Feuilleton

Is het al voorjaar? denkt Betty. Of is de wereld vergaan? Even doet ze haar ogen open. Daar is het sneeuwlandschapje tegenover haar bed, geschilderd door haar vader. Winter. Ze sluit haar ogen en opent ze weer. De lijst verdwijnt, de sneeuw smelt, een beekje begint te stromen in de richting van haar bed. Ogen dicht. Dorst. Ogen open. Te licht. Ogen dicht. Te zwaar. De beugel van haar beha prikt in haar rechterborst. Waarom heb ik die aan, in bed? De zure smaak van gefrituurde kaas zeurt in haar mond. Febo? Gerommel in de keuken. Stomme muizen. Het biep-biep van een sms’je. O god, niet alweer één.

Als ze haar ogen gesloten houdt, komen de afgelopen dagen vanzelf in soundbites naar boven.

‘Betty, die kerst-culicolumn, die kan dus echt niet.’ (Theo-van-de-krant, een week voor Kerst.) ‘Natuurlijk vergaat de wereld niet op 21 december. En zo ja, dan leest niemand dit meer. Dus doe me een lol en schrijf een fijne kerstcolumn over gezellig eten. Samen. Vrienden. Alles is familie, weet je wel, met stoofpeertjes en spruitjes, geen Armageddon met Latijns-Amerikaanse gerechten, alsjeblieft. O ja, wel biologisch, hè. En puur. Dat willen onze lezers, puur.’

‘Dat is dan tweehonderdeenenzestig euro vijfenveertig.’ (Caissière, drie dagen voor Kerst, bij het afrekenen van de boodschappen voor Betty’s grote vrienden- en familiediner op Tweede Kerstdag.)

‘Dag kind, fijn dat je er bent. Wat een blauwe plekken, je hebt toch geen BDSM-relatie?’ (Haar moeder op Kerstavond. Sinds wanneer weet mijn moeder wat een BDSM-relatie is?)

‘Biep-biep!’ (Het eerste sms’je. Floor. ‘Maak je over mij geen zorgen. Je hoeft me niet te voederen op Tweede Kerstdag, Lech neemt me mee uit eten.’ Lech? Daar ging ze toch altijd naartoe op wintersport? Of haar klus-Pool heette Lech, geloof ik.)

‘Biep-biep!’ (Jonas, Eerste Kerstdag, ’s ochtends. ‘Change of plans, last minute wintersportvakantie ingelast. Morgenochtend vertrekken we, dus je bent bevrijd van ons drukke gezin. Merry Xmas!’ Fuck. Alle vegetarische glutenvrije hapjes voor niks.)

‘Zeg, je vindt het toch niet erg dat ik Frans ook heb uitgenodigd, hè, de broer van Tiny? Gezellig.’ (Moeder, Eerste Kerstdag. Vorig jaar rouwde ze nog om pappa.)

‘Biep-biep!’ (Mail van ex Wouter. ‘Geweldige Kerst hier!’ Foto van zonovergoten strand in ver buitenland. Van mijn alimentatiecenten. Nou niet chagrijnig worden, dat helpt niet. Nog maar een jaar.)

‘O, Betty, Britta hangt kotsend boven de wc en Nils ziet groen, ze hebben iets verkeerds gegeten, we kunnen echt niet komen morgen, niet erg, hè, je hebt het toch al druk met al die mensen…’ (Anna aan de telefoon, de avond van Eerste Kerstdag. Haar kinderen zijn van de generatie die naar Ikea-meubelen werd vernoemd.)

‘Lieve kind, ik zie er een beetje tegenop om nog naar Amsterdam te gaan. En Frans wil graag voor me koken. Dus ik ben je vanavond niet tot last. Dat scheelt weer, toch? Moet Frans je even op de trein naar huis zetten?’ (Haar moeder, de ochtend van Tweede Kerstdag.)

I edereen denkt: ze doet het voor mij, het hoeft niet. Maar ik deed het voor mezelf, dacht Betty in de trein naar huis. Ze dacht: wat nou samen. Ze dacht: ik ben eigenlijk het beste alleen. Ze dacht: wat doe ik met al dat eten. Ze dacht: winterslaap. Het beeld beviel haar. Ze zou het kerstdiner klaarmaken en alles opeten, de kipspiesjes, de zalmrolletjes, de wildsoep, de hertenbiefstukjes, de groentepaté, de cranberrysaus, de aardappelmousseline, de raapjes met kastanjes, de geitenkaas-éclairs, de chocoladetaart, ze zou de champagne opdrinken en de saint-emilion grand cru, dan zou ze haar telefoon uitzetten, in bed kruipen, een vacht laten groeien en slapen tot mei 2013.

Ze besloot van het station naar huis te lopen. Het werd al donker. Ze was dankbaar voor de stad, hier werden haar geen vragen gesteld – wat ga je doen, waar ga je heen, wie wacht er op je. Door de ramen waar ze langskwam zag ze de onbevraagde levens van haar stadgenoten. Levens voor de televisie. Levens om een gedekte tafel. Levens achter een computerscherm, achter een kant-en-klaar versierde kerstboom, een lege boekenkast, een rode lamp, een bak chips.

Daar is het leuk, flitste door haar hoofd toen ze een verlicht zolderraam zag, en ze realiseerde zich direct daarna dat ze een lampje had aangehouden, dat het haar eigen raam was. Het maakte haar vreemd gelukkig. Ze zou wel willen blijven staan kijken.

‘Wat zie jij er ongelukkig uit,’ zei een mannenstem achter haar.

Ze keek om. Daar stond de man met het zwarte manchester communistenjasje die, zo zag Betty, vanavond zijn linnen babyboomerstasje en witte sokken had thuisgelaten. ‘Gaat het wel goed met je?’ vroeg hij bezorgd. ‘Je ziet eruit alsof je toe bent aan een biertje.’

Betty hoort de muizen in haar keuken. Ze maken een hoop kabaal, ze komen haar kant op, ze kloppen op haar deur. Huh?

Ze ruikt koffie. Ze opent haar ogen.

Daar staat de man met het communistenjasje.

Zonder communistenjasje.