Feuilleton
Ze had haar klerenkast kunnen opruimen. Ze had aan haar roman kunnen beginnen. Ze had de nieuwe McEwan kunnen lezen. Waarschijnlijk had ze dat allemaal niet gedaan en had ze vanavond gewoon op de bank naar Boer zoekt vrouw zitten kijken, onmachtig om zich los te rukken van de beelden van die verbijsterend montere vrouwen die zich als lemmingen op die verbijsterend botte boer stortten, maar ook dat deed ze niet, ze had beloofd om met haar moeder naar die verjaardag van een vriendin te gaan. Het was een noodsprong, een handreiking, om eens aardig te zijn, het was schuldgevoel, medeleven (het valt niet mee om door te leven als je man nog maar een jaar dood is), het was beter dan Boer zoekt vrouw. Ze zou er gewoon het beste van maken. Openstaan voor andere mensen, leuke conversatie voeren, zorgen dat haar moeder trots op haar kon zijn. Ik doe het voor haar. En ze zou gewoon snel weggaan.
Pas toen de deur openzwaaide en Tiny zei: ‘Koffie en taart, om te beginnen?’ en Betty de kring mensen zag die ze een handje moest geven, en de zoon van Tiny (‘Kees?’ ‘Nee, met een C, Sees’) op het plekje naast hem op de bank klopte en met olijke oogopslag zei: ‘Je bent slank genoeg om hier nog net bij te kunnen,’ toen realiseerde ze zich dat ze hier voorlopig niet weg zou komen.
Nu zit ze in de huiskamer van Tiny, die zo te zien haar man na zijn dood zo afwezig mogelijk heeft gemaakt en de boel heeft gemetamorfoseerd na een overdosis woonprogramma’s op tv: alles is nieuw, banken, vazen, aquarellen van bloemen aan de muur, van alles zijn er twee exemplaren die links en rechts van alles zijn geplaatst, en alles is grijs en wit met hier en daar een toets rood. Betty geneert zich voor de bos blauwe bloemen die ze heeft meegebracht. Ze kijkt vriendelijk naar Sees, die een groot stuk slagroomtaart voor haar heeft neergezet en vraagt: ‘Wat zijn je hobby’s?’
H obby’s. Hobby’s. Wie heeft er nou nog hobby’s? Mensen die lid zijn van de dorpsharmonie, de vogelvereniging of de pingpongclub, die suikerzakjes of sigarenbandjes sparen, die wenskaarten maken van theezakjeslabels en naambordjes van dakpannen met servetten, mensen die vissen, die hebben een hobby. In Betty’s vriendenkring zeggen mensen: ‘Mijn werk is mijn leven’ of hoogstens ‘Ik heb van mijn hobby mijn werk gemaakt,’ uitspraken die vooral moeten verhullen dat men ofwel zich een slag in de rondte werkt ofwel verdomd weinig doet voor veel te veel geld. Een hobby is burgerlijk. Betty’s vrienden hebben geen hobby’s, ze doen aan ‘persoonlijke ontplooiing’ of ‘zingeving’.
Betty wil ‘lezen’ stamelen. Maar het blijkt helemaal niet de bedoeling dat ze iets zegt. Sees praat liever over zichzelf, nadat hij fluks de koffiekopjes voor wijnglazen heeft verwisseld. Hoe succesvol hij is als accountant. Dat hij nog steeds eigenaar is van het ‘kapitale pand’ in de Van Baerlestraat waar zijn vrouw en kinderen wonen, hij woont nu ‘tijdelijk’ in het tuinhuis van zijn moeder.
Walter de Rochebrune in een spencer. Hij schenkt veelvuldig bij.
‘Topwijntje,’ zegt Sees. ‘En dat voor maar twee vijfennegentig. Lidl.’
Daar kwam die slagroomtaart vast ook vandaan. ‘Goh,’ zegt Betty, ‘leuk, de Van Baerlestraat. Het Stedelijk en het Concertgebouw bij de hand.’ Ze denkt aan David, de avond dat hij er zo mooi piano speelde. Ravel. Niet doen. Voorbij. Richt je op het nu. Op het hier.
Nu en hier praat Sees maar door. Over ‘oplichterij’ in de kunst. Over ‘belastingcenten’. Over hoe hij haar kan helpen minder van die ‘belastingcenten’ te betalen. En dat hij niet van ‘violengejank’ houdt. ‘Behalve bij Coldplay. Dat is pas muziek, Coldplay.’
Niet aan David denken. Niet. Doen. En geen discussie uitlokken. ‘Ach…’
‘Je moeder zegt dat je beroemd bent van de televisie.’
‘Nog niet. Ik schrijf een kookrubriek in de krant en ik krijg binnenkort een programma op tv.’
‘Is koken je hobby?’
Zou het strafbaar zijn als ik deze man nu doodmep? Vast niet. Ik ben slachtoffer. ‘Nee, dat is mijn beroep. Ik heb alleen maar linkse hobby’s.’
Tot laat in de avond kijkt Betty uit haar ooghoek vertederd naar haar moeder, die praat met de broer van Tiny (Broer zoekt vrouw!) en rookt op de manier van oudere dames die eigenlijk niet roken: sigaret tussen wijsvinger en middelvinger in een omhooggestoken hand met de handpalm naar buiten, vingers gespreid alsof ze naar iemand zwaait, en ze blaast de rook naar boven alsof ze ‘fffuuuuu’ zegt. ‘Wuft’, zo heette dat vroeger. Kijk haar eens blozen.
Betty glimlacht. Tiny en mamma zijn van de generatie die een glaasje sigaretten op tafel had staan voor het bezoek, naast de pepsels en de blokjes kaas-met-gemberbolletjes. Haar moeder is een meisje, vanavond. En hoe zit ik erbij? Als een ouwe vrijster.
‘Zal ik de dames even naar huis brengen?’ zegt Tiny’s broer.
Mamma lacht, een vreemde hoge giechel, en zegt: ‘Misschien kun je Betty even afzetten op het station.’
‘Geef me je nummer,’ fluistert Sees. ‘Dan bel ik je misschien nog eens.’
‘Ik geef mensen nooit mijn nummer,’ zegt Betty. ‘Daar ben ik te beroemd voor.’ Ze denkt aan David, die dat ook nooit wilde geven.
Ze moet niet aan David denken.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.