Feuilleton

Floor gooit de brief op haar Piet Hein Eek-tafel. ‘Nou,’ zegt ze. ‘Duidelijk. Dumpen, die man.’

‘O,’ zegt Betty sullig. Had ik dat wel mogen doen? Zomaar

Davids brief aan vriendinnen laten lezen? ‘Misschien is hij gewoon te formeel in een brief en kunnen jullie beter praten,’ zegt Anna.

‘Nee, hij schrijft altijd enorm gepassioneerde liefdesbrieven.’

‘Schreef,’ zegt Floor. Ze pakt de brief weer op. ‘”Jou als mijn partner…”, “Ik zou het op prijs stellen als je contact met me opneemt…”, “Blijf vooral weg als je dat prettig vindt…” Lekker veel passie, zeg.’

‘Arme David,’ zucht Anna.

‘Arme David?’ Betty en Floor schieten overeind.

‘Ja, hij moet zo’n beetje in shock zijn: alsof-ie in een soap zit, duikt er een zoon van hem op en jij verdwijnt met de trein naar Parijs.’

‘Maar hij wist dat hij een zoon had, en hij zei niks tegen mij!’

‘Misschien durfde hij niet. Daar moet je dus over práten,’ zegt Anna.

Ook waar. Ik zou David moeten bijstaan in zijn verwarring. Ik zou stiefmoeder kunnen worden. We zouden een gezin kunnen zijn.

‘Waarom hou je van hem?’ vraagt Floor.

‘We respecteren elkaar. We zijn allebei graag alleen, op z’n tijd.’ Hm.

Is dat nou het eerste wat in mijn hoofd opkomt?

‘Nou, dan is het nog maar een kleine stap om elkaar voorgoed alleen te laten,’ zegt Floor.

‘We delen dezelfde interesses.’ Mager. ‘Kunst. Muziek.’ Hm. ‘Hij voelt vertrouwd.’

‘Mijn ouwe bank voelt ook vertrouwd, maar daar hoef ik nog geen relatie mee. Betty, waar is de passie?’

‘Ik heb een passie voor chocola. Daar hoef ik ook geen relatie mee.’

Floor schudt haar hoofd. ‘Cees en ik zijn ook uit elkaar gegaan toen we zagen dat de passie van honderd naar tachtig procent was gezakt.’

Hoe meet je dat? ‘David heeft me nodig. Ik ben er voor hem, hij kan niet optreden als ik er niet bij ben.’

‘Oké. Maar wanneer is hij er voor jou?’ Floor raakt op dreef. ‘Als je griep hebt, ga je naar huis want hij zorgt niet voor je. Als je zonder geld zit, mag hij het niet weten. What’s in it for you?’

‘Die vraag hoor je niet te stellen in de liefde.’

‘Tuurlijk wel. Liefde is economie.’

Betty denkt ineens aan de vraag die de man met het zwarte manchester communistenjasje haar stelde, lang geleden: ‘Is hij wel solidair met jou?’ Solidariteit, gaat dat ook over economie? Of juist niet?

‘Dump David,’ zegt Floor.

‘Praat met hem,’ zegt Anna.

‘Oké, even dan,’ zegt Floor. ‘Maar daarna meteen dumpen.’

Anna doet haar mond open om iets te zeggen, maar Betty’s telefoon gaat. Theo. Wat nu weer. Culicolumn niet hip genoeg? Niet genoeg getwitterd?

‘Betty, schat, luister. Ik zit hier met een oud studievriendje van me, en die zit in de televisie…’

Vroeger dacht Betty echt dat er een mannetje in de televisie zat. Ze ziet het studievriendje zitten. Hij lijkt op Martin Brozius.’… en die komt met een geweldig idee: als jij nou eens een tv-kookprogramma gaat doen. Ik heb gezegd dat er een Nigella in je zit.’

‘Theo, er zit geen Nigella in mij, er zit een dunne vrouw in mij.’

‘Woehahaha!’ Martin Brozius. Theo heeft z’n telefoon op de speaker.

‘Luister, schat. We komen zaterdag bij jou thuis eten. Kan Herman hier kennismaken met jou en je sublieme kookkunst.’

‘Geen goed idee. Mijn voorraadkast zit vol pakjes Saroma.’

‘Woehahaha!’

Ze moesten eens weten. ‘En Theo? What’s in it for me?’

‘Woehahaha!’

Crisis in de economie, crisis in de liefde, denkt Betty terwijl ze in de lichte zomeravond naar huis loopt. Ze neemt de route die langs Davids woonboot voert. Ze gaat er niet naar binnen, ze zal hem wel eerst een briefje schrijven of bellen, hij houdt niet van onverwacht bezoek. Hij is trouwens niet eens thuis. Er ligt een oranje vlaggetje in de vensterbank, net zo’n vreemd ding als het te hippe trainingsjasje dat hij een tijdje geleden ineens had. Maar nu kan ze het plaatsen; hij heeft een zoon, er moet een band gesmeed, een kind vergt offers, aan smaak, aan gewoonten. Meer offers dan een geliefde.

Plotseling betrekt de lucht. Binnen een minuut barst er een van die zondvloedachtige hoosbuien van de laatste dagen los. Een teken, denkt Betty, al weet ze niet waarvoor. Ze heeft haar paraplu bij Floor laten liggen. Ze heeft een sleutel van de woonboot, ze zou naar binnen kunnen gaan om te schuilen, maar het staat haar tegen, het is andermans huis, ze heeft er niks te zoeken. Nothing in it for me.

‘Zeg, je springt toch niet in de Amstel, hè?’

Betty schrikt zich een hoedje. Achter haar staat de man met het communistenjasje. Waar komt die nou vandaan? Hij houdt bezorgd een opengeslagen zomernummer van Vrij Nederland boven haar hoofd. ‘Kom,’ zegt hij. ‘We gaan even schuilen bij dat café daar. ‘