Feuilleton

Betty houdt haar hoofd scheef. ‘Een kind kan de was doen.’ Nee. Dat zegt mijn overgrootmoeder. ‘Het is heel makkelijk. Gemakkelijk.’ Hoe zei Jonas dat nou? Easy peasy. ‘Easy peasy.’ Beter. Nee. Belachelijk.

Vier bakblikken cupcakejes staan er op haar aanrecht, en een spiegel. Betty grijnst naar zichzelf. ‘Héél makkelijk. Gemakkelijk.’ Achter het fornuis hoort ze een vertrouwd geluid: kggkggkgg…

Telefoon. ‘Ha Floor.’

‘Hoe gaat het? Ben je zenuwachtig? Ben je alleen?’

Ja. Erg. ‘Nee, ik oefen voor de eerste tv-opnames van Betty’s Bluf morgenochtend, gezellig samen met mijn tweeënzeventig cupcakes en mijn muizen.’ Sinds ze terugkwam van haar tripje naar Parijs knagen ze stukjes weg van haar voorraad, haar plinten, haar leven.

‘Zijn het veldmuizen of huismuizen? Wat voor kleur hebben ze?’

‘Geen idee. Ik zie ze nooit. Ik hoor ze alleen maar.’

‘Weet je zeker dat het muizen zijn? Misschien zijn het wel ratten,’ zegt Floor gretig. ‘Die moet je temmen. Het zijn de enige verantwoorde huisdieren: slim en sociaal. Stond in Vrij Nederland.’

‘Klinkt als een verkiezingsleus, “Slim en sociaal”. Nee, ik heb van die lokdoosjes met blauwe korrels. Ze eten het spul en rollen zich op in hun hol om dood te gaan. Ze drogen uit. Als politici na verkiezingen.’

‘Kijk maar uit dat je zelf niet uitdroogt. Je drinkt toch wel, hè?’

‘Hoe bedoel je? Natuurlijk. Ik sta hier gewoon aan de wijn, hoor.’

‘Nee, tijdens de opnamen. Een tv-kok die niet drinkt, geloof ik niet.’

‘Don’t worry. Het moet er zo authentiek mogelijk uitzien. Ik trek ook een simpel truitje aan, niet te glamorous. Ik moet vooral mezelf zijn, zei de producer.’

‘Schat, jij bent jezelf als je glamorous bent. Nou ja, succes, hè.’

Die nacht spelen de muizen diefje-met-verlos onder Betty’s bed. In het donker groeien ze uit tot reusachtige gemene ratten met stug, vies, bruin haar en gemene groene ogen – een troep allesverslindende bad guys uit een tekenfilm, op zoek naar cupcakes en erger.

‘Ha, daar is onze Nigella!’ Betty kan nog net een bakblik voor haar borsten houden – producer Herman komt haar kleedkamer binnenstormen alsof hij haar bezit. Nou ja, hij betaalt me.

‘Ik zie dat Demi een leuk jurkje van onze sponsor voor je heeft uitgezocht. Prachtig, prachtig.’ Demi is de minderjarige styliste die probeert Betty in een dirndl-achtige jurk te rijgen waar haar borsten bijna uitrollen van verbazing. Ik had een minder optimistisch maatje moeten doorgeven. Ik had mijn truitje moeten aanhouden. Ik had…

‘Authentiek, hoor!’ roept Herman. ‘Mooi, mooi. Nou, we hebben je keuken exact nagebouwd, dus je zal je wel helemaal thuis voelen.’

‘Die legging doe ik niet aan,’ zegt Betty dapper. Demi kijkt beledigd. Betty tracht verwoed de hals van de jurk wat omhoog te trekken en kijkt in de spiegel. Een vreemde vrouw kijkt terug.

In de studio blikt ze om zich heen. ‘Betty’s Bluf’ staat er in roze neonletters boven het aanrecht, dat haar aanrecht is en toch ook weer niet, want er gaapt een grote leegte achter. Een enorm kookeiland dat in haar Amsterdamse zolderetage de oppervlakte van de hele slaapkamer zou beslaan. Haar eigen emaillen vergiet en wat pannen verloren tegen een wand geschilderde neptegeltjes. Popperige kastjes met… Hee!

‘Eh, Herman. Die pakjes kant-en-klaarmix gebruik ik niet, hoor.’

De joviale lach van Herman verdwijnt op slag. ‘Dat is van de sponsor, Betty, doe nou niet zo verbaasd. Het staat in je contract.’

O god. Dat was op de dag dat ik besloot om op alles ja te zeggen.

Herman slaat een arm om haar schouder. ‘Meisje, trust me, we hebben wekenlang alles voorbereid. Je wordt een ster.’

Ik heb al gegeten uit het lokdoosje. Ik kan niet meer terug.

De rest van de ochtend is gevuld met bevelen van de regisseur, die Betty gelaten ondergaat. ‘Kom, blik eens olijk in de camera.’ ‘Kijk eens een beetje authentieker.’ ‘Kun je niet een beetje klunziger doen? Laat maar iets uit je handen vallen of zo.’ ‘Demi, kun jij wat chocoladesaus op haar schort morsen?’

‘Mag ik alsjeblieft een glas echte wijn in plaats van rode ranja?’

‘Oké, als je niet meer vloekt, Betty, anders moet het weer over.’

Als ze ’s avonds moe, misselijk en aangeschoten thuiskomt, zit er een muisje op haar bank. Hij lijkt in geen enkel opzicht op de ratten uit haar fantasie: de neusharen trillen aandoenlijk, hij ademt moeilijk en kijkt haar smekend met pientere kraaloogjes aan.

Hij heeft z’n hol niet meer bereikt. Hij gaat dood. Wat nu?

‘Verzuip ’m in de wc,’ zegt Floor koelbloedig als ze om raad belt. Bet­ty pakt het beestje op met haar hand in een washandje, maar de warmte en harteklop dringen er dwars doorheen. Met haar ogen dicht gooit ze hem in het toilet en trekt door. Ze voelt zich of ze in een donker steegje een oud vrouwtje in elkaar heeft geslagen. Moe­de­loos gaat ze zitten. Kggkggkgg hoort ze in de keuken. Achter haar muren, in een labyrint van gangen en holen, schattig ingericht als het muizenhuis van Karina Schaapman, woont de muizenfamilie gezellig bij elkaar.

Betty pakt een cupcakeje. Ze gaat in bed liggen en rolt zich op.