Feuilleton
Floor wankelt op haar hoge Marc Jacobs-pumps. ‘Oké,’ zegt ze. ‘Actie.’ Met een zwaai ramt ze de voorhamer op de muur. Betty springt opzij. Floor grijnst. ‘Zo, dat lucht op.’ Nonchalant geeft ze de hamer terug aan de knul die bedremmeld in de hoek van de keuken staat – een Pool met een lome oogopslag en bizar grote spierballen voor zijn leptosome bouw, een puber die in de coffeeshop vanmorgen per ongeluk een blikje superspinazie heeft gerookt.
‘Thanks, man,’ zegt ze. ‘You do the rest. En no rommel, straks.
Everything clean. You’ll be ready when I come back.’
‘Yes. Of course.’ Hij kijkt dociel naar de grond. Floor klopt het stof van haar Dolce & Gabbana-jurkje. ‘Kom op, Betty, we gaan.’
Schuldig kijkt Betty om. Oude socialistische reflex. Ze is de enige die gegeneerd is, de Poolse Popeye vertrekt geen spier.
‘Kom je nou? Ik ben toe aan een wijntje. ’t Is vijf voor één.’
‘We moeten iets eten,’ zegt Floor. ‘Maar eerst nog een sigaret. En nog een glas.’ Het is koud op het terras, maar Floor moet roken. Ze inhaleert en zuipt alsof ze een wedstrijd moet winnen.
Ze bezweert iets.
‘Die keuken zat er al twaalf jaar in. Kon echt niet meer. Het heeft geen zin om te blijven steken. Je moet vooruit in het leven. Ik zei het gisteren nog tegen Alexander.’
‘Hoe is het met hem? Hoe oud is hij nu, veertien?’
‘Vijftien. Nog even en hij mag zonder mijn begeleiding een fles wijn kopen.’ Floor neemt nog een flinke teug. ‘Maar ze hebben mijn begeleiding helemaal niet meer nodig. Die twee jongens wonen al zo lang bij hun vader. Ze zien zijn vriendin al als hun moeder. Als kuikentjes die na de geboorte achter het eerste aanlopen dat beweegt.’
‘Vind je dat niet naar? Dat zij, hoe heet ze…’
‘Marlies. Of Marloes.’
‘Dat zij jouw plaats inneemt? Wil je ze niet terug?’
Floor blaast met kracht een rookwolk tegen de wind in. ‘Ik moet er niet aan denken. Ik kan ze niet aan, die pubers. Ze horen bij hun vader. Dat hebben we gisteren ook definitief besloten.’
Vandaar.
‘David en ik hebben laatst over kinderen gepraat, of ik ze niet mis.’
‘Hij wou toch geen kinderen?’
‘Nee. Gewoon, hij was belangstellend.’
‘Dat was hij toch gewoon nooit?’
Wat bedoelt ze daar nou mee? ‘Het was een fijn gesprek. Het gaat goed met ons. We zijn… Het is oké. Het voelt goed.’
‘Geen rare dingen meer? Sms’jes, te hippe jasjes, raar taalgebruik?’
‘Ik heb het gevraagd, of-ie geen oogje had op een jonge vriendin. Nee dus. Het gaat goed tussen ons, beter. Echt.’
Floor steekt twee vingers op naar de ober. Betty is de tel kwijt. Het is kwart voor vijf. Ze heeft het gevoel dat ze niet meer op kan staan. ‘Ik moet naar huis,’ zegt ze. ‘Iets eten.’
‘Ik ook. Ik ben trouwens inmiddels wél toe aan een jongere vriend.’
‘Hou je je een beetje in met je bouwvakker?’
‘Jaaaaah, eerst moet het werk af. En als hij bevalt, zing ik mijn lof bij het Polenmeldpunt.’
‘Ik heb het niet goed gezien,’ zegt Betty tegen haar spiegelbeeld.
Ze leunt zwaar op de wasbak. ‘Neeeee. Ik heb het wel goed gezien. Maar ik heb me goed gedragen.’ Ze sluit haar ogen, maar alles blijft draaien. Niet op de vloer… Ze redt het net, ze kotst in de wc, ze krabbelt op, ze spoelt haar mond en kijkt weer in de spiegel.
‘Chic,’ zegt ze. ‘Beschaafd. Elegant. Always a lady. That’s me.’
Ze spoelt haar mond. Ze heeft het heus wel op een rijtje.
Dat ze naar huis is gefietst met de overdreven omzichtigheid van iemand die zes witte wijn achter de kiezen heeft – stoppen voor rood, stoeprand twintig centimeter naast mijn band, recht rijden, kaarsrecht blijven rijden -, dat ze door het Vondelpark is gegaan om zo min mogelijk met autoverkeer geconfronteerd te worden, dat ze het gezien heeft, dat, dat ze heeft willen stoppen, dat ze heeft gedacht dat wat ze ook zou doen, of zeggen, of schreeuwen, of slaan, niet goed zou overkomen, niet goed, zo midden op de dag, zo aangeschoten – wat dan wel weer heel verstandig was. Heel on-dronken -, dat ze is doorgereden, dat ze haar fiets zorgvuldig op slot heeft gezet, dat ze binnen drie fortune cookies van Yin heeft opengebroken en opgegeten – wat dan wel weer heel dronken was, die dingen zijn niet te eten -, dat het derde koekje zei: ‘The cure for grief is motion.’
Ze pakt een hamer. Ze heeft altijd een hekel gehad aan die groene jaren zeventig-tegels. Ze richt op de eerste tegel naast de wasbak, de hamer ketst terug en valt, maar ze wil doorhakken, net zo lang tot ze een gat ziet en naar buiten kan kijken, tot ze kan zien wat ze werkelijk zag: David op het bankje waar zij met hem zat in het blauwe licht, David in de zon, als een negatief van die nacht, David met zijn arm om een vrouw, een vrouw die op haar lijkt, maar ze rookt, ze heeft een vreemde jurk aan, ze is niet dronken, en niet bedrogen.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.