Feuilleton

Betty staat op de badmat met een doosje badbruistabletten. Ze hebben allemaal een andere werking. Revitaliserend, denkt ze. Ja. Of toch activerend? Ontspannend? Nee, harmoniserend. Harmoniserend is goed. De spiegel is beslagen, ze kan zichzelf niet zien. Misschien maar goed ook, op nieuwjaarsdag, de late ochtend na het jaarlijkse uit de hand lopende champagnefeestje bij Floor. De harmoniserende bruistablet kleurt het water oranjerood. Kleine belletjes zoeken hun weg naar boven. Een bad vol priklimonade. Een kinderdroom.

Betty stapt in bad. Ze doet haar ogen dicht en zakt helemaal onder water. Weg is de herrie van knallende rotjes op straat, van de stommelende benedenburen, van de ritselende muizen achter de muur. Alleen een zacht suizen in haar oren, het ruisen van een verre zee, het zoesj-zoesj-zoesj van het bloed in haar aderen, een schelp aan je oor. Zo moet het zijn in de baarmoeder. Voordat je begint.

Ze komt weer boven water en haalt diep adem. Ze moet nadenken. Alles moet anders, vindt ze. Ze laat zich maar een beetje dobberen en door anderen sturen, de laatste tijd. Als ik nou eens helemaal opnieuw zou kunnen beginnen. Nee. Laat dat ‘als’ nou eens weg. Het is 1 januari en ik begin opnieuw. Ik ben iemand anders. Ik ga schilderen. Of zingen. Ik kan vrachtwagenchauffeur worden. Of blond. Of barkeeper. Of man.

Ze zucht. Voor een nieuw leven is het nodig dat haar oude leven verdwijnt, en dat oude leven dringt zich al snel weer op door het dunne laagje van het gloednieuwe jaar. De aflossingsvrije hypotheek op haar huis. Nog een jaar alimentatieplicht aan ex Wouter. Haar moeder, die ook het eeuwige leven niet heeft. Vrienden, vriendinnen. De zevenenveertig jaren die ze niet kan terugdraaien: ze zal nooit meer moeder worden, of fotomodel, of profvoetballer, en hoe aantrekkelijk het idee ook is, het is toch tamelijk pathetisch om te denken dat ze met een ander leven ineens dolgelukkig zou worden – dat is meer iets voor vrouwen die een knoertgezellig Etsy-winkeltje met zelfgeknutselde dingetjes op internet beginnen. Ze tovert er haar verleden niet mee weg, haar heden, haar muizen en muizenissen, en de vragen in haar hoofd. Zoals: voor wie beteken ik iets? Zoals: waarom laat ik me toch altijd maar een beetje dobberen? Zoals: wie is toch de man met het communistenjasje?

Hij was zomaar uit de lucht komen vallen, op tweede kerstdag, zoals hij al een paar keer uit de lucht kwam vallen als ze er even niet op bedacht was. Wéér op zo’n onbestemd treurig moment, toen iedereen had afgezegd voor haar kerstmaaltijd en ze voor haar eigen huis stond: ‘Wat zie jij er ongelukkig uit. Gaat het wel goed met je? Je ziet eruit alsof je toe bent aan een biertje.’

Ze had zich eerst, murw van alle afzeggingen en overdonderd door zijn voortvarendheid, laten meevoeren naar het café om de hoek. Na twee bier had ze even een vlaag van kritische zin gehad (‘Zeg, je bent toch geen stalker, hè? Wie ben je eigenlijk?’) maar hij had meteen weer zo’n vraag terug gesteld – ‘Wie ben jíj eigenlijk?’ – waarop ze geen antwoord had. Hij had sowieso altijd de irritante gewoonte om alleen vragen te stellen. ‘Ben je nog steeds zo aan het dobberen?’, ‘Wie betekent er veel voor je?’, ‘Voor wie beteken jij iets?’, ‘Zou je nog iets anders willen doen in je leven?’, ‘Lust je nog een bitterbal?’

Terwijl zij natuurlijk de vragen eens had moeten stellen: ‘Hoe heet je?’, ‘Wat doe je voor de kost?’, ‘Heb je het net zo met de wereld en het geld en jezelf getroffen als al die andere babyboomers?’, ‘Waarom zit je hier met mij op tweede kerstdag, heb je niks beters te doen?’, ‘Trek je dat jasje weleens uit?’ maar nee, ze had godmagwetenwat over zichzelf zitten vertellen en ze waren naar haar huis gegaan waar een tienpersoons kerstmaaltijd in de vriezer zat en ze had hapjes voor twee eruit gehaald en ze had nog meer gedronken tegen de ongemakkelijke vragen en het volgende moment was het ochtend en werd ze wakker van de geur van koffie en stond hij daar in de deuropening en ze had gedacht: o god, die man is minstens vijftien jaar ouder dan ik en hij zou toch niet… en ze dacht dus dat jasje kon toch uit en hij had voor het eerst geen vraag gesteld maar de koffie voor haar neus gezet en gezegd: ‘Ik moet weg, een trein halen. Bedankt voor de slaapplaats op de bank, vannacht,’ en ze had gedacht: hij woont dus niet in Amsterdam en er is dus niks gebeurd en hij had gezegd: ‘Denk aan wat we hebben afgesproken’ en zij had gedacht hebben we iets afgesproken? en zijn ogen hadden even geschitterd als die van Peter Falk in Columbo en toen was hij weg en zij had gedacht ik weet nog steeds niet hoe hij heet en het is te laat om het nog te vragen.

Ondertussen voelt Betty zich nog helemáál niet geharmoniseerd. Ze draait de warme kraan open en overweegt een nieuwe poging om haar stemming te beïnvloeden. Ontspan­nen? Activeren? Vitaliseren? Achter elkaar gooit ze alle tabletten in het bad. Het water bruist troebel, een krachtige toverdrank. Ze doet haar hoofd weer onder water. Zoesj-zoesj-zoesj, hoort ze. En hoewel ze weet dat ze gewoon haar eigen bloed hoort ruisen, zoals wanneer je een schelp tegen je oor houdt, droomt ze dat ze helemaal opnieuw begint, dobberend in een kalme, verre zee.