De onlangs met de Constantijn Huygens Prijs bekroonde schrijver Atte Jongstra heeft een grote voorkeur voor absurde kennis. Dat blijkt ook uit zijn nieuwe boek Het fluïde tijdperk, maar daarin is het hem toch ook ernst.
Atte Jongstra wilde oorspronkelijk kapitein op een groot vrachtschip worden. De wilde vaart. Hij had een abonnement op het zeevaartblad De blauwe wimpel en las boeken als de Scheepsmaat Woeltje-trilogie en Met Pieter Pikmans het zeegat uit. Toch vond de jonge Atte dat de zee stonk en had hij een hekel aan het strand. Van zwemmen moest hij ook niets hebben. Desondanks vulde hij op zijn vijftiende het wervingsformulier in voor de Koninklijke Marine. Wat hem weerhield op die weg voort te gaan was de man die op een zaterdagochtend bij zijn ouders op de koffie kwam om de werving te effectueren. Dit had hem te veel van ronselen.
Je kunt wel zeggen dat Jongstra vanaf het begin een platonische verhouding heeft gehad met water: ook het lezen over de avonturen van Pieter Pikmans was niet meer dan droogzwemmnen. Het bleef bij mijmeren boven zijn hengel: ‘aan mijn platoonse lijf geen nattigheid’. Wat deed Jongstra dan besluiten een boek te schrijven waarin alles stroomt: Het fluïde tijdperk? Bij Jongstra is alles systeemloos en hangt alles af van toevallen, intuïties, invallen en associaties, maar de bron van zijn fluïde denken is nauwkeurig aan te wijzen: het in 2014 verschenen en door hem ‘verrukkelijk’ genoemde boek Water van de filosoof René ten Bos. Dat wil niet zeggen dat Jongstra door dat boek gewonnen is voor het nat van het water, maar wel voor waar water voor hem is gaan staan: water als metafoor voor het vloeiende, stromende, niet vaste, flexibele, niet rechte, samensmeltende, soepele en niet-rationele.
Het bleef bij Jongstra bij mijmeren boven zijn hengel: ‘aan mijn platoonse lijf geen nattigheid’
Jongstra is voortdurend op zijn manier (ook in zijn romans) bezig met het schrijven van zijn autobiografie, maar iets specifieker deed hij het in de essays van Familieportret, De tak van Salzburg (‘Autobiografie van een lezer’) en in Klinkende ikken (‘Bekentenissen van een zelfontwijker’). Het fluïde tijdperk heeft een ondertitel die alle kanten op kan stromen: ‘Beeldende kunst, identiteit en ondernemen’. Maar ‘identiteit’ is het begrip waar het om gaat. Jongstra is vanaf het begin van zijn schrijverschap verweten dat hij wel zegt dat hij autobiografisch schrijft, maar dat hij zich in werkelijkheid voortdurend aan het ontwijken is omdat hij geen echte identiteit wil hebben: hij wil niet vastgelegd zijn, geen scherpe contouren hebben, niet voorspelbaar zijn. Hij wil fluïde zijn. Hij wil niet de kei zijn, maar de stroom. Hij gaat liever op in de vele vaak krankzinnige onderwerpen die zijn aandacht trekken. Hij verzinkt er in, gaat er in op, verdwijnt er in, valt ermee samen, alles om aan zichzelf te ontkomen: ‘Een ongeduldig mens’, zoals hij schrijft, ‘grenzeloos nieuwsgierig naar steeds weer iets anders: aanvullingen, tegenstellingen, uitbreidingen, nevenschikkingen, et cetera’s’.
Het fluïde tijdperk is een desperaat geheel aan stukken, beschouwingen, essays, uitweidingen en intieme dialogen (met zijn geliefde). Ze hebben allemaal meer of minder te maken met het idee dat alles fluïde is, dat alles stroomt, zoals Heraclitus al zei en zoals de voorsocratische filosoof Thales meende: ‘Alles is één, alles is water’. Die fluïditeit zie je bij Jongstra aan het werk wanneer hij al googelend, al bladerend en zijn intuïties volgend op zijn onderwerpen komt: hij stelt zich de vraag of het schip van Theseus zijn identiteit verliest wanneer elke dag een plank vernieuwd wordt. Is het dan nog hetzelfde schip? Hij vraagt zich af of het harde licht van Jan Weissenbruch protestants is. En of het licht van de Duitse schilder August Wilhelm Leu katholiek en vloeiender is omdat Joseph Alberdingk Thijm het zo mooi vond. Hij verdiept zich in de geschiedenis van de rollator en komt uit bij het rollende rekje op een schilderij van Jeroen Bosch. Hij wordt begeesterd door het golven spattende schilderij Wat een vrijheid van Ilja Repin. Hij wijdt tot vervelens toe uit over Louis Paul Boons verzameling blote vrouwen plaatjes, de Fenomenale feminateek. Jongstra ziet er uiteindelijk niet veel in (‘eigenlijk wel niet zo heel fenomenaal’). Hij heeft het over Toulouse-Lautrec van wie hij een foto heeft gevonden terwijl hij op zijn rug in het water ligt. Hij ziet iemand die volledig in iets opgaat: ‘Dit is baden. Watergevoel opdoen. Mare liberum. De mens is vrij, vrij de zee.’
Als Jongstra het over Jules Verne en de Nautilus heeft, de duikboot van kapitein Nemo, citeert hij het motto van het schip: ‘Mobilis in mobili, bewegen temidden van beweging, met beweging meebewegen.’ De verteller van Twintigduizend mijlen onder zee, de door Jongstra arrogant genoemde Aronnax, is een kritisch-wetenschappelijk positivist die de inhoud van het motto geleidelijk begrijpt en ‘vloeibaarder’ wordt, ‘meer bevattelijk voor iets als menselijkheid en onderling vertrouwen.’ Dat spreekt de nieuwe, vloeibaardere Jongstra aan. De door wetenschap en uitvindingen gefascineerde Jongstra blijkt nu een aanhanger van het holisme. Hij wil niet rationeel ontleden, maar wil alles heel laten, alles wil hij laten samensmelten. Niet scheiden, maar verbinden.
‘De wind bestaat in haar waaien, de stroom is het lopende water. Ik ben óók wat ik doe – ik besta in mijn vertellen.’
Op onverwachte momenten duiken gesprekken op tussen Jongstra en zijn geliefde Erminie (‘een bijzondere, kleurrijke vrouw’). Onderwerp van gesprek is meestal Jongstra’s karakter en eventuele identiteit. Jongstra, zo wordt hieruit duidelijk, is volgens haar door de jaren heen minder ‘hoekig’ geworden, ‘niet meer zo fanatiek, meer vloeibaar, beweeglijker.’ Jongstra is dus op weg een gerespecteerde inwoner van het (nog niet bestaande) fluïde tijdperk te worden. In gesprek met zijn geliefde vat hij het probleem van zijn identiteit zo samen: ‘De wind bestaat in haar waaien, de stroom is het lopende water. Ik ben óók wat ik doe – ik besta in mijn vertellen.’ Dat vertellen is een labyrint van associaties.
Door Jongstra’s voorkeur voor de krankzinnige en parodistische kanten van wetenschap en kennis heeft Het fluïde tijdperk uitgesproken patafysische kanten. Hij levert er zelf een bijdrage aan door het principe aan te hangen dat de dingen moeten versmelten, dat ze niet iets op zichzelf (met een identiteit) blijven. Hij heeft het over de ‘versmolten werkelijkheid’ op de schilderijen van J.M.W. Turner, de schilderijen waarop alles in elkaar overloopt, vervaagd is, opgaat in de mist. Hij noemt dat ‘de poëzie van de vage contouren’. Hij wil er zelfs een Duits woord voor gebruiken: Verquickung, innige verbinding aangaan. Bij Jongstra gaat alles voortdurend verbindingen aan (het moet stromen), hij associeert maar door.
Dat maar door associëren, dat googelen en bladeren tot hij iets tegenkomt dat hem wel aardig lijkt, leidt soms tot Sterniaanse springerigheid en tot ruis in de tekst. Er ontbreekt dan iets dwingends. In Het fluïde tijdperk weet Jongstra de ruis aardig te beperken met zijn verrassende onderwerpen en associaties. Er zit min of meer lijn in het boek doordat hij steeds terugkomt op het idee van de fluïditeit. Jongstra komt hierdoor steeds dichter hij zichzelf in de buurt. Hoe uiteenlopend zijn onderwerpen ook zijn, hij weet ze naar zijn universum toe te halen. Door zijn manier van vertellen begint hij ook aardig wat identiteit te krijgen, ook al moest hij daar een soort holist voor worden.
Het fluïde tijdperk van Atte Jongstra is uitgegeven door De Arbeiderspers.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.