Feuilleton
Fuck. O, fuck. O, fuck. O, fuck. Betty ziet haar knokkels wit worden. Het zweet gutst langs haar rug. Ze weet ineens weer waarom ze nooit haar autorijbewijs heeft gehaald: die reusachtige, onbestemde angst om anderen te treffen in een groot, fataal ongeluk, veroorzaakt door iets wat ze niet in de hand heeft – iets groter dan zijzelf, een machine, een drang. Dezelfde combinatie van macht en onmacht die ze altijd heeft gevoeld voor een loket van de bank of het postkantoor (god zij geprezen voor pinautomaten) – de angst dat ze ineens zal roepen: ‘Handen omhoog of ik schiet.’
En dan zit ze nog niet eens in een auto, maar op een lege bakfiets. Wie heeft toch bedacht dat een bakfiets het ideale middel is om kinderen in te vervoeren? Ik kan mezelf er niet eens op vervoeren.
Ze ontwijkt ternauwernood de stoeprand en zwenkt tegen een andere stoeprand. Achter haar toetert een auto. Rustig. Als een mantra herhaalt Betty wat ze net nog snel op internet heeft gelezen: bij het opstappen remmen indrukken. Wegrijden vanuit de eerste versnelling. Corrigeren met je bovenlichaam. In de bochten van je afduwen. Van je af! Hangen naar de hoge kant van de weg. Kijk ver vooruit.
Tegen de tijd dat ze het schoolplein heeft bereikt, heeft ze een hoofd als een tomaat, maar de laatste driehonderd meter heeft ze al niet meer de hele tijd gedacht dat ze zou omvallen, en ze is er. Ze posteert zich tussen de rokende au pairs aan de ene kant en de kletsende moeders aan de andere kant. Ze tovert een vermoeide bakfietsmoederglimlach op haar gezicht en wacht tot de school uitgaat. Tot nu toe heeft ze het overleefd. Nu de kinderen nog.
‘Beschouw jezelf gewoon als gezinslid,’ heeft Roos gezegd, vanmorgen. ‘Het is een heel belangrijke baan. We willen graag dat je er veel bent, ik wil dat je je deel van deze familie voelt.’ Ze wees vluchtig op een lange lijst die met een magneetje op de ijskast was bevestigd: ‘Gewoon wat huisregels.’ En: ‘Er is altijd rauwkost in huis, hè, neem maar hoor, als je wilt. Make yourself at home. Oh, ik ben zó blij dat je er bent! Ik weet niet wat ze zonder jou zouden moeten doen!’ En ze heeft Betty omhelsd en de fietssleuteltjes gegeven. ‘Haal hier de kinderen maar mee uit school. Je hebt nog net tijd genoeg om even te oefenen.’
Toch raar, vindt Betty. De moeder die het huis heeft dichtgekit met veiligheidshekjes, stopcontactbeveiligers, babyfoons, deurstoppers, waterfilters, biologisch eten, biologisch drinken, verantwoord houten speelgoed en educatieve kinderboeken en huisregels, die moeder stuurt haar gewoon op pad met dit ding. En vertrekt zelf naar een afspraak met een stel andere munttheemoeders, terwijl Jonas bezig is geld te verdienen om die benzineslurpende hippe ouwe Mercedes en dit dure huis te betalen. En deze superluxe bakfiets.
Waarschijnlijk heeft Roos zelf die bakfiets nooit gebruikt, bedenkt Betty. Als ze er goed over nadenkt, heeft ze eigenlijk altijd alleen maar Jonas op dat ding gezien. Geen wonder dat Roos zo zorgeloos doet. Als ze me zo zou zien, zou ze me direct ontslaan.
W aarom? denkt Betty terwijl ze de brug over de gracht nadert. Waarom zit een zesjarig jongetje in een bakfiets en niet op zijn eigen fiets? Waarom zit een vierjarig meisje te neuriën met haar rug naar de wereld en de ogen vol vertrouwen op mij gericht? Ze voelt de weg hellen en de trappers steeds minder meewerken. Waarom zitten die kinderen niet op de school om de hoek? Niet wit genoeg, zeker.
‘Jo-Ann kon wel tachtig kilometer per uur,’ zegt Storm.
Dat moet er nog bijkomen, dat ze haar met de vorige, twintigjarige, atletische nanny gaan vergelijken.
‘Jij gaat nul kilometer per uur.’ Storm grinnikt om zijn eigen grapje.
Als we nu stilstaan, glijden we dan weer achteruit?
‘Het gaat wel goed, hoor, lieverd.’ O, fuck, o, fuck, o, fuck. Al die bakfietsmoeders zijn natuurlijk gewoon aan de epo, en ik ben die sukkel die er niet aan mee wil doen en niet tegen de brug op kan.
Dat beeld lijkt emblematisch voor iets, al weet ze niet waarvoor.
Een fietser rijdt vloekend met een grote boog om ze heen. Lul, denkt Betty. En dan: hij heeft gelijk. Zo’n bakfiets is de SUV van het fietspad. Ze zet het ding resoluut op de rem en stapt af. ‘Weet je wat?’ zegt ze, ‘we gaan lopen.’ Ze zegt het zo dreigend dat Storm gedwee uitstapt. Vlinder mompelt pavlov-achtig: ‘Niet tegen mama zeggen.’
Betty denkt aan Roos, die zich bij de voordeur had omgedraaid en had gezegd: ‘Hij weet niet dat ik dat weet, maar ik weet dat Jonas je veel te veel betaalt voor dit baantje. Begrijp me niet verkeerd, ik ben blij met je, de kinderen mogen je, en bovendien ben je wat ouder. Dat is wat minder bedreigend, als je begrijpt wat ik bedoel.’
Pardon?
Glimlachend zei Roos: ‘Maar laat ik niet merken dat hij je voor iets anders betaalt dan de zorg voor onze kinderen.’ Ze had zich omgedraaid en was vertrokken, Betty beduusd achterlatend met de onhandelbare bakfiets, de merkwaardige opdracht deel uit te maken van dit gezin, en het gezicht van Roos op haar netvlies.
In Roos’ ogen de angst voor een groot, fataal ongeluk, veroorzaakt door iets wat ze niet in de hand heeft.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.