Feuilleton
De Lente van Vivaldi heeft nog nooit zo mooi geklonken. Diep tevreden laat Betty haar hand rusten op haar Mary Poppins-tas, zoals David hem altijd spottend noemt, het reusachtige ding dat ze altijd met zich meesleept vol spullen voor-het-geval-dat: paspoort, laptop, telefoon, elastiekjes, roman, een dichtbundel, twee notitieboekjes, make-uptasje, talloze pennen, vulpotlood van haar vader, usb-stick met back-up van de laptop (dat moet in een ‘cloud’ tegenwoordig, ze weet het), paraplu, portemonnee, zonnebril, haarborstel, zakmes met nutteloze functies, Chinees rood gevlochten koordje met een belletje (brengt geluk), agenda, en nog tientallen dingen in de composthoop onderin, altijd handig voor-het-geval-dat.
Dat dit, bijvoorbeeld.
Terwijl Ruben er nog was, was er niets gebeurd. Een voorbijganger die naar binnen keek, had gedacht: een doorsnee gezin. Stroeve vader en weerbarstige puberzoon in gesprek, zorgzame moeder opruimend in de slaapkamer.
Na een half uur was Ruben weggegaan. ‘Naar m’n moeder.’
‘Doe haar de groeten,’ had David gezegd. Hij had geglimlacht.
‘Dag,’ had Betty gezegd. Ze had ook geglimlacht.
En toen waren ze met z’n tweeën.
‘Zo,’ had Betty gezegd.
‘Ja,’ zei David.
‘Je bent dus vader.’
‘Ja.’
‘Van een zoon van zestien.’
‘Vijftien. Bijna zestien.’
‘Hoelang wist je dat al?’
‘Al die tijd. Dat wil zeggen, ik wist het, maar ik had hem nooit gezien. Hij heeft me opgezocht, een tijdje geleden.’
‘En het kwam niet in je hoofd op dat ik dat zou moeten weten.’
David had een wegwerpgebaar gemaakt. ‘Nou, moeten, moeten…
Het is natuurlijk in de eerste plaats mijn leven, niet jouw leven.’
‘O,’ had Betty gezegd. Ze had zich omgedraaid, haar jas aangetrokken en haar tas opgepakt.
‘Wat ga je doen?’
‘Sigaretten halen.’
David had verbouwereerd toegekeken hoe ze haar fiets van het slot haalde. Toen ze wegreed, hoorde ze hem zeggen: ‘Maar je rookt helemaal niet!’
Ze was naar het station gefietst. Ze was in de 1e Klas-restauratie gaan zitten en had een glas witte wijn besteld. Ze had zich daadkrachtig gevoeld, ongericht daadkrachtig: ze had geen idee wat ze zou willen doen. Rookte ik maar. En dat het dan de jaren twintig was. Dat ik hier binnen zou roken, zo’n beetje mysterieus Frans, en dan mijn handschoenen zou aantrekken en mijn koffertje in de hand zou nemen en een stoomtrein naar godweetwaar zou pakken. Wat moet ik doen? Wat is juist om te doen? In haar hoofd dook geen antwoord op. Nee. Wat zou ik nu het liefste doen? Dat was de goede vraag geweest. Haar hart had in haar keel geklopt, maar ze had het gedaan. Ze had razendsnel een kaartje geregeld en was naar het perron gehold, waar ze nog net op tijd was ingestapt. Ze had kunnen zweren dat ze een stoomfluit hoorde klinken en stoomwolken het perron op zag stuiven op het moment dat ze vertrok.
Daar zat ze dan, met haar Mary Poppins-tas. Haar hartslag was gedaald. Ze voelde zich vreemd kalm. Ze had haar telefoon niet opgenomen en Davids sms’jes genegeerd (‘Waar blijf je?’ ‘Waar ben je?’ ‘Je bent vanavond toch wel bij het concert? Ik kan niet zonder je’). Er was wifi in de trein, ze boekte een hotel aan de rand van de Marais. Ze was diep tevreden. Dit had ze altijd al een keer willen doen, en het kon gewoon.
Nu zit ze in de zon op een bankje op Place des Vosges en kijkt naar een jonge moeder die geduldig de bal ophaalt die haar kind alle kanten opgooit. Telkens, telkens weer. Een au pair, natuurlijk, een Parijse moeder zou dat geduld niet opbrengen, engelengeduld dat alleen beroepshalve wordt opgebracht. Ze luistert naar een violist die Vivaldi laat weerklinken in de galerijen om het plein heen. Ze bedenkt wat ze allemaal wil gaan zien: Henri Matisse in het Centre Pompidou, Helmut Newton in het Grand Palais, Eugène Atget in Musée Carnavalet, Berthe Morisot in Musée Marmottan, de bootjes in de Jardin du Luxembourg, de kraampjes op de Marché aux Puces bij Porte Clignancourt. Ze voelt zich rijk, ze voelt zich zo uitgestrekt als de stad, vol mogelijkheden. Ik zou zo door kunnen leven, met één tas. Hier blijven, verder gaan.
Ze zou zich treurig moeten voelen, verward, boos. Ik ben gek geworden. Mijn geliefde blijkt een geheime zoon van zestien te hebben, en wat doe ik? Ik ga naar Parijs.Ze grinnikt. Klinkt best goed, eigenlijk.Niemand weet dat ik hier ben. Alleen ik.Ze weet bij god niet hoe dit verder moet, maar nu voelt ze zich licht, zorgeloos en opgelucht.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.