Feuilleton
Jonge sla, denkt Betty. Dat zou ik moeten serveren. Ze staat in de keuken. Op de radio vraagt een presentatrice aan een gast: ‘Van wie was u, van Komrij of Kopland?’ Het lijkt verdomme wel oorlog. Betty tracht zich de tekst van ‘Jonge sla’ te herinneren, ooit op school uit het hoofd geleerd. Maar het is te lang geleden. Het lukt nog wel met die andere Kopland-evergreen, die ze mooier vindt: Ga nu maar liggen liefste in de tuin, / de lege plekken in het hoge gras, ik heb / altijd gewild dat ik dat was, een lege / plek voor iemand, om te blijven.
Maar al snel verdrijft een andere gedachte die aan de dode dichters: Hoe krijgt Nigella toch die perfecte grillruitjes op haar aubergineplakken? Voor de derde keer schraapt ze de verkoolde resten uit haar grillpan. Elke plak wordt of een droge schoenzool met rare strepen, of een pruttig kliekje dat zich hardnekkig met alle moleculen aan de hete pan vastzuigt. Het kan gewoon niet dat een normaal mens zoiets produceert als op de foto. Ze heeft trouwens nog nooit een plak aubergine tot iets toonbaars weten te grillen, als ze erover nadenkt. Wat ze misschien ook beter eerst had kunnen doen, nadenken. Over een uur staan Theo-van-de-krant en z’n tv-vriendje voor de deur; ze verwachten een domestic goddess die een perfecte maaltijd op tafel zet en solliciteert naar een eigen kookprogramma.
Als het eten nou gewoon mislukt, dan hoef ik niet.
Betty schrikt van haar eigen gedachte. Wat wil ik eigenlijk zelf?
De vraag is een echo van het gesprek twee dagen geleden. Toen de man met het manchester communistenjasje haar uit de regen had gevist en in een café achter een biertje had geplant, had hij haar vriendelijk aangekeken en gezegd: ‘Zo. Ben je alweer een beetje gelukkig met die David met wie je toen ruzie had?’
Verkeerde vraag.
Voor ze het wist, had ze haar hele hebben en houwen weer op tafel gegooid. Net als de vorige keer, maanden geleden. En weer had hij weinig gezegd, maar wel de goede verkeerde vragen gesteld.
‘Je hebt hem dus al een tijd niet gezien. Mis je hem?’ Eh.
‘Je dobbert een beetje, hè? Het lijkt of je alleen maar wegvlucht, of doet wat anderen van je verwachten. Wat wil je eigenlijk zelf?’
Hij had, net als de vorige keer, al weer weg gemoeten voor ze het wist.
En net als de vorige keer had ze vergeten te vragen hoe hij heette.
Wat wil ik zelf?
De vierde lichting aubergineplakken begint inmiddels zwarte rookwolken te produceren. Zo is het genoeg. Betty kijkt op de klok. Ze heeft nog drie kwartier. Ruim de tijd om voor het voorgerecht bij de topslager een paar plakken uitstekende paté af te laten snijden.
‘Zo, Nigella, eten laten aanbranden?’ Theo komt snuivend binnen.
‘Nee, Theo. Er was brand bij de buren. Je had hier bijna niet meer kunnen zitten, vanavond.’
‘Woehahaha!’ Tv-man Herman vult de kamer met zijn buik en zijn aftershave. Hij veegt zijn voorhoofd af met zijn pochet.
Gelukkig is er eten. En drank. Herman schuift als een bulldozer alles naar binnen wat Betty hem voorzet en zegt weinig.
Bij de koffie met het derde cognacje komt Theo ter zake. ‘Luister, schat, ik had dus zo gedacht: we moeten het merk Betty versterken door je kookcolumn in de krant uit te breiden met een tv-programma.
En nou kwam ik Herman hier tegen, vriendje van vroeger…’
‘Jahaa, dat waren tijden, Theo, dat waren tijden.’
Nou niet gaan vertellen wat voor tijden dat waren, alsjeblieft.’… en Herman is tv-producent, en die ziet het wel voor zich, toch?’
Herman staart naar Betty’s benen. ‘Jaaah. Jij bent authentiek, dat zie ik zo, alles aan jou is authentiek…’ Zijn blik klimt in haar decolleté.
Geërgerd trekt Betty haar vestje dicht. ‘O ja?’ zegt ze uitdagend. ‘Ik heb anders wel heel authentiek het voorgerecht laten aanbranden.’
‘Dus die paté…’ zegt Herman.
‘Van de slager in de Utrechtsestraat. Augurkje ernaast, klaar.’
‘En de rest…’ zegt Theo.
‘Heb ik wel zelf gemaakt. Nou ja, die kip heb ik volgestopt met peterselie, een citroen en een heleboel knoflook, dat kun je nauwelijks koken noemen. En die mayonaise was niet zelfgemaakt, die is veel lekkerder uit een potje.’ Zo. Dat wordt gelukkig niks met mij en de tv.
De mannen zijn even stil. Ze kijken elkaar aan.
Dan breekt er een grijns door op Theo’s gezicht. ‘Geniaal,’ zegt hij.
‘Topconcept!’ juicht Herman. ‘Betty reddert. Nee. Betty bluft. Eindelijk laten we zien hoe het er echt aan toegaat in de keuken! Authentiek!’
‘O… ké…’ stamelt Betty.
De manchester man heeft gelijk, denkt ze als ze de mannen de deur heeft uitgewerkt, ik wil nooit zelf iets, ik laat me altijd maar een beetje sturen door anderen. Als een vrouw in een sprookje.
Het is laat, maar het kan nog. Ze pakt de telefoon en belt David.
‘We moeten praten,’ zegt ze. ‘Morgen.’
‘Morgen komt niet goed uit. Schikt overmorgen kwart over twee?’
Ze wil hem slaan. Ze zegt ja. Een lege plek voor iemand, om te blijven.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.