te kijken.

‘Ja, misschien…’

Wil hij ze nu ineens wel? ‘Je bent een man, je kunt op zoek gaan naar een jongere vriendin. Doen heel veel mannen.’ Wil ik dit wel zeggen? ‘Ik wil geen jongere vriendin.’

‘Echt niet?’

‘Echt niet.’

‘Gelukkig.’ Over wie ging dit gesprek nou?

Had ze het niet toch willen proberen? Na een mislukt huwelijk, na twee miskramen, na haar veertigste? Ze ziet hoe Jonas met z’n kinderen sjouwt, van hot naar her. Hoe Floor na haar scheiding radicaal haar zoons bij hun vader heeft gestationeerd. Hoe Anna, hoogopgeleid, met haar studie Frans nooit verder is gekomen dan een gezellig baantje voor erbij (en het is een groot goed, zo’n studie Frans, die bestaat straks niet eens meer, dan ben je drs. Taal, Cultuur en Mediastudies), klassiek schipperend tussen werk en gezin.

Voelen zij zich een beter mens, zoals ze zichzelf had willen voelen, ooit, toen ze nog wou, toen het nog kon, toen ze dacht: ik wil dat er iets in mijn leven komt dat belangrijker is dan ikzelf? Zijn ze jaloers op haar, met al haar vrijheden? Dat je altijd kunt reizen (terwijl ze nooit wil reizen). Dat ze, als de tijd voorbij is dat ze Wouter partner­alimentatie moet betalen, de rest van haar leven niets meer met hem te maken heeft. Dat ze in deze latrelatie alleen kan zijn wanneer ze dat wil. Maar dat ben ik, ik ben gewoon het liefste vaak alleen. En misschien wel een moeder met rode vingers. Eigenlijk is het goed zo. Of doe ik alsof het wel goed is zo, omdat het nu eenmaal zo is? En is dat dan erg?

Ze eet een chocolade-eitje en verdringt een licht schuldgevoel (ze zou eens moeten afvallen, en witte chocola, dat mag niet van de culipolitie). Als niemand het ziet, telt het niet, schiet door haar hoofd. De magie van de kindergedachte.

Misschien is doen alsof zo kinderlijk nog niet, beseft Betty. Volwassenen boeken er succes mee. Banken zeggen dat ze er voor hun klanten zijn en vullen hun eigen zakken. De SGP-politicus lacht mee met Rutger Castricum en redt zijn hachje voor de camera. De Assadjes gaan shoppen in Parijs terwijl ze hun volk laten uitmoorden. En zijzelf doet alsof ze gelukkig is, en wordt daar gelukkig van.

Toch?

In haar ooghoek ziet ze nog steeds Het Ding, de smartphone die ze eerder deze week van de krant in bruikleen heeft gekregen om mee te gaan twitteren. Een slapend kind dat straks aandacht wil, voeding, zorg. Ze heeft ‘m nog niet aangezet. Ze kijkt weg. Het is er niet. Nog niet.