Feuilleton

Boenk-boenk-boenk, hoort Betty.

Ai, m’n hoofd.

Dichtbij haar oor nu: het geluid van zacht klotsend water. Een vertrouwd geluid.

O god, ik ben blijven slapen.

Het boenk-boenk-boenk komt uit de verte, uit het centrum van de stad, de voorbode van de Gay Pride vanmiddag. Het water klotst onder het slaapkamerraam van Davids woonboot. Als Betty zich probeert om te draaien, protesteren haar spieren.

Drank. Seks. Was er. Hadden we. Deden we. Hebben we gedaan.

Ze doet haar ogen open. Naast het bed ligt een krant open bij het artikel waar David gisteravond laat gebleven was voordat ze bij hem op de stoep stond: ‘De vrouwen verdrinken eerst. Bij scheepsrampen is het: ieder voor zich. En dan winnen de mannen.’

In een plotselinge vlaag van daadkracht was Betty naar David gefietst met het vage idee eens wat knopen door te hakken. Fout, natuurlijk, om daar een vaag idee over te hebben. Als het scheef zit tussen twee geliefden, en de ene geliefde vraagt out of the blue de andere ten huwelijk nadat hij eerst een relatie lang een zoon heeft verzwegen, dan werkt alleen een vastomlijnd plan.

Ze was wel goed begonnen: ‘Meende je dat nou, van dat trouwen?’

‘Jazeker.’ Zelfverzekerde blik.

‘Hoe had je je dat eigenlijk voorgesteld? Dat ik hier kom wonen?’

David had geaarzeld. ‘Nou, je kunt tegenwoordig heel goed getrouwd zijn en toch in twee verschillende huizen wonen.’

‘O?’ Ja. Tuurlijk. Wat dacht ik dan?

‘We kunnen toch doorgaan zoals vroeger? Ieder voor zich?’

‘En blijven liegen?’

‘Ik heb nooit tegen je gelogen. Ik heb iets niet verteld.’

Op dat moment had ze de deur uit moeten lopen.

Maar toen had hij gezegd: ‘Het is toch ook leuk? Alsnog een kind in je leven? Ik ben het vaderschap aan het ontdekken, jij zou een geweldige moeder voor Ruben zijn. Dat zie ik helemaal voor me.’

En ineens had zij het ook gezien, niets liever dan dat: het beeld van de smetteloze Blue Band-vader, de glamoureuze Mad Men-moeder, het brave jarenvijftigkind, met verwachtingsvolle blik op de horizon, als een sociaal-realistische poster. Een moment leek het voor het grijpen. David had het in haar ogen gezien. Hij had nog een glas wijn ingeschonken, en hij had haar gekust. Zij had ineens dat fysieke gemis gevoeld en ze had zich als een Bouquetreeks­-deer­ne overgegeven aan dat beeld, die kus, die omarming, de seks en het idee dat alles bij het oude zou blijven, maar dan geheel vernieuwd, beter, mooier, glanzender.

Nu, terwijl ze klaarwakker is en de lucht tussen twee buien door weer even opklaart, ziet ze pas hoe onzinnig dat was. Ruben is bijna zestien, hij heeft al een moeder en hij heeft zeker geen behoefte aan nog een moeder – hoogstens een stiefmoeder om zich eens lekker tegen af te zetten.

Ze stapt uit bed en kleedt zich aan. David wordt wakker. Hij lacht.

Hij denkt dat we elkaar gaan redden. ‘Ik ga,’ zegt ze, en stapt de deur uit.

Als ze twintig meter gefietst heeft, komt er een auto stapvoets naast haar rijden. Achter het stuur zit een vrouw die op haar lijkt, maar dan met ander haar.

Saskia. De ex. De moeder. Heeft ze hier nou staan wachten?

‘Hé,’ zegt ze. ‘Betty, toch? Volgens mij moeten wij even koffiedrinken.’

Kutzwagers, heet het. Mannen die met dezelfde vrouw hebben geneukt. Er is geen vrouwelijk woord voor, maar in de werkelijkheid zitten ze toch maar mooi tegenover elkaar, de twee vrouwen die David gemeen hebben. Betty zou nu al wel een biertje lusten, maar bestelt een muntthee. Saskia een verse jus.

Beeld: twee moeders die net hun kinderen naar school hebben gebracht. ‘Zo,’ zegt Saskia. Ze draagt een broek die Betty ook in de kast heeft, met enkellaarsjes eronder. Betty heeft een hekel aan enkellaarsjes.

Wordt dit een we-zijn-vriendinnengesprek of een we-zijn-rivalengesprek?

Saskia kijkt Betty achterdochtig aan. ‘Ik weet niet precies wat David je allemaal verteld heeft, maar daar komt dus niks van in.’

Wat denkt ze? ‘Eh…’

‘Het is niet eerlijk. Ik heb het helemaal alleen moeten doen, baren, opvoeden, redderen, omdat hij het niet aankon, een kind, de luiers, het geschreeuw, de vlekken in zijn trui, de hele verantwoordelijkheid.

Hij is er letterlijk van weggelopen, en nu wil Ruben z’n vader leren kennen, en daar heeft hij natuurlijk het volste recht toe, maar hij gaat hem idealiseren, en dan heeft z’n vader ook nog een leuke vriendin die een potje wil gaan moederen, en dat is gewoon niet eerlijk.’

De vrouwen verdrinken eerst. ‘Saskia?’

‘Ja.’

‘Je hebt helemaal gelijk. Op één ding na.’

‘Huh?’

‘Het dringt nog niet tot hem door. Maar ik ben z’n vriendin niet meer.’

Het is ieder voor zich, denkt Betty. Ieder voor zich.