Feuilleton
David staat op het dek van zijn woonboot. Hij rookt. Hij koestert zijn gezicht in de zon. Hij waant zich onbespied. Onbespied door haar, niet door de rest van de wereld. Anders zou hij daar niet zo Humphrey Bogart-achtig die sigaret tussen zijn vingers houden, denkt Betty, niet zo overdreven langzaam de rook uitblazen.
Het is de oude David: de man in control. En toch ook weer niet.
Sinds ze doodleuk de deur uitliep toen zijn verzwegen puberzoon als een soap-cliffhanger zijn huis was komen binnenlopen, zijn er ruim twee maanden verstreken. Eigenlijk, ziet Betty, is hij een beetje op z’n zoon gaan lijken. Zijn haar is langer, hij strijkt zelfs net zo achteloos een lok uit zijn gezicht, nu. Hij lijkt jonger. En vooral: er zit iets waarachtigs in zijn relaxte pose, iets werkelijk zorgeloos.
Zijn mobiel gaat. Hij neemt ‘m op, begint te praten, lacht hardop.
Nou ja! Betty hipt van haar ene been op haar andere. Daar staat ze, verdekt opgesteld, met haar fiets in de hand, ze doet alsof ze per ongeluk langs Davids woonboot rijdt maar het was een omweg, en nu ziet ze een ontspannen man met niets belangrijks omhanden, en ze is boos omdat hij heeft gezegd dat hij vandaag geen tijd voor haar zou hebben, morgen pas, morgen om kwart over twee, kwart over twee, godbetert, als een drukbezette huisarts die er – vooruit! – wel een kort consult tussen kan frutsen, en hij is relaxed, op z’n gemak, losjes, zelfs, en ze wil niet dat hij lacht, ze wil dat hij gespannen is, net als zij, ze wil dat hij zich pas ontspant in haar bijzijn, alsof het door haar komt. Hij staat daar alsof hij haar niet nodig heeft.
Zal ik… nee. Betty keert om. Morgen komt ze, om kwart over twee.
Ze heeft nu trouwens de verkeerde jurk aan.
Wie wil ik zijn vandaag? Betty staat voor haar kledingkast. Elke jurk is een andere vrouw.
De jurk die ze droeg toen hij haar ontmoette? Te opgelegd, en te warm. Die blauwe? Te onschuldig. De grijze? Te geraffineerd. Ze voelt zich Meryl Streep voor haar eerste afspraakje met Robert De Niro in Falling in Love, rukkend aan schoudervullingen en ceintuurs, worstelend met de juiste gezichtsuitdrukking bij elke outfit, met het doen alsof ze zomaar iets uit de kast getrokken heeft.
M’n haar, er is iets met m’n haar. Moet ik het opsteken? Doe ik anders nooit.
Telefoon. ‘Theo! Het komt niet zo goed uit, nu, ik…’
‘Schat, het gaat geweldig met de plannen voor je tv-kookprogramma. Herman heeft al een sponsor. Heb je tijd voor een screentest?’ Ik kan zeggen: straks om kwart over twee, en David afbellen. ‘Eh, ik heb geen tijd nu, Theo, ik moet…’
Rode jurk? Te vampig, te agressief. Hoewel. Handig juist, misschien.
‘We kunnen helaas niet filmen in jouw eigen keuken, schat, die is te klein. We gaan ‘m nabouwen in de studio, doen ze ook met Nigella’s keuken, we doen gewoon alsof het authentiek is. O, enne… Je moet misschien iets aan je haar doen.’
‘Hoezo? Ik heb juist heel authentiek haar.’
Ze verlaat het huis in de jurk van gisteren. Een schaap in wolfskleren.
Losjes is niet het woord dat in haar hoofd schiet als ze David ziet: Humphrey Bogart is verdwenen, Colin Firth is terug. Betty en hij kennen elkaar bijna zes jaar, nu. Hij doet alsof hij haar een half uur geleden voor het eerst heeft ontmoet.
‘Thee?’
‘Lekker.’ Hij zegt nog net niet: ‘Kon je het gemakkelijk vinden?’
‘Koekje?’ Teken van verzoening.
Ze bijten in hun koekjes als in zure appelen. Ze zijn geen praters, allebei niet. Maar ze begrijpen dat het moet.
Hij zegt dingen als: ‘Je hebt toch je eigen leven?’
En: ‘Dit was mijn leven. Mijn geheim.’
Zij zegt dingen als: ‘Je hebt gelogen.’ En: ‘Ik ben meer dan een figurant in jouw leven.’
Hij zegt: ‘Probeer je eens voor te stellen hoe het voor mij is.’
Zij denkt: Hij probeert zich nooit voor te stellen hoe het voor mij is.
Hij zegt: ‘Je zou een leuke boze stiefmoeder zijn.’
Zij wil niet lachen.
Hij zegt: ‘Ik kon het niet aan, een kind, toen. Nu wel. Ik word er misschien wel een leukere man van. Dat komt ook door jou. Ik kan alles sowieso beter aan, door jou.’
Zij voelt zich gevleid, verdomme.
Hij zegt: ‘Er wacht me iets nieuws in de tweede helft van mijn leven.’
Zij denkt: Ik dacht dat zijn leven uitgestrekt voor hem lag, maar ineens zijn er twee helften, en er wacht ook nog eens iets, daar.
Iemand zegt: ‘Als je eenmaal een weg bent ingeslagen, is het makkelijker om door te gaan dan om toe te geven dat je een foute keuze maakte.’
Zij denkt: Wie zei dat nou net? Hij of ik?
Hij zegt: ‘Misschien moeten we in relatietherapie.’
Zij zegt: ‘Nèh. Mensen met een relatie gaan in relatietherapie.
Wij hebben niet genoeg relatie voor relatietherapie.’
Hij zegt: ‘Wil je met me trouwen, dan?’
Zij zegt: ‘Wat?’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.