Feuilleton

Betty kijkt uit het raam. Alles wordt plat. En oranje.

Het is allemaal de schuld van haar mobiele telefoon.

Vroeger ging je naar het buitenland en belde je eens in de veertien dagen naar huis. Nu zijn er de onafgebroken tweets, mails, telefoontjes. Hoe draadlozer, hoe meer lijntjes naar huis.

Eerst was er Theo. ‘Je twittert niet meer! Dat gaat zo niet langer! Zelfs de kat van Karl Lagerfeld twittert. Check @ChoupettesDiary,’ sms’te hij gisteren. Aldus de chef kunst, cultuur en lifestyle van de kwaliteitskrant, dacht Betty laconiek, en kroop eens vroeg in haar

Parijse hotelbedje. Rond middernacht ging haar telefoon. ‘Haaaai, met Theo. Je sliep toch nog niet?’

‘Eh…’

‘Zeg, die tweet over die smerige macarons vorige week was natuurlijk briljant. Lekker dwars. En je artikelen over 48 uur culi-Parijs en 24-uurs kunstmarathon ook. Maarreh… Echt grote stukken voor de krant zitten er natuurlijk verder alleen maar in als je expliciet aan je Nigella-image gaat werken. Of hoe heet ze, die… Dinges, Meryl Streep, jeweetwel. Als je nog meer over kunst gaat schrijven, krijg ik natuurlijk ruzie met de vaste correspondent.’

Natuurlijk? ‘Natuurlijk, Theo.’

‘Kun je niet naar een kookschool of zo? Of een geile Franse chef aan de haak slaan?’ Theo gniffelt. Als een overspannen varken. ‘O nee, je hebt natuurlijk je geile vingervlugge pianist bij je.’

O god. Die zit daar met een fles whisky en z’n gulp open. ‘Theo. Het is middernacht. Waarom bel je?’

‘Nou ja, in elk geval om te zeggen dat je je onkosten natuurlijk niet meer kan declareren. Alles is nu voor eigen rekening, schatje.’

Ik ben je schatje niet. ‘Natuurlijk. Nou, dag.’

‘Bonne nuit, ma chérie.’

Hu. Betty verbrak de verbinding, opgelucht. Toch voelde ze zich nu pas echt beroerd. Even was ze niet alleen geweest. Ze miste Theo. Ze miste haar boekenkast, haar uitzicht op het Amsterdamse plein dat zelfs mooi is als het regent, haar fiets, haar fornuis, haar bed, haar geheime voorraad Saroma. David.

Ze sloot haar ogen en deed of hij het was, haar vingervlugge pianist.

‘Betty, luister.’ Dat was Anna, de volgende ochtend aan de telefoon. Betty stond voor het raam te gluren naar het appartement tegenover haar hotelkamer, waar een jong stel met grote gebaren ruzie maakte. Franse dramatiek. Een ouderwetse stomme film, ontbijtvoorstelling.

‘Je bent niet zomaar voor de lol naar Parijs vertrokken, hè?’

Wat weet ze? ‘David belde me. Waar je zit. Hij is ongerust.’

‘Over mij? Of over zichzelf?’ De jongen stond roerloos voor het raam.

Het meisje beukte met haar vuisten op zijn rug.

‘Luister. Ik weet wat er aan de hand is. Hij heeft een zoon. Hij heeft dat niet aan jou verteld. Dat is heel erg, misschien wel onvergeeflijk. Je moet terugkomen.’

Het meisje gooide een vaas door de kamer, die in Betty’s hoofd uiteenspatte. ‘Die laatste zin snap ik niet helemaal.’

‘Weet je nog dat we Drie zusters speelden bij het studententoneel?’

Lang geleden. We worden oud. ‘Ja?’

‘Naar Moskou. Ze wilden de hele tijd naar Moskou, die zusters. En de clou was…’

‘Ze gingen niet.’

‘Precies. Hun leven was daar, niet in Moskou.’

De jongen draaide zich half om en schreeuwde geluidloze verwijten. ‘Ja?’

‘Parijs is jouw Moskou, Betty. Je had helemaal niet moeten gaan.’

‘Nou, ik heb er een heleboel gedaan. Ik heb stukken geschreven. En nagedacht.’

‘En wat heb je bedacht?’

‘Eh…’ Het meisje rende de kamer uit.’

Als je de bus naar Surhuisterveen had genomen om daar na te denken, was je allang terug geweest. Nu ben je naar Parijs gegaan en hebt ongetwijfeld lekker gegeten en veel mooie kunst gezien en nog meer gegeten en nog meer kunst gezien, maar je hebt je struisvogelkop weer in het zand gestoken.’

Het meisje liep beneden de voordeur uit en stak een paraplu op. De jongen keek stuurs naar buiten. Betty haat het als Anna weer eens gelijk heeft.

Alles wordt plat. En oranje. Nog een uur en ze is in Amsterdam.

En weer gaat haar telefoon. David. In een opwelling neemt ze op. Ze hoort hem schrikken, ze heeft al die tijd niet opgenomen, hij had iets willen inspreken, of zelfs dat niet eens.

‘Dag,’ zegt ze.

‘Waar ben je?’ vraagt hij.

‘In de trein,’ zegt ze.

‘Ik mis je,’ zegt hij.

‘O,’ zegt ze. Ze kijkt uit het raam. Ze hangt op. Ze is bang voor de rest – hoe het zal aflopen.