Feuilleton

Natuurlijk is haar fiets gestolen. Wat dacht ik dan, dat ik straffeloos halsoverkop naar Parijs kon gaan en alles hier maar op me wacht? Betty koopt een nieuwe oude fiets bij de fietsenmaker, die net alle oranje vlaggetjes uit zijn etalage verwijdert. Dit wordt een zomer waarin je dingen verliest, weet Betty, dingen waarvan je dacht dat ze van jou waren. In de supermarkt is ze vergeten wat ze zou kopen: klein geheugenverlies. Als ze thuiskomt, weet ze het weer: rijst, pasta, bloem, hagelslag. Alles waar de muizen doorheen hebben gegeten. Ze hebben in haar afwezigheid kleine hapjes van alles genomen, alsof ze bang waren dat ze het anders zou merken. Zoals zij vroeger maar één koekje per week uit de koektrommel durfde te stelen. Alles wordt een beetje minder zonder dat je er erg in hebt. Ze gooit de aangeknaagde verpakkingen weg. Een kat zou helpen. Ze had er graag een gehad, maar David is allergisch, daarom heeft ze er nooit een in huis gehaald. Ik zou nu een kat kunnen nemen.

De televisie is veranderd: nieuws wordt gebracht met loze gebaren en zinloos lopende presentatoren, en de omroepen grossieren in popperige Engelse of naargeestige Scan­di­na­vische dorpjes waar men een bovenmodale neiging heeft om naasten met een bot voorwerp van achteren de hersens in te slaan. Ze kijkt er graag naar, ze ontwikkelt een voorliefde voor het botte voorwerp, ze wacht erop, ze juicht zachtjes ‘Bingo’ op de bank als de term ‘blunt object’ weer valt. Ze probeert zich voor te stellen hoe haar eigen leven verdergaat. Ingrediën­ten: de geliefde met een zojuist aan het licht gebrachte geheime zoon. De geheime zoon. De naar Parijs gevluchte en weer teruggekeerde vrouw. De moeder van de zoon. De gelukkige extended family. Of nee: de naar Parijs gevluchte en teruggekeerde vrouw wordt boze stiefmoeder. Nee: de geliefde in bed wordt betrapt met de moeder van zijn nieuwe hervonden zoon. Nee: de naar Parijs gevluchte en teruggekeerde vrouw zet een punt achter de relatie met de geliefde met de zojuist aan het licht gebrachte geheime zoon. Met of zonder hulp van een bot voorwerp.

Op maandagochtend ligt er een brief op haar mat. Duur postpapier, adres in precieus handschrift.

Ze keert haar tas om. Ze is de kaart aan David kwijt, die ze in Parijs niet verstuurd heeft of in de Seine geworpen, maar bij zich gehouden om later over te beslissen. Ze is opgelucht. Over iets dat je verliest, hoef je niet meer te beslissen. Ze legt de brief op tafel en trekt haar jas aan.

Marina Abramovic eet een ui. Een grote ui, met schil en al, ze bijt erin als in een sappige appel. Ze eet ‘m helemaal op terwijl de tranen haar in de ogen springen. Het duurt een half uur. Betty bekijkt in de hal van het Muziekgebouw aan het IJ de video’s van de performance kunstenares. Marina die schreeuwt. Marina die haar haar borstelt. Marina met een overvol pannetje melk in haar trillende handen. ‘Schrijf jij daar nou eens een leuk, enthousiasmerend stukje over voor de krant,’ heeft Theo gevraagd.

‘Mooi. Ontroerend. Verontrustend,’ schrijft Betty in haar blocnote, en streept ‘verontrustend’ weer door. Mooi zijn ze, maar ze prefereert de performances waarin er voor Abramovic meer te verliezen was – haar leven, lichaam, verstand. Thuis vindt ze op YouTube de video waarop zij een boog vastheeft en haar partner Ulay tegenover haar die boog spant, met een pijl die hij op haar hart richt. Ze leunen allebei achterover en vier minuten lang blijven ze in evenwicht staan. Eén verkeerde beweging van hem en de pijl zal haar hart doorboren.

Vóór David ging Betty uit met een jongen die e-mails stuurde, zonder aanhef, met veel spelfouten en uitroeptekens, altijd eindigend met ‘CU’ en een wild knipperende smiley. Ze had het aandoenlijk gevonden, en na een paar weken ergerlijk, en toen had ze het uitgemaakt. ‘Vanwege de smileys,’ had ze gezegd, en hij had het niet begrepen, en zij eigenlijk ook niet. Nu heeft ze een geliefde die romantische brieven stuurt, op ivoorkleurig papier, in schoonschrift, met ‘Mijn liefste Betty’ als aanhef en ondertekend met ‘Duizend kussen’. Ze bewaart ze met een rood lint eromheen, zoals in de films.

Betty opent de envelop.

‘Betty,’ luidt de aanhef. Daaronder zinnen in dat fraaie handschrift, inspringend bij elke alinea, keurig in het gelid, geen doorhalingen. Betty’s ogen vliegen over het papier, ze leest flarden. ‘Jouw “snoepreisje” dwingt me mijn gedrag van de laatste tijd te verklaren…’ Snoep­reisje? ‘…Ik had in gedachten dat op het moment dat ik je zou inlichten over mijn zoon ik gaandeweg een bescheiden vaderrol zou kunnen vervullen en jou als mijn partner erbij zou betrekken…’ Part­ner? Zijn we in zaken?. ‘…Dat jij van de situatie wegvlucht is treurigmakend…’ Wie houdt hier jaren een zoon geheim? ‘…Ik zou het op prijs stellen als je contact met me opneemt. Maar blijf vooral weg, als je dat prettig vindt. Ik wacht af. David.’ Een smiley. Geef me een smiley.

Betty denkt aan Marina Abramovic die achteroverleunt, terwijl haar geliefde achteroverleunt en een pijl op haar hart richt. Ze denkt: Het is tijd om iets te verliezen. Ze denkt aan de muizen die knagen aan haar voorraad. Alles wordt een beetje minder zonder dat je er erg in hebt, en op een dag kijk je naar je leven en je herkent het niet meer.