Feuilleton
Ed is weg. Nog geen zeven uur is hij hier geweest, aan Betty’s tafel, op haar bank, in haar bed, en ze weet eigenlijk niet precies wie ze nou over de vloer heeft gehad. Als een toverbal heeft ze hem zien veranderen: van aangeschoten kerel naar efficiënte advocaat naar kunstzinnige ziel naar kwetsbare minnaar en ten slotte, vanochtend, heeft hij die onverwacht ontroerende hals weer in die enge witte kraag van dat blauwe overhemd gesnoerd en is hij als een vreemde man verdwenen.
Zo. Weer lekker alleen, denkt Betty.
Ze houdt van de vroege ochtend, als de stad nog stil is, als niemand nog belt, bijna iedereen nog slaapt, niemand iets van haar moet. Als de dag nog voor haar ligt en nog helemaal van haar is, vol beloften van wat ze er allemaal in gaat klaarspelen, straks, en met de montere verwachting dat ze bergen gaat verzetten. Straks zal de dag vervuild raken door lawaai, door mensen, door plichten, door frustraties over wat er allemaal niet lukt of niet afkomt. Nu is hij nog onaangetast. Het wordt langzaam licht: een koude, heldere herfstdag. Betty kleedt zich warm aan en loopt met een mok thee alle trappen af, van haar zolderetage naar beneden. Ze leunt tegen de deurpost. De bomen langs de gracht blozen rozerood als verlegen meisjes. Ze strooien hun bladeren op de weg en in het water; de gracht is een pointillistisch schilderij. Op het stoepje voor haar deur ligt een groen-geel tapijt. Nog even genieten, over een paar weken is alles kaal en grijs.
JENG-JENG-JENG! De plotselinge klereherrie scheurt Betty’s gemijmer aan flarden. Een man met een fluogeel hesje, oorbeschermers en een grote bladblazer nadert het stille hoekje van het plein waar zij woont. Hij doet de bladeren opwaaien als verschrikte paradijsvogels en jaagt ze bijeen als schapen. Hij blaast een storm over haar stoepje, laat het tapijt wegvliegen.
Betty trekt zwaaiend zijn aandacht. ‘U hoeft dit niet te doen, hoor,’ zegt ze. ‘Dit hoekje hoeft niet schoongeblazen, als het echt een rommeltje wordt, doen we het hier zelf wel met de bezem.’
‘WAT?’ roept de man.
‘IK KAN HET ZELF OOK DOEN!’ roept Betty over het lawaai van de bladblazer heen, die hij net als zijn oorbeschermers hardnekkig niet afzet.
‘KAN NIET!’ roept de man. ‘DAN HAAL IK ME TARGET NIET!’
Hij laat het ding nog eens extra loeien voor haar deur en beent weg.
Betty zwijgt beduusd.
Iedereen heeft een target, denkt ze. Zestien miljard bezuinigen in één regeringsperiode. Al je vijanden executeren vóór het vrede wordt. Een miljoen blaadjes blazen vóór tien uur. Een doel, zelfs de bladblazerman heeft een doel. Misschien krijgt-ie een bonus voor extra blaadjes. Of voor extra uren. In elk geval valt het te prijzen dat hij z’n best doet om z’n target te halen, dat betekent dat hij die bonus pas krijgt als hij goed presteert. Als je onder aan de ladder staat, moet dat nog.
Betty beziet de doelloosheid van haar bestaan. Dat er elke week een culicolumn af moet, telt niet als target, dat heet een deadline. De totale keten culicolumns leidt nergens toe. Ja, naar m’n pensioen. Of waarschijnlijker: naar mijn graf. Maar ergens heen? Wil ze ergens heen? De woorden van de man met het communistenjasje, weken, maanden geleden, echoën in haar hoofd: ‘Je dobbert een beetje. Wat wil je eigenlijk zelf?’ Nergens heen, ik wil nergens heen. Mag dat ook?
Betty kijkt de man met de bladblazer na. Boos. Jaloers.
Telefoon. ‘Jonas! Lang niet gesproken. Hoe is het?’
Jonas hijgt. Pardon? O, hij brengt z’n kinderen naar school op de bakfiets. ‘Betty, ben jij nog fulltime voor de tv bezig of heb je volgende week tijd om mij uit de brand te helpen met de kids? Storm en Vlinder willen allebei naar de stadsdeelsinterklaas, woensdag. Maar ik heb een meeting, Roos haar zoekdegodininjezelf-clubje en de au pair doet een vervolgcursus mindful management.’
Nog niet erg gevorderd, blijkbaar. ‘Tuurlijk. Sinterklaas met kleine kinderen is het leukste wat er is.’
‘O, dank je, Betty, je bent een engel.’
‘Jonas?’
‘Ja?’
‘Heb jij een target?’
‘Een miljoen omzet per jaar. Over tien jaar de hele planeet groen. O, en mijn kinderen zindelijk voor hun achttiende.’
‘Oh. Oké.’
Ik ben alleen een target voor iemand anders. Theo-van-de-krant en Herman-van-de-tv willen dat ze de Nigella van Nederland wordt. Haar moeder wil een bekende, ideale dochter. Misschien was Eds target wel om haar in bed te krijgen. Ik mag dan misschien geen target hebben, maar ik ben in elk geval een target geweest.
Ze loopt naar boven. Op tafel ligt Eds advies om onder haar tv-contract uit te komen: ‘Zij willen jou ook kwijt dus geef ze een duwtje; gedraag je als een diva en doe verder niets – speel het spelletje.’
Als dat geen target is.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.