Feuilleton

Betty staat net een plan te verzinnen om de rotzooi in haar huis eens aan te pakken (Elke dag een la opruimen? In één keer alles weggooien?) als de telefoon gaat.

‘Mam! Hoi.’

‘Dag kind. Wat doe je?’

‘Ik ben aan het opruimen. En ik ga zo…’

‘Ik dacht: ik bel weer eens. Ik heb net een wandelingetje gemaakt en soep, en Tiny en ik hebben van de week…’

Betty luistert met een half oor, terwijl ze een wiebelende stapel papier van de ene kant van haar bureau naar de andere kant verplaatst. Zo gaat het nou altijd: haar moeder steekt van wal zodra ze haar aan de lijn heeft en houdt voorlopig niet meer op. Het is zo’n bende, misschien moet ik een professional inschakelen. Werkster nemen? Organizer inhuren?

‘…en toen stond Fred voor de deur met valentijnscadeautjes.’

‘Huh?’ Betty zet de stapel weg. ‘Sinds wanneer doe jij aan Valentijn?’

Haar moeder giechelt. ‘Nooit. Tot nu.’

‘Kwam-ie rozen brengen?’ Betty doet niet aan Valentijnsdag, ze gelooft er niet in, het is een raar geïmporteerd Amerikaans commercieel ding dat voor liefde moet doorgaan, goed voor de verkoop van hartvormige onzin.

‘Nee, geen rozen.’ Betty hoort haar moeder aarzelen. ‘Hij kwam met drie pakjes, mooi ingepakt. Een kilo suiker. Een kilo koffie. En het vest dat zijn vrouw in haar laatste jaar droeg als ze het koud had.’

O…ké. Praktisch. Ontroerend. Valentijn volgens de oorlogsgeneratie.

‘Vreselijk vest trouwens, van acryl. Maar hij bedoelde het goed.’

‘Mam, ik vind het prachtig. Rozen? Wie wil er nou rozen?’

‘En jij? Geen kaartje van een bewonderaar?’

Zeg! ‘Nee, daar doen we hier niet aan. Zeg, ik ga je ophangen. Ik heb een afspraak. Met een paar vriendinnen.’ De stapel valt om.

Een werkster helpt niet. Al-Qaida inschakelen?

Floors huis geurt naar verse verf en stucwerk. Het lijkt wel alsof er elke keer dat Betty er komt weer iets is doorgebroken en opnieuw gebouwd. Op tafel staat een reusachtige bos rode rozen. ‘Valentijnsdag,’ zegt Floor achteloos. ‘Van Lech.’ Betty moet altijd aan prins Friso denken, maar Floor heeft het natuurlijk over haar klus-Pool. Die jongen is al een jaar in dat huis aan het verbouwen, er staat geen oorspronkelijke steen meer op de andere. En Floor laat hij dus ook niet onberoerd.

‘Hebben jullie wat samen?’ vraagt Anna. Ze strijkt met haar vinger over een fluwelig rozenblaadje.

‘Ach, hebben, hebben…’ Floor maakt een gebaar alsof ze sigarettenrook wegwuift. Ze kijkt stralend naar de keukenmuur. ‘Vinden jullie trouwens niet dat hij fantástisch kan stuken?’

‘Frank gaf me bonbons van de Hema,’ zegt Anna, ‘de dag na Va­len­tijnsdag.’ Ze vist een roos uit de vaas. ‘Maar hij bedoelde het goed.’

Valentijn gaat niet over liefde. Het gaat over goede bedoelingen.

Anna haalt de roos uit de vaas en steekt haar neus erin. ‘Hij heeft wel een paar van die aanstellerige kaarten van zijn leerlingen gekregen.’ Ze begint een voor een de blaadjes uit de roos te trekken.

Floor lacht luchtig. ‘Dat krijg je met zo’n knappe wiskundeleraar.’

Betty haalt zich Frank voor ogen. Meer het type keurige boekhouder. ‘Ach, joh, je hebt in elk geval meer gekregen dan ik,’ zegt ze monter. Onderwerp veranderen, nu. ‘Ik heb trouwens een nieuwe baan.’

‘Een nieuwe baan?’ Anna vergeet de roos.

‘Ik word nanny. Parttime. Van de kinderen van Jonas en Roos.’ Betty bestudeert het effect. Floors mond valt open. Anna fronst. Een klein Gronings aardbevinkje, twee op de schaal van Richter. ‘Ik blijf m’n kookrubriek schrijven, maar verder was ik eens toe aan iets anders.’ ‘Zeg heb jij niet ooit iets met die Jonas…,’ zegt Anna.

Betty maakt een wegwuivend gebaar. ‘Ach, hebben, hebben… Lang geleden, één nacht. Been there, done that, didn’t buy the T-shirt.’

‘Maar het verdient natuurlijk helemaal niks,’ zegt Floor geschokt. ‘En jij en kinderen…’ ze maakt haar zin niet af.

Betty zucht. ‘Ik verdien best wel. En ik vind de kinderen leuk.’

‘Tuurlijk,’ zegt Anna met een waarschuwende blik naar Floor. ‘We willen allemaal wel eens iets anders. Kijk naar de koningin.’

‘En naar de paus,’ zegt Floor. ‘Daar drinken we op. Op iets anders.’

Wanneer ze thuiskomt, loert een verloren gevoel om de hoek van de deur, een vreemd verlangen naar een stomme kaart, een roos, desnoods een kilo suiker. Onzin natuurlijk. Ik heb die commerciële rommel niet nodig. In de ergernis over zichzelf stapt ze bijna achteloos over de envelop op haar mat. ‘Een verlate Valentijn’ staat erop, in een bekend handschrift. Jonas? Wat is dat nou voor stoms, een valentijnskaart in het weekend na Valentijn. Heb ik weer. Er zit een A4’tje in. ‘Storm en Vlinder’ staat er op de achterkant. Op de voorkant staat een koppoter verdwaasd in een kluit stakerig gras. Boven haar zweeft een groot hart, ze reikt ernaar met open armen.