Feuilleton

Zo. Alles is weer zoals Betty het graag ziet: onveranderd. Ze houdt kantoor in Davids slaapkamer, ze zit in bed met een laptop op schoot en haar telefoon, de tv-afstandsbediening en de kranten binnen handbereik, en in de woonkamer speelt David piano. Bach, altijd als vast begin van de dag, en straks komt een ingewikkeld modern stuk dat ze niet mooi vindt en waar hij telkens halverwege met een onderdrukte vloek in stokt, want hij repeteert voor een optreden, daarom is zij er, zoals altijd, vlak in zijn buurt om zijn zenuwen te bezweren, en ze weet dat hij het goedmaakt, straks, aan het eind van de dag, door Debussy voor haar te spelen, omdat ze altijd zacht wordt van Debussy, zacht en dromerig, en romantisch, en vergevingsgezind. Zoals altijd. Ze tikt haar wekelijkse ‘Betty Serveert’-culicolumn voor de krant. Ze kijkt tv en verbaast zich over de verbazing over Wilders. Ze stuurt actuele culitweets naar haar volgers, zoals chef-Theo-van-de-krant ze graag leest. (#plofkipontploft, #haagsebluf). Ze belt op zachte toon met haar vriendinnen.

‘Nee, Anna, het was niet wat ik dacht. Bleek gewoon dat-ie weer rookte. Dat-ie daar zo geheimzinnig over deed. Je kent David, die kan zo moeilijk en geremd doen over heel gewone dingen.’

‘Ik hoorde van Floor dat hij met een vrouw op een bankje in het Vondelpark zat te flikflooien,’ zegt Anna.

‘Te roken, niet te flikflooien. Met een ex van lang geleden. Haar zoon heeft pianoles van hem. Niks aan de hand.’

‘Exen kunnen gevaarlijk zijn.’

Heeft ze uit een vrouwenblad: ‘Sex met je ex’. ‘Welnee. De dag dat hij verliefd wordt op de moeder van een puberzoon eet ik mijn staafmixer op. Hij is niet van de kinderen.’

‘Dus jullie hebben het goed uitgepraat?

Anna zegt verstandige zinnen die je in vrouwenbladen leest. Dat je de dingen moet uitpraten. Dat je emoties moet uitspreken. Dat je moet wérken aan een relatie.

‘Emoties moet je uitspreken, Betty, dat weet je toch.’

Maar vrouwenbladen hebben het nooit over David-achtige mannen.

‘Anna, je weet toch hoe hij is. Als ooit het leven van David verfilmd wordt, speelt Colin Firth de hoofdrol. Die krijg ik nooit aan de praat over zijn emoties. Hij implodeert.’ Die onderdrukte schaamte, die smetvrezigheid. Die nachtmerries voor een concert. ‘Als ik niet wist dat hij uit Purmerend kwam, zou ik zweren dat het een Brit was.’

‘Zo’n keurige burger die ineens de moord blijkt te hebben gepleegd in een slaperig dorpje in Midsomer.’

‘Nou ja, je weet toch hoe David is.’

‘Als jij het maar weet.’

Betty voelt zich ineens kregel. Ze hangt op. Ze schuift heen en weer in het bed. Ze zit niet lekker, ze voelt kruimels, van de beschuit die David haar vanmorgen op bed gebracht heeft. Ze stapt uit bed en veegt het laken schoon. Ze gaat weer zitten. Nog steeds prikt er een kruimel in haar billen, maar ze kan hem niet vinden, hij blijft prikken.

Prinses op de erwt.

Na alle strubbelingen lijkt David weer de oude. De man die je kunt uittekenen met een boek op de bank en de televisie uit. Die het liefst derdehands tweedjasjes draagt en nog steeds ergens een oude Remington-typmachine heeft staan, waarop hij ooit liefdesbriefjes aan haar tikte. Die negentiende-eeuwse poëzie leest bij kaarslicht (oké, dat is wat overdreven, en ze heeft het hem ook maar één keer zien doen, toen ze elkaar net kenden, waarschijnlijk een onhandige, Britse poging om indruk te maken).

Maar David is ook méér dan de oude. Hij laat haar cd’tjes draaien die ze niet terug in de hoesjes doet, terwijl hij daar altijd razend over wordt. Hij brengt haar ontbijtjes en klaagt niet eens over de kruimels in het bed, de jam op zijn smetteloze lakens. Ze haalt zijn keuken overhoop als ze langzame kip maakt met veel ingrediënten en ziet hoe zijn kaak verstrakt als hij de ravage ziet, hoe hij zich omdraait en niets zegt. Ze ziet een man met een pose, die zoekt naar een nieuwe pose. De pose van de rokende man, bijvoorbeeld.

‘Ik ga even sigaretten halen, ben zo terug.’

‘Jaja. Wel terugkomen, hè, liefje?’

Het is een grapje, natuurlijk.

De vraag is niet of hij wel terugkomt. De vraag is waarom hij weer rookt.

‘Je weet toch hoe David is.’ Ze zei het twee keer tegen Anna, en weet ineens weer waarom ze een hekel heeft aan die zin. Haar buurvrouw zei dat vroeger altijd, als haar man haar weer eens geslagen had. Vergoelijkend, verzachtend, toedekkend. Harde klappen gesmoord onder zachte kussens van woorden, een hele stapel.

De vraag is: weet ze echt hoe David is?

De vraag is waarom ze nog steeds een erwtje in haar rug voelt.

De bel gaat. Fuck. Moet ik m’n bed uit net als hij tien minuten weg is.

Voor de deur staat een jongen die ze herkent als de verlegen knul die altijd na een concert een handje komt geven. Ruben, weet ze nu, zoon van ex, leerling van David. ‘Dag,’ zegt hij. ‘Is mijn vader niet thuis?’