Feuilleton
Betty doet iets wat je in Amsterdam niet kunt doen, maar hier in Parijs wel: flaneren. Op zondag is de weg langs de Seine afgesloten voor autoverkeer en kun je er rolschaatsen, fietsen, slenteren. Haar jurk plakt een beetje aan haar rug, hij is te weinig zomers voor deze plotselinge benauwde warmte, haar tas is eigenlijk te zwaar voor een lichte tred, maar je kunt overal onderweg gaan zitten op een bankje of een muurtje en kijken naar wat er voorbijkomt.
Hoewel Parijs bij uitstek een stad is waar je je in je eentje prettig in kunt bewegen, lijkt het wel of vandaag iedereen in paren of groepjes opereert. Betty ziet au pairs kinderen berispen, moeders kwebbelen met dochters, vaders zwijgen met zonen (David en Ruben. Zouden ze praten of zwijgen?). Ze vraagt zich af of de jonge jongen aan de arm van een oudere vrouw haar zoon is of een gigolo (Ben ik nou stiefmoeder? Een lat-stiefmoeder. Een boze stiefmoeder? Een ex-stiefmoeder, een nooit-geweest-stiefmoeder). Ze kijkt naar stellen, jonge onverschillige en jonge verliefde stellen, oude stellen die elkaar steunen en oude die elkaar vervelen. Iedereen zit aan elkaar vast.
Het hekwerk van de Pont des Arts is behangen met hangslotjes; geliefden hebben er hun namen op geschreven of hun initialen in gekerfd, ze aan de brug geklonken en de sleutels in de Seine gegooid. Een nieuwe traditie, nu er zo weinig bomen en zoveel hufterproof bankjes in de stad zijn. Ze heeft gelezen dat af en toe in één nacht alle slotjes van de brug verdwijnen, de gemeente vernieuwt het hekwerk.
Misschien stort de brug onder het gewicht van te veel liefde in.
Een groepje meisjestoeristen neemt eindeloos foto’s van elkaar. Ze gillen hoge popster-fan-gilletjes en bevriezen in Hollywoodposes. Bij thuiskomst hebben ze een toestel vol met dezelfde foto’s, alleen de achtergrond verschilt (Eiffeltoren, Centre Pompidou, Moulin Rouge, Chanel-winkel, McDonalds) en ook de meisjes onderling zijn nauwelijks uit elkaar te houden. Het lange haar, de haltertopjes die hun smalle schouders ongenaakbaar bloot laten, de skinny jeans, de donkere zonnebril. Ze lachen dezelfde tijdschriftencoverlach en plagen elkaar op dezelfde manier. Betty ziet het meisje dat er niet bijhoort. Ze is er altijd bij, bij groepen meisjes, het meisje dat verwoed probeert mee te doen maar het net niet redt: niet de goede spijkerbroek, te veel een observator, te onzeker, niet vals genoeg.
Het meisje dat zich aan de anderen vast wil klinken en de sleutel weggooien, die nooit ruzie zal maken, omdat ze denkt dat ze zich dat niet kan permitteren – de anderen zullen haar verscheuren.
Het was niet de gemeente. Het waren de uitgebluste ex-geliefden, ze zaagden ’s nachts stiekem de slotjes door en wierpen ze in de Seine.
Ze koopt ansichtkaarten met foto’s in sepiatinten, die met straten zonder auto’s en met lachende vrouwen in charlestonjurken, een voor Anna en een voor Floor. ‘Plotseling verdwaald in een Woody Allen-film. Weet niet of ik nog terugkom,’ schrijft Betty op beide kaarten. Ze koopt er nog twee, met tekeningen van kinderen verkleed als kunstenaar, met een palet, een baret, een lief meisje ernaast en een zwerfkat aan de voeten. Ze adresseert er een aan haar moeder en een aan David. Ze weet niet wat ze erop moet schrijven. Ze schrijft: ‘Groeten uit Parijs. Betty.’ Ze koopt drie postzegels. Davids kaart wil ze in de Seine gooien, vanaf de Pont des Arts.
Een gebaar dat grootser, dramatischer was toen ze het bedacht dan wanneer ze het uiteindelijk besmuikt wil doen. Je gooit geen dingen in de Seine. Ja, sleutels. Ze stopt de kaart in haar tas. Ze kan nu niets besluiten.
Wat ik nodig heb, is een plan, denkt Betty. Plannen kunnen je leven redden. Ze ordenen de ruimte in je hoofd en om je heen, zoals de plattegrond van het Louvre, of maken je er bewust van, zoals de beelden van Rodin. Maar verder dan het plan om een plan te maken komt ze ook niet. Plannen maken vereist daadkracht, en ze heeft al haar daadkracht in één keer opgebruikt toen ze impulsief op de trein naar Parijs stapte. Ze moet bijtanken, ze is een raket die bij de lancering te veel brandstof heeft verbruikt en nu doelloos in de ruimte zweeft, op zoek naar een pompstation. En dus kan ze niet anders dan zich zonder plan, bandeloos en grenzeloos, op de kunst in Parijs storten – als een junk in een stad vol dealers.
Die avond valt ze in slaap met op haar netvlies de wrede, wrekende vrouwen van de zeventiende-eeuwse schilderes Artemisia Gentileschi, die ooit verkracht werd en daarna prachtig bloederige schilderijen maakte van sterke vrouwen die mannen onthoofden: Judith en Holofernes, Salomé en Johannes de Doper.
Een vrouw met een plan.
’s Nachts zwemt Betty in de Seine. Ze moet duiken, blijven duiken naar de berg sleutels die op de bodem ligt. Ergens ligt die ene te wachten op haar, ze moet hem vinden voor ze zo veel vinnen krijgt dat ze zeemeermin geworden is en niet meer op de wal kan komen, zodat ze eeuwig in het water zal moeten zoeken en hier nooit meer weg kan.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.