Feuilleton

David zegt het echt: ‘Het is niet wat je denkt.’

Betty zegt niks gemeens. Of gevats. Ze zegt niks.

In een goed vraaggesprek, heeft ze laatst een journalist horen zeggen, gaat het erom wie het langste kan zwijgen.

‘De vrouw die je zag, dat was Saskia.’

Betty zwijgt.

‘Saskia is de moeder van Ruben. Je hebt hem weleens gezien, hij komt soms na een concert in de kleedkamer gedag zeggen.’

‘O, die.’ Aardige jongen. Ze houdt van verlegen pubers, je ziet ze niet meer vaak zo verlegen.

‘Ik geef hem sinds een tijdje pianoles.’

Ruben was in Parijs toen David er was. Er stond een Facebook-commentaar op zijn prikbord.

David zwijgt.

Ho! Het gaat niet om die jongen. Hij verschuift de focus van haar naar hem.

‘En jij omhelst moeders van leerlingen in het Vondelpark.’ De moeder van een leerling, Jezus wat obligaat, alsof je het met de skileraar doet.

David grinnikt. ‘Nee. Niet alle moeders.’

Betty wil slaan.

David houdt op met grinniken. ‘Saskia is een oude vriendin.’

Nou, dat valt dan weer mee. Geen jonge vriendin.

‘Ze is, nou ja, een ex. Van vroeger. Zestien jaar geleden ging het uit.’

Tien jaar voordat wij elkaar ontmoetten.

‘Ik wist eerst niet eens dat Ruben… dat die haar zoon is. We zaten bij te praten, ze heeft het nogal moeilijk gehad. En we zaten in het park omdat… Ik eh…’ Hij schuifelt op zijn stoel. ‘Ik moet je wat bekennen.’

Nu komt het.

‘Ik rook weer.’

Hoe goed ken je iemand na vijfeneenhalf jaar relatie?

Betty schreef er ooit een stuk over voor de lifestylesectie van de krant. De theorie kent ze – en de praktijk inmiddels ook.

Het eerste jaar van elke nieuwe liefde is altijd het meest ongewis.

Eerst is er de roze bril. Dan blijkt de teerbeminde te snurken, in zijn neus te peuteren, zweetvoeten te hebben, zich elke zaterdagavond in jouw lingerie te wurmen of een passie te hebben voor het in welkaar lijmen van een hele Tweede Wereldoorlog aan modelvliegtuigjes. Je besluit dat je daarmee kunt leven, of niet. Of hij ontpopt zich tot een seriemoordenaar die jou tijdens jullie eerste romantische vakantie op het Franse platteland wurgt, in de hakselaar stopt, jouw restanten in de vriezer bewaart en ze zijn argeloze slachtoffer van volgend jaar als galgenmaal te eten geeft.

Als dat laatste je bespaard gebleven is, treedt daarna de vertrouwdheid in. Je noemt elkaar gedachteloos in gezelschap bij koosnaampjes, vindt dezelfde muziek mooi, lacht samen om grapjes die alleen jullie begrijpen. Je houdt rekening met zijn ochtendhumeur. Hij schudt meewarig zijn hoofd als je zegt dat je niks hebt om aan te trekken. Je kent, kortom, elkaars diepste wezen.

Na een aantal jaren (Hoeveel? Zeven? Zes? Vijfeneenhalf?) is daar de sleur. Hij luistert niet meer naar jouw verhalen. Jij merkt dat-ie weer is gaan roken, maar zegt er niets van. Samen naar dvd-series kijken houdt het gedeelde geluk overeind. Sleur? We zijn nog helemaal niet toe aan sleur. Een van de zegeningen van de latrelatie is toch wel de uitgestelde sleur.

Sleur komt ook, als hij komt, met hernieuwd wantrouwen. Jij doft je wel erg op als je gewoon naar je werk gaat, en ontvangt sms’jes die je niet met hem deelt. Hij draagt te hippe jasjes en zegt ineens ‘Chill’ tegen iemand aan de telefoon. Voor hetzelfde geld begint hij na een korte pauze weer met seriemoorden. De man is je, kortom, nog niet van haver tot gort vertrouwd geraakt, of er is alweer reden tot achterdocht. Er is dan wel geen sleur, maar ik vertrouw hem niet. Ken ik Davids diepste wezen? Hoeveel moeite doet hij eigenlijk om mijn diepste wezen te kennen? Ken ik zelf mijn diepste wezen wel, eigenlijk?

Vaak valt deze fase samen met de midlife crisis. Soms niet. Het verschil is moeilijk te detecteren. Geleerden en geliefden tasten in het duister.

Vijfeneenhalf jaar. Een 5,5. Als je het naar boven afrondt, is het voldoende. Hakken over de sloot. Net genoeg gedaan om te slagen, maar ook niets méér. Niet eens een zesje.

‘Oké,’ zegt Betty luchtig. ‘Dus ik hoef me geen zorgen te maken over een nieuwe vriendin.’

‘Nee.’

‘Alleen over een oude vriendin.’

David schudt zijn hoofd. Hij slaat zijn armen om haar heen. Hij zucht. ‘Maak je geen zorgen, liefje. Ik had haar een tijd niet gezien, ze had het moeilijk, ik omhelsde haar, meer niet. Ik heb echt geen verhouding met haar, of zo. Het is wel… nou ja, ze heeft het moeilijk. Maar het is niet wat je denkt. Niet wat je denkt.’

Het is niet wat ik denk. Maar als het niet is wat ik denk, wat is het dan wel?

In haar hoofd doemt het silhouet van een hakselaar op.