Vanavond treedt Normaal voor het laatst op. VN-Redacteur Sander Donkers ging in 2001 op bezoek bij Bennie Jolink, de aanvoerder van de høkersmassa. ‘Altijd maar dat høken. Het is alsof ik een monster gecreëerd heb waar ik niet meer vanaf kom.’

Het is een herfstige middag in Hummelo. De regen slaat tegen de ruiten van de hooibergschuur in de lommerrijke tuin van Bennie Jolink. Voor de deur, naast een berg speelgoed van zijn kleindochter, staat een paar besmeurde motorlaarzen, aan een knaapje hangt een morsig podiumpak zijn roes uit te wapperen. Binnen ronkt de kachel. De ruimte is gevuld met gitaren, versterkers en een drumstel. Er hangt een oude Normaal-vlag, en in de hoek staat een geweer. Alle elementen zijn aanwezig voor een ontmoeting met ‘Buizen Beernd’, jager, crosser, notoire brokkenpiloot en vooral: de uitbundige opperbevelhebber van høkend Nederland. Alleen zijn er vandaag in Bennie Jolink niet veel sporen van zijn wilde alter ego te ontdekken. En dat ligt niet aan het montuurloze brilletje dat hij draagt. Hij is gewoon niet in the mood. Het gaat nu weliswaar weer net iets beter, maar in zijn hoofd is het de laatste tijd al even herfstig geweest als buiten.

Jolink (55) zit licht voorovergebogen in een stoel, en steekt een joint op van eigen makelij. De verse oogst van ‘Hummelo’s Heaven’ hangt aan het plafond te drogen. ‘Laatst was het weer zover,’ vertelt hij. ‘Mijn vrouw moest werken, ik zou een week alleen thuis zijn. Ik had me er zelfs op verheugd, maar ik zat hier maar, in de hooiberg, voor me uit te staren. Toen zijn we halsoverkop een weekje naar Frankrijk vertrokken. Weggaan, dat helpt meestal.’ Hij praat bedachtzaam, maar zonder terughoudendheid en kijkt het bezoek recht in de ogen. ‘Ach, jij hebt de film gezien,’ zegt hij berustend. ‘Dus het moet maar.’

De film heet Normaal – Ik kom altied weer terug. Het is een documentaire over Jolink en zijn band, gemaakt door dezelfde productiemaatschappij die eerder verantwoordelijk was voor Zij gelooft in mij, de succesvolle film over André Hazes. Jolink stemde meteen in met voorstel van regisseur Frank van den Engel. Een bioscoopfilm, dat is een grote eer, en goed voor de band bovendien. Hazes had het beslist geen windeieren gelegd, wist Jolink. Maar toen hij het zeer persoonlijke Zij gelooft in mij daarna ook daadwerkelijk gezien had, nam hij de volgende keer meteen de regisseur apart. ‘Luister goed,’ zei hij. ‘Je mag me volgen, maar al die persoonlijke shit, die kom je bij ons echt niet halen. Bij de voordeur van mijn huis staat mijn vrouw met een hooivork, en die steekt je eraan.’

Anderhalf jaar later lacht hij er schamper om. ‘Je kunt wel stellen dat er van mijn ferme woorden weinig terecht is gekomen.’ En Jolink zit er maar mee. De film is goed gemaakt, benadrukt hij, daar ligt het niet aan. Maar hij is wel degelijk persoonlijk geworden. ‘Ik heb het ze erg moeilijk gemaakt, vrees ik, maar het is ze toch gelukt. Zelf kreeg ik ook wel door dat de film niet echt waardevol zou worden als ik me niet een beetje openstelde.’ Maar toch; hij huivert bij de gedachte dat hij straks op een groot doek openhartig vertelt over de depressies waaraan hij nu al een tijdlang met enige regelmaat lijdt. ‘Ik heb hem nu één keer gezien, en dat was beslist genoeg. Anderhalf uur naar je eigen poriën staren. Voortdurend het idee: waarom vertel ik dat nou allemaal? Brr, het zweet stond in mijn handen.’

Advertentie

Advertentie

Het zijn moeilijke zaken voor een Jolink. En dat zit hem in de opvoeding. ‘Ik ben vreselijk dik met mijn ouders, en toch geef ik mijn moeder maar twee keer per jaar een zoen. Op haar verjaardag, en op die van mijn vader. We zijn nuchter. Het zelf doen, niet je zwakte tonen, altijd: stoer, stoer, stoer – dat zit er diep in, bij alle mensen hier eigenlijk. Dus depressiviteit, daar komt voor mij een hoop schaamtegevoel bij kijken.’ Maar aan de andere kant: ‘Wat ik vertel is wel oprecht. En nu met die film de kogel eenmaal door de kerk is, denk ik steeds vaker: ach, waarom ook eigenlijk niet?’

Vorig jaar vierde Normaal zijn vijfentwintigjarig jubileum. Al die tijd zetten zij jaar in jaar uit een lange rij feesttenten volledig op zijn kop. De ‘anhangers’ komen van heinde en verre, overal buiten de Randstad is de groep een instituut. In feite is het een ongekend succesverhaal, maar als het aan Bennie Jolink ligt, wordt het høken een voorzichtig halt toegeroepen. Hij heeft astma, en optreden vormt een zware aanslag op zijn gezondheid. Daarbij begint hij de feesttenten steeds meer als een muzikale beperking te ervaren. ‘We worden nog steeds een betere band, maar dat kan je niet laten horen, want het moet keihard. We nemen al jarenlang op onze cd’s ook rustigere, subtiele liedjes op, maar daar zitten ze in die tenten echt niet op te wachten. Natuurlijk is het ook lekker om een zaal plat te høken. Dat gevoel raak je niet kwijt. Maar het zijn vooral de collega’s die hem daar nog steeds stijf van krijgen. Voor mij is het niet genoeg meer, want uiteindelijk is het toch vrij leeg.’

Zijn noeste imago op het toneel heeft steeds minder te maken met wie hij werkelijk is, en dat wringt. ‘Op het podium heb ik nooit ergens last van, dan ben ik zo opgeladen als wat. De bus naar huis is ook nog altijd een feest. Maar soms, als ik na afloop van een concert niet kan slapen, maak ik nog een ommetje door het bos. En als ik daar dan loop in het donker, vind ik het opeens allemaal niks wat ik doe.’ Hij zucht. ‘Altijd maar dat høken, denk ik dan. Het is alsof ik een monster gecreëerd heb waar ik niet meer van afkom.’

Maar als Jolink vertelt over de oorsprong van dat monster, is hij plotseling weer een en al geestdrift. Het was in de zomer van 1975 toen Bennie Jolink tijdens het popfestival van Lochem tussen de Nederlands- en Engelstalige liedjes plotseling een blues inzette in onvervalst Achterhoeks. De openingszin luidde Ik zat laatst te driet’n op de plee. En was dat misschien een weinig verheffende tekst, de oren van het publiek waren meteen gespitst. Het was het eerste Nederlandse popnummer in dialect, en daarmee is een flink deel van de huidige hitparade nog altijd schatplichtig aan Normaal. ‘Een echt eureka-moment,’ herinnert hij zich. ‘Dit werd het! We gooiden meteen het andere repertoire overboord. Het nieuws verspreidde zich als een olievlek, iedereen wilde ons hebben. Nog voor we aan de opnamen van onze eerste plaat begonnen, waren we al beroeps.’Als je hier in het dorp op straat iemand niet groet, kan je hem eigenlijk net zo goed meteen op zijn bek slaan. 

Hij zong niet alleen in de streektaal, in zijn teksten sprong Jolink uitdrukkelijk op de bres voor de boer. Leve het platteland, duimen omlaag voor de stad. Het sloot indertijd goed aan bij Jolinks gemoed. Hij was na een studie aan de kunstacademie in Enschede naar Amsterdam vertrokken, maar een jaar later keerde hij teleurgesteld terug naar Hummelo, zijn geboorteplaats. Een boer, zo had hij ontdekt, moest op de grond wonen. ‘Ik heb in Amsterdam geen fijne tijd gehad. Ik verdiende geld als water, stak sigaren met een tientje aan, maar ik was eenzaam. Nergens zo eenzaam als in de grote stad. Als je hier in het dorp op straat iemand niet groet, kan je hem eigenlijk net zo goed meteen op zijn bek slaan. Dat is ongeveer even erg. Dus ik in Amsterdam maar knikken tegen iedereen die mij kant uitkeek. Maar ja, die Amsterdammers knikken niet terug.’

Hij werkte als ontwerper voor een hip theatergezelschap, waar hij was aanbevolen door mensen die het konden weten. ‘Ik was de angry young coming man, en in mijn fluwelen pakken stelde ik uiterlijk zeker niet teleur. Maar toen ik tijdens een vergadering een keer mijn mond open deed, zag je al die mensen denken: o, het is een boer. Teleurgesteld, alsof je met een accent onmogelijk iets intelligents kon zeggen.’ Het moment staat hem nog helder voor de geest. ‘Ik dacht: nou ben ik geïmponeerd, misselijke galbakken, maar ik krijg jullie nog wel.’

Een paar jaar later werd dat vertaald in de geuzenkreet Ik ben moar een eenvoudige boerenlul, een van Normaals vroegste hits. ‘Dat sentiment herkende iedereen, van Limburg tot Groningen. Voor de mensen hier uit de buurt begint het al in de grote stad Doetinchem, waar je naar school gaat. Daar heb je jongetjes die niet gewoon Piet of Willem heten, maar Bas of zo. Notariszoontjes, die je uitlachen om je accent. Die sneller zijn, zich makkelijker uiten. En als je dan enigszins in het verdomhoekje zit, iets van de minderwaardigheid voelt die ik op sommige momenten in Amsterdam voelde, dan ga je extra fel erop om er niet op te worden aangekeken.’ En dan, opeens verrassend nuchter: ‘Je kunt zeggen dat ik veel betekend heb voor dat geuzengevoel. Maar je kunt ook zeggen dat ik het schaamteloos heb uitgebuit. Want na een tijdje weet je: als ik dat en dat roep, zijn mijn klantjes, de høkertjes, weer dik tevreden.’

Tot eind jaren tachtig verliep de carrière van Normaal rimpelloos. Het succes hield aan, het bandje groeide uit tot een heus bedrijf. De tournees van de groep droegen krijgslustige namen als ‘Krachttoer’ of ‘Veldtocht’. En Bennie Jolink was voor de fans niet zomaar een rockheld, hij was de aanvoerder van de høkersmassa. ‘Ik ben zelf de schepper van dat beeld,’ zegt hij. ‘Dat weet ik dondersgoed. Maar ik kan er slecht tegen deel uit te maken van een massa. Ik ben een individualist, een buitenstaander, altijd geweest. Als kind al, toen ik vaak weken ziek thuis was. Later vond ik het heerlijk om alleen in de kroeg vanuit een hoekje mensen te observeren. Maar toen Normaal kwam, was ik het die werd aangestaard.’ En dat wil maar niet wennen. ‘Ik kom nooit meer ergens, ben echt een wereldvreemde kluizenaar geworden. Nageroepen worden op straat, dat is alsof je me met een zweep slaat. “He, Gerard Joling!” Vreselijk! Ik kan maar niet begrijpen dat zoveel mensen zo onbeleefd zijn.’

In 1992 kwam er een kink in de kabel. Na een zwaar auto-ongeluk was Jolink een tijdlang uit de roulatie. Een ‘legpuzzel’ was hij. De band draaide door, met Willem Duin als invalzanger, hij zat thuis niets te doen. ‘Achteraf gezien was dat mijn eerste depressie. Maar ja, dat was iets voor mietjes en zwakkelingen. Dus toen ik alles weer kon bewegen, stond gelijk de agenda weer vol. Hup, en door!’ Maar vier jaar later trok de man met de hamer echt aan de bel. Jolink was volledig ingestort. Hij at en sliep niet meer, slikte pillen. Het bericht dat Normaal ermee stopte, werd steeds hardnekkiger, al zegt Jolink nu dat hij dat in elk geval nooit heeft gezegd.

De aanleiding tot de crisis was een huizenhoog rock ‘n’ roll-cliché: gedonder met de manager. En dat voor de tweede keer. De problemen met de eerste manager dateerden al uit de jaren tachtig. Na zijn vertrek bleek Normaal, ondanks al het succes, geen cent in kas te hebben. Sterker, de groep had zelfs schulden. Die ruzie suddert nog altijd voort. Eerder dit jaar stonden de twee partijen weer tegenover elkaar in de rechtbank. Normaal was eerder weliswaar in het gelijk gesteld, maar het betrof een civiele procedure, geen strafrechtelijke. ‘Dus het woord fraude mocht ik niet gebruiken,’ zegt Jolink met vuurspuwende ogen. ‘Als ik nou twee letters uitspreek van de naam van die laffe, minne gluiperd, dan moet ik 25.000 gulden betalen.’

Dat het weer misliep was voor Jolink niet te verkroppen, ook al was het ditmaal minder ingrijpend. ‘Ik ben een control freak, wil alles zelf in de hand houden. Alleen: voor de cijfertjes heb ik een blinde vlek. Nu zat ik vol achterdocht, verweet mezelf van alles. Je hebt weer de kat op het spek gebonden, lul, omdat je er zelf geen zin in had.’In een feesttent gaat het over neuken en motoren. Dat hoort zo. Je moet niet aankomen met gebazel van: ik hou van jou. 

Harde klappen waren het, vooral op het menselijk vlak. ‘Je ziet iemand als een vriend, je trekt dag en nacht samen op. En dan vooral ik, omdat we vaak met zijn tweeën naar Hilversum moesten. Dan maak je plannen, je houdt het vijandbeeld in stand. Wij tegen de rest van de wereld. En later blijkt dat hij je met voorbedachten rade aan alle kanten heeft genaaid.’ Hij kijkt naar buiten. Een gele kikker hopt vrolijk voorbij. Jolink schudt vertwijfeld zijn hoofd. ‘Dat ongeluk van twee jaar geleden, waarbij ik toch nog vijf ribben en een borstbeen brak – ik denk er nooit meer aan. En op feestjes vertel ik graag over het motorongeluk in Marokko, toen ik echt bijna dood was. Maar dit kan ik nog steeds moeilijk verwerken. Echt, ik was ooit vrij naïef en optimistisch, maar nu helemaal niet meer. Mijn vertrouwen in mensen is verdwenen.’

Maar Jolink weet inmiddels tenminste hoe het werkt, zo’n depressie. Rust heeft hij nodig, en orde. ‘Te laat komen, dingen in de verkeerde volgorde doen, dat is fobisch voor mij. Als ik me slecht voel, maak ik lijstjes met wat ik moet doen. Al kan dat ook juist een verlammende werking hebben. Wanneer ik nu dreig vast te lopen, dan volg ik een gezondheidsprogramma. Hardlopen, algehele ontalcoholisering, en voor je het weet is het: kom maar op allemaal! Dan overdrijf ik meteen weer. Maar gelukkig heeft onze nieuwe manager dat heel goed in de gaten.’

Sinds 1996 wordt het aantal optredens in feesttenten langzaam teruggeschroefd. Minder, maar groter, is het devies. Maar de toekomst van Normaal ligt volgens Bennie Jolink in het theater. Vorig jaar speelde de groep voor het eerst het akoestische programma Effe Zitten, en dat is uitstekend bevallen. ‘Sinds mijn soloplaat Howlin’ at the Moon ben ik mezelf als zanger iets meer gaan waarderen, omdat ik voor het eerst niet stond te schreeuwen. In het theater kan ik dat kwijt. Ik hoor alles wat de collega’s spelen, en de sfeer is totaal anders. In een feesttent gaat het over neuken en motoren. Dat hoort zo. Je moet niet aankomen met gebazel van: ik hou van jou. Dan krijg je meteen een regen van natte T-shirts naar je hoofd. “Hé, waarom høken we niet gewoon door?” Nou schreef ik ook zelden over liefde, of sterker nog, ik kreeg het mijn bek niet uit, maar de laatste tijd begint dat te veranderen.’

Een flinke stap

De film fungeert daarbij als katalysator. Van den Engel had opgemerkt dat hij wel een persoonlijk getinte ballade kon gebruiken, en thuis in de schuur rolden er zo twee uit. ‘Ik kom altied weer terug’ bleek zeer geschikt als titelsong. ‘Het is nogal een revolutie voor mij,’ zegt Jolink aarzelend. ‘En ik durf nog niet te zeggen of ik het nou zo’n te gek liedje vind. Misschien dat we het in het theater gaan spelen, maar dan wel ingebed tussen een paar flinke grappen.’ Anders durft hij het niet. Straks wordt hij nog voor klef versleten.

Het is een flinke stap, van ‘Stront is mien business’ of ‘De boer dat is den keerl’ naar een gevoelige countrysong met het venijn in de staart. De titel mag optimistisch klinken, Jolink eindigt in mineur. Ik geloof mezelf niet als ik zucht: ik kom altied weer terug. Lees daarin maar gerust een weerslag van de afgelopen tijd. ‘Ik zat met een gitaar op schoot dat liedje te herhalen, en dacht: ja ja, je zingt dat nou wel, dat je altijd terug komt, maar verdomme, het was af en toe wel kantjeboord.’

’s Avonds serveert echtgenote Ellie soep en piekfijne sukadelapjes. Als opa Jolink ook nog een kus krijgt van zijn kleindochter, klaart zijn licht melancholieke stemming zichtbaar op. Er zit verandering in Normaal, verklaart hij stellig. Langzaam, maar onmiskenbaar. Hij broedt op plannetjes voor de nieuwe theatershow, het voelt weer als een uitdaging. Op deze manier, zegt hij, wil hij ook nog wel een tijdlang zo’n tien, twintig keer per seizoen in de huid van Buizen Beernd kruipen.

Maar mocht het grote høken ooit ophouden, dan staat in zekere zin de troonopvolger al klaar. Jolinks zoon Gijs is voorman van het in de provincie zeer populaire Jovink & de Voederbietels. De fanschare van de twee groepen overlappen elkaar aardig. Bovendien is Gijs net als zijn vader een onvermoeibare organisator. Is Normaal jaarlijks de gastheer van het Oerkracht-festival, de Jovinks zetten daar de ‘Zwarte Cross’ tegenover. En vond pa het aanvankelijk maar niks– hij vreesde dat Gijs zijn studie eraan zou geven – inmiddels is hij trots ‘als een hond met zeven lullen’. ‘Kranten en tv-programma’s verdringen zich om ons samen te kunnen interviewen, maar Gijs vertikt het om de zoon-van te zijn. Dat vind ik sterk. Hij komt er zo ook wel.’

En Jolink heeft zijn eigen bandje om zich druk over te maken. Klokslag acht uur wandelen de groepsleden van Normaal de hooibergschuur binnen om te vergaderen over de komende tournee. Als laatste de omvangrijke oudgediende Willem Terhorst. Nadat God hem had geschapen, moet de mal met ‘bassist’ zoekgeraakt zijn. Het is een genoeglijk samenzijn. Plannen vliegen over tafel, suggesties voor te spelen liedjes worden enthousiast onthaald. Als ze het eens zijn, loopt Bennie Jolink naar de ijskast. In het gezelschap van de leden van Normaal, denk je te weten waar dat op uitdraait. Ze hebben nogal een reputatie hoog te houden. Maar even later zitten vijf mannen tevreden te nippen van flesjes limonade en kopjes koffie. In het epicentrum van het høkwezen is het enige biertje bestemd voor de journalist.