Feuilleton
Vier jonge meisjes met vermoeid haar staan buiten te roken. Hun blik onverschillig, hun Engelse conversatie spaarzaam, hun opstelling een fort. Au pairs, heeft Betty meteen gezien. Ze horen duidelijk niet bij de moeders die hier binnen staan, elkaar routineus begroeten (‘Haai!’ en een luchtkus) en praten over onbekende mensen en zaken (‘Is Jeanine nou nog ziek?’ ‘Sammy kan wel mee met Sophie vandaag.’ ‘Ga jij nog naar bikram yoga?’ ‘Nee, ik moet naar een tienminutengesprek.’ ‘Erg, hè, van Huib en Anja.’ ‘Vooral voor Anja.’).
In de kleedruimte van het cultureel wijkcentrum staat Betty tussen de moeders te wachten tot het balletklasje van Vlinder klaar is met, zo te zien, de choreografie van een Amsterdamse Wallen-kroeg vol dronken Engelse toeristen, gedanst op een discoversie van het Zwanenmeer. De kinderen rennen gillend door elkaar heen, de armpjes klassiek geheven. Een sprietig meisje deelt een volleerde linkse directe uit aan het enige jongetje in de klas. Vlinder waggelt door de zaal, haar te dikke vierjarige lijfje in een te roze pakje gepropt, gelukzalig. Betty denkt aan het klasje uit haar eigen jeugd, waar ze tussen een rij andere bedeesde kleuters aan de barre stond te plié’en-en-relevé’en op bevel van de strenge balletjuf, met een groep even bedeesde moeders wachtend voor de deur. Plasterk-reflex, denkt ze. Niet doen. Niet denken: vroeger waren we gehoorzamer en bescheidener en ijveriger. Deze kinderen worden mondig en zelfverzekerd.
Intussen staat ze daar zelf toch maar een beetje onmondig en onzeker te staan. Ze hoort niet bij de moeders. Ze hoort niet bij de au pairs. Ze komt gewoon het dochtertje van Jonas en Roos halen, omdat Jonas een dringende meeting heeft en Roos te druk is met de maand voor de spiritualiteit om zich bezig te houden met dit soort zaken. Om zich een houding te geven, bestudeert Betty de A4’tjes met het cursusaanbod aan de muur. Ik zou eens iets moeten doen. Nieuwe mensen leren kennen, mijn creatieve horizon verbreden.
Er is nog plaats bij ‘Mindfulness voor moeders’, ‘Retrokussens craften’, ‘Schrijf je leven van je af’ en ‘Amigurimi poppetjes haken’. Amigurimi poppetjes haken?
‘Wist je dat niet?’ hoort ze een moeder achter haar tegen een andere moeder zeggen. ‘Iederéén weet het inmiddels.’ En ze begint te fluisteren, zodat Betty haar niet kan verstaan.
In het zaaltje stopt de muziek abrupt. Alle kinderen vallen op hun rug en blijven doodstil liggen.
H et komt doordat ik zelf geen moeder ben. Haar hele puberteit en studietijd lang is Betty een toegewijde babysitter geweest. Honderden avonden heeft ze in vreemde huizen doorgebracht, hangend voor de televisie, boekenkasten leeglezend, nachtkastjes op porno scannend. Talloze malen laveerde ze met een kind in een zitje op de fiets door Amsterdam, ze heeft moeiteloos andermans kinderen gewiegd, in bed gelegd, verhaaltjes verteld, in jasjes gewurmd, verschoond, getroost. Ook toen ze haar babysitbaantjes voor ander werk had ingeruild, lieten kinderen van vrienden en collega’s zich gewillig meezeulen, legden ze vol vertrouwen hun hand in haar hand, kropen ze als vanzelf bij haar op schoot.
Plotseling, rond haar vijfendertigste, was dat afgelopen; kinderen kropen weg achter hun moeder als ze iets tegen hen zei, ze konden niet meer om haar lachen, ze keken haar wantrouwend aan als ze hen te dicht naderde. Van de weeromstuit hoorde ze zichzelf de verkeerde dingen zeggen, wist ze niet meer hoe ze ze vast moest pakken, voelde ze zich oud. Het is de generatiekloof: ze begrijpt weinig van computergames, straattaal, een opvoeding in overvloed. Maar misschien niet toevallig viel deze omslag ook samen met het moment dat ze besloot dat haar slechte huwelijk met Wouter geen kind kon verdragen (waarna het besef dat haar huwelijk met Wouter dan ook niet meer te verdragen was, waarna David die geen kinderen wilde, waarna te laat voor kinderen). Het was haar zelden meer gelukt om haar vanzelfsprekendheid terug te winnen. Zelfs bij de kinderen van Jonas. Jonas denkt maar dat ik dit kan.
Zodra je zelf moeder bent, ziet Betty, gaat alles vanzelf. Moeders vangen elkaars kind op of het niets is,‘o, ik neem de jouwe er wel bij vanmiddag’, ze vinden het niet erg, ze kunnen het zonder moeite, ze zijn deel van een geheim genootschap van moeders die weten hoe het moet. Iemand heeft ze alles verteld toen Betty even niet oplette.
De kinderen stromen uitgelaten de kleedruimte binnen. Au pairs en moeders proppen hen routineus in hun winterkleren. Betty worstelt met het jasje van Vlinder, dat haar te klein is – echo van een eetstoornis van haar moeder – en met Vlinder zelf, die eerst niet wil lopen (‘Ik wil in pappa’s bakfiets!’), maar berust in haar lot als Betty haar belooft dat ze bij haar thuis in de kamer mag balletten, en zowaar – o wonder! – haar handje in de hand van Betty legt.
Ze lopen door de binnenstad naar Betty’s huis.
‘Pappa!’ roept Vlinder ineens. ‘Djoo-èn!’ Ze wijst naar een caféraam.
Betty kijkt naar binnen. Daar zit Jonas. Met de au pair. In een dringende meeting, zo te zien.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.