Feuilleton
Alles is groen: het mos, het lover, het gras. De zon danst in vlekjes over de paden, de bomen ruisen zachtjes. Hortensia’s en rozen bloeien in perkjes. Hier en daar staat een modern beeld, gehakt uit natuursteen of fel geglazuurd. Afgezien van wat tjilpende vogels, Betty en haar moeder is er geen levende ziel te bekennen.
Er zijn beroerdere plekken om voor altijd te blijven, denkt Betty terwijl ze over de begraafplaats van Bergen kuieren. Toch drenzen er twee stemmetjes in haar hoofd. Het eerste zeurt zacht: Hoe ga ik het hem vertellen? Hij denkt dat alles goed is. De tweede, nu iets harder: Hoe moet ik het haar vertellen? Hij was zo’n ideale schoonzoon voor haar.
Ze staan stil voor het graf van haar vader. Behoedzaam zet haar moeder een vaas met een veldboeket neer, alsof ze hem niet wakker wil maken. Er valt een straal zon op – een rekwisiet, uitgelicht voor een film. Een jaar geleden kletterde de regen op de kist; iedereen verdrong zich onder paraplu’s. Ook toen had Betty gedacht: net een film.
‘David moest zeker weer werken?’ Cynische ondertoon.
Wat denkt ze? ‘Mam. Eh. Het gaat niet zo goed tussen David en mij.
Ik ga er een punt achter zetten. Morgen. Of volgende week. Of zo.’
Haar moeder buigt naar voren, krabt een stukje mos van de grafsteen. Betty kan haar gezicht niet zien. Ze vindt het erg.
Dan komt ze overeind en kijkt Betty aan. ‘Kind,’ zegt ze, ‘wat een goed idee. Doe het morgen.’
Nou ja!
Een klein lachje. ‘Hij is heel charmant, David. Hij is knap om te zien.
Hij speelt prachtig piano. Hij is attent, god weet hoeveel dozen bonbons ik van hem gekregen heb als jullie op bezoek kwamen en hij heeft jou ook váák mee uit eten genomen. Maar het is allemaal een beetje te bedacht, kind. Hij wás er nooit. Hij was er nooit voor jóú. Ik heb nooit het idee gehad dat hij echt solidair met je was.’
Daar heb je dat woord weer. ‘Waarom heb je nooit tegen me gezegd hoe je over hem denkt?’
Weer dat lachje. ‘Het was jouw keuze. Jij was er gelukkig mee. Ik begreep het wel, hij lijkt een beetje op je vader…’
‘Nou dan!’
‘…maar je vader was veel liever. Je hebt altijd een moeizame mannenkeuze gehad, Betty. Al die artistieke vriendjes, die Wouter waar je maar mee getrouwd bleef… Lieverd, misschien moet je eens niet zo’n kunstenaar nemen, maar een loodgieter of zo.’ Ze werpt nog een keurende blik op het graf. ‘Zo, dat ziet er weer gezellig uit. Ik moet nog even verderop op bezoek bij de man van Tiny, dat heb ik haar beloofd. Blijf jij maar hier, ik ben zo terug.’
‘Is ze weg?’
De stem komt uit de buurt van de boom achter haar. Betty tuurt.
‘Hoger.’
Daar zit hij, haar vader, op een tak. Zijn blote voeten bungelen uit zijn broekspijpen. Hij is jong, vandaag – nou ja, jonger, ongeveer haar leeftijd. Hij heeft zijn hoed een beetje schuin op het hoofd gezet en grijnst naar haar. ‘Je ziet er goed uit. Je gaat van die jongen af, hoor ik. Goed idee. Dat kan natuurlijk niet, zo’n man die belangrijke dingen voor je verzwijgt. En gevoel voor humor had hij al nooit.’
Betty snuift verontwaardigd. ‘Goed idee? Jij vond ‘m anders best leuk.’
‘Ik dacht dat je gelukkig was. Ik heb je altijd alleen maar gelukkig willen zien. Dan zeg je dat soort dingen.’
‘Hij lijkt op jou.’
‘Ja, maar niet genoeg. Jíj lijkt op mij. Dan moet je niet nog iemand hebben zoals ik.’ Hij geeft een tikje tegen zijn hoed. ‘Je moet op zoek naar een man die op je moeder lijkt, ben ik bang.’ Weer die grijns.
‘Weet mama dat je in die boom zit?’
‘Waarschijnlijk wel. Ik praat ook wel eens met haar. Beetje babbelen, beetje goede raad geven.’
‘Kun je dat goed? Weet je de dingen beter als je dood bent?’
Hij krabt aan zijn oor. ‘Neuh. Soms zeg ik maar wat.’
‘Kun jij me vertellen welke kant ik nu uit moet?’
‘Dat hangt vooral af van waar je naartoe wilt.’
‘Het kan me eigenlijk niet zoveel schelen waarheen…’
‘Dan maakt het niet uit.’
‘…zolang ik maar ergens terechtkom.’
‘O, je komt zeker wel ergens.’
Hij zegt maar wat, denkt Betty. Ze wil nog iets vragen, maar haar vader lost langzaam op in het gebladerte. Alleen zijn grijns blijft hangen, als die van de Cheshire Cat in Alice in Wonderland.
Het grind knerpt: daar is haar moeder weer. ‘Nou, mijn man ligt toch mooier dan die van Tiny,’ zegt ze tevreden, ‘zo onder de bomen.’
Ze pakt Betty bij de arm en kijkt op haar horloge: ‘Kom op, we gaan naar het dorp, iets drinken op je vader, met een portie bitterballen erbij, dat zou-ie leuk vinden. Wat sta je daar nou naar die boom te staren? We moeten door!’
Betty kijkt achterom. Er is daar niets meer. Zo is het. We moeten door.
Met dank aan Lewis Carroll
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.