Feuilleton
Op de eerste warme lentezondag zit Betty op het bankje op haar dakterras. ‘Dakterras’ is een groot woord, ‘platje’ komt meer in de buurt: meer dan een bankje en drie vierkante meter met stakerige struiken is het niet, maar uit de takken komen aarzelend wat knopjes en uit de aarde wolkt zachtjes een waas groen – het begin van woekerend zevenblad, waartegen ze zich nooit heeft verzet. Maar groen is groen en groen is lente, vindt Betty, en een dakterras, hoe klein ook, is een kostbaar bezit in het centrum van de stad. Ze zou eigenlijk in de rij moeten staan voor het Rijksmuseum die ook een veel te lange winter achter de rug heeft en uitzinnig juichend een nieuwe lente bejubelt, maar daar ziet ze al meer dan genoeg van zodra ze de tv aanzet of een krant openslaat. Vandaag heeft ze liever een privélente. Het platje voelt als een geheime tuin, hoewel de halve buurt haar hier waarschijnlijk kan zien. Als ik er nou een soort reuzenklamboe overheen zou maken, zou de ruimte van mij alleen zijn.
In de verte fluit een vogel een deuntje dat op een ringtone lijkt. Dat doen vogels in de stad, heeft Betty laatst gelezen, ringtones imiteren. Denk je dat je telefoon gaat, is het een vink. Of een mees.
Het duurt even voor het kwartje valt. Fuck, het ís m’n telefoon.
‘Anna! Hoe is het? Zit je ook in de zon?’ Hoe lang is het geleden dat ze Anna heeft gesproken? Weken. Ik verwaarloos mijn hartsvriendinnen. Of is dat te Joop ter Heul, hartsvriendinnen?
‘Ik zit binnen,’ zegt Anna. ‘Ik dacht: ik moet je even bellen. Ik eh… Ik dacht… Nou ja ik dacht jij hebt ervaring met mannen met geheimen.’
‘Huh?’ David, die zich klein had gemaakt in een stoffig hoekje van Betty’s geheugen, tuimelt weer vol in haar hoofd.
‘Dit klinkt heel stom, Betty.’
‘Welnee. Niks is stom. Zeg het maar.’ Dit klopt niet. Anna geeft mij altijd goede raad, niet andersom.
‘Ik denk dat Frank vreemdgaat.’
‘Frank? Néééh.’
‘Waarom niet?’
Omdat Frank een suffe boekhouder is. ‘Omdat Frank… te aardig is.’
‘Hij doet geheimzinnig. Hij blijft langer op school hangen op de dagen dat hij les moet geven. Of niet op school, weet ik veel. Hij doet… nou ja, anders. Afwezig. Vaag.’
‘Maar hoe weet je dat-ie vreemdgaat? Is het niet gewoon een midlifecrisis?’
‘Dat gaat vaak prima samen, zoals je weet.’ Anna zucht. ‘Ik wil dit niet. We hebben altijd overal over kunnen praten. Ik heb nooit geheimen voor Frank gehad.’
Iedereen heeft geheimen, denkt Betty.
Toen ze van de week in Roos’ meditatiekamer had gestaan, de volmaakt witte kamer van de volmaakte Roos, de verboden kamer, de prachtige, verstilde kamer, de kamer waar ineens een sleutel in de deur had gezeten, toen ze de laden had opengetrokken en al dat junkfood had ontdekt, en al dat geld (Al dat geld! Tienduizenden euro’s! Waar komt dat vandaan? En wat moet ze ermee? Bewaren voor de volgende cyberwar?), was ze minutenlang roerloos blijven kijken naar haar vondst. Alsof ze niet kon geloven dat iemand een geheim kan hebben voor een ander. Alsof ze dat zelf nooit gehad had. Mensen zonder geheim zijn oninteressant, had ze gedacht, mensen zonder geheim zijn oninteressant – als een mantra. Betty’s oude theorie, en ze gelooft er nog steeds in, en toch komt het telkens hard binnen als ze geconfronteerd wordt met een geheim dat haar raakt. David die een zoon verborg. Roos die, ja wat eigenlijk verbergt? Geld, eten, voor haar blijkbaar dingen om te verbergen. Betty had de laden gesloten, de deur op slot gedaan en de sleutel in haar zak gestopt. Nu is er nog een geheim: Betty weet iets waarvan niemand weet dat zij het weet.
‘Anna, je weet nog niks,’ zegt Betty. ‘Soms gaan mannen niet vreemd. Dan doen ze gewoon iets anders dat vreemd is. Of vrouwen. Mensen hebben soms behoefte aan een klein stukje geheim leven dat helemaal van henzelf is. Dan kijken ze porno. Of ze eten stiekem een heleboel borrelworstjes of Saroma.’
‘Saroma, getverdemme. Bestaat dat nog?’
‘Ja, maar het heet anders. En dit is waarschijnlijk ook wat anders, Anna. Echt.’
Wanneer Betty heeft opgehangen, denkt ze aan haar eigen geheimen. Zijn het nog wel geheimen, als er geen mensen zijn om ze voor geheim te houden? So what, als ze een middag naar stomme BBCantiekprogramma’s kijkt met een schaal Saroma binnen handbereik, als ze het beginnetje van een roman in de la heeft liggen waar niemand van weet, als ze vanavond veel te veel drinkt? Als ze zich vanavond een ongeluk zuipt en snuift, een foute man neukt, maakt niet uit, ze is alleen, het wordt door niemand gezien, het blijft allemaal geheim. Volgens haar eigen theorie: machtig interessant.
Betty zit op haar dakterras. De halve buurt kan haar zien, maar niemand kijkt. Straks ga ik dood en dan was mijn leven één groot geheim.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.