De bekendste priester van Nederland Antoine Bodar is een erudiet die zich over alle denkbare wereldse onderwerpen uitlaat, ook in zijn nieuwe boek Geborgen in traditie. Tegelijk pleit hij voor minder werkelijkheid en meer sacraliteit. Net zoals schrijver Willem Jan Otten lijkt hij te denken dat er zonder het geloof niks van de wereld overblijft.
In zijn Kees Fens-Lezing Leven om te lezen, lezen om te leven vertelde Willem Jan Otten vorige week dat hij zich vreselijk aan Kees Fens had geërgerd in de tijd dat hij bezig was katholiek te worden. Kees Fens was voor hem toen een van die mensen die het geloof aan het relativeren waren. De christelijke religie was een ruïne geworden waarvan de brokstukken alleen nog om historische en esthetische redenen werden bestudeerd, niet om de religie zelf. Aan dat inzicht had een aanstaande bekeerling helemaal geen behoefte. Die wilde het pure, ware geloof. Die ging het om de werkelijke aanwezigheid van God.
Otten neigde er in die tijd toe om Fens op één hoop te gooien met ‘zijn generatiegenoten die van de moederkerk waren weggedreven en die liever bevrijd, verweesd en zondeloos waren dan weer op de knieën te gaan om de aloude schuld te belijden en de vermoorde Godmens om vergeving te vragen.’
Complete geloofsbelijdenis
Dat Kees Fens het instituut van het christendom ging zien als een ruïne was niet zo gek. Daar waren genoeg redenen voor, onder meer zichtbaar aan het leeglopen en verdwijnen van de kerken. Ook de vele misbruikschandalen waren niet bevorderlijk voor het beeld. Maar zijn persoonlijke religieuze gevoelens en ideeën relativeerde Fens niet. Die maakten deel van hem uit, ook al was hij er nooit zo uitgesproken over. In het stuk over Augustinus uit Leermeesters dat Otten ter sprake brengt, onderschrijft Fens bijna terloops dat hij gelooft in de zondigheid van de mens, dat het leven een ’tussentijd’ is (en hij dus in een hiernamaals gelooft), dat de kerk een ‘woonplaats voor zwakkelingen’ is, en dat ze uitzicht hebben op het ‘hemels Jeruzalem’. Dit is in een paar zinnen een bijna complete geloofsbelijdenis, waarin niets gerelativeerd wordt. Wat overigens niet wegneemt dat Fens zich als literair criticus helemaal niet liet leiden door zijn geloof. Het ging hem daarin om de literatuur, niet om het geloof.
Antoine Bodar, zogezegd de bekendste priester van Nederland, moet ook niets van het relativeren van het christelijk geloof hebben. Net als voor Otten is het geloof voor Bodar niet alleen iets persoonlijks, maar iets dat meer mensen gemeenschappelijk moet bezighouden, het liefst een hele cultuur. Anders dan Kees Fens leggen Otten en Bodar zich er niet bij neer dat in Europa het geloof als instituut is vervangen door een persoonlijk geloof in een vaag ‘iets’. Otten gaat in zijn Fens-Lezing zo ver dat iedereen zou moeten leven in het besef ‘zondig’ te zijn en zich ‘schuldig’ te voelen. Dat is iets anders, en iets ingrijpender, dan het menselijke besef dat de wereld niet volmaakt is, en dat iedereen daarin een aandeel heeft. Dat is voor Otten niet genoeg, we moeten ervoor op de knieën, boete doen.
Menselijk besef van onvolmaaktheid is voor Otten niet genoeg, we moeten ervoor op de knieën, boete doen.
Antoine Bodar legt minder nadruk op schuld en lijden. Hij vindt wel dat we ons niets moeten verbeelden in het licht van het mysterie van God. Maar hij verklaart met beleefde arrogantie iedereen min of meer voor gek die zich heeft afgewend van tweeduizend jaar christelijke cultuur, traditie en gemeenschapszin. Bodar voelt zich niet schuldig en ook al stelt hij zich ten opzichte van God bescheiden op, daarbuiten, in de wereld, is dat een houding die hem niet vertrouwd is.
In het laatste hoofdstuk van Geborgen in traditie schrijft hij dat het tijd wordt dat de christenen en de ‘nieuwe heidenen’ in Europa eens ‘ontwaken uit hun slaperige vadsigheid en weer verantwoordelijkheid kiezen in ons veranderende werelddeel en aldus weerstand bieden aan de flauwekul van alledag.’ We kunnen een voorbeeld nemen aan moslims, schrijft Bodar. Die nemen hun geloof serieus en lijden niet aan ‘de eindeloze westerse kwaal van het relativisme’. Christenen ‘waarderen in moslims dat zij zich aan Gods verborgen raadsbesluiten in navolging van Abraham willen onderwerpen.’
Alles of niets
Dit heeft iets weg van chantage: wanneer wij weigeren zo godsvruchtig te zijn als de moslims zal alles waar het christendom voor heeft gestaan verdwijnen. Bodar suggereert dat we dan met lege handen komen te staan, niets meer hebben om op terug te vallen. Het is alsof het bij Bodar het Christendom of het Niets is. Hij vergeet dat mensen die niet geloven zo hun eigen manier hebben om betekenis te geven aan waar ze mee te maken krijgen. Die hechten zich aan van alles: aan mensen, ideeën, onderlinge verhoudingen, literatuur, kunst, verschillende culturen. Maar dat is Bodar te banaal. Van het hedendaagse humanisme moet hij ook niets hebben. Het humanisme ontbeert het ‘sacrale’ en de ‘verinnerlijking van het Godsbegrip’. Voor Bodar is het humanisme te veel zijn eigen weg gegaan. Het heeft onderweg het christendom losgelaten en mensen zelfstandig gemaakt. Bodar heeft het over ‘neoheidens humanisme’, daarmee ruim gebruikmakend van de ongunstige klank die het woord ‘heidens’ heeft, alsof er eigenlijk ‘nihilisme’ staat.
We kunnen een voorbeeld nemen aan moslims, schrijft Bodar. Die nemen hun geloof serieus en lijden niet aan ‘de eindeloze westerse kwaal van het relativisme’
Het lezen van de essays, lezingen en columns die Bodar in Geborgen in traditie verzamelde is overigens geen straf. Ook al koketteert hij vaak met archaïsche woorden en gedragen zinsconstructies, Bodar schrijft niet religieus-routineus en heeft duidelijke en erudiete inzichten. Ze zijn alleen niet altijd zo realistisch. Hij vindt bijvoorbeeld dat er eigenlijk één Kerk zou moeten zijn en dat al die verschillende protestanten daar terug naar zouden moeten keren. Bodar heeft wel oecumenische sympathieën, maar het katholicisme blijft de Moederkerk. Bodar is, net als de vorige paus Benedictus, voor het ‘ontwerkelijken’ van het geloof. Hij wil meer nadruk op het onwereldse van de kerk en op het persoonlijk ‘verkeren met God’.
Grote spirituele ‘ikken’
Daarom heeft hij weinig affiniteit met de huidige paus Franciscus. Die is hem te gewoon, te ‘lomp’, te weinig een geestelijke (wel ‘een ideale opa’), en te veel iemand die ook de heidenen aanspreekt omdat hij zich speciaal druk maakt over de armen, wat Bodar goedkoop en sentimenteel vindt. Niet onredelijk, maar ook lichtelijk sardonisch zegt hij: ‘Zou het niet meer de gerechtigheid dienen indien ook de armen van hun armoede worden verlost in plaats van ons allen armoede op te leggen?’ Van mensen met te grote ‘ikken’, die tegenwoordig zo graag ‘spiritueel’ willen doen, heeft Bodar een staande afkeer, hij krijgt er zelfs ‘onmiddellijk uitbrekende allergie’ van.
Van mensen met te grote ‘ikken’, die tegenwoordig zo graag ‘spiritueel’ willen doen, heeft Bodar een staande afkeer, hij krijgt er zelfs ‘onmiddellijk uitbrekende allergie’ van.
Zo stellig geloven als Bodar en zich zo sterk maken voor de culturele betekenis van het christendom, betekent dat je soms in moeilijkheden komt omdat in overgeleverde teksten soms dingen staan waar je anders over wilt denken. Bodar wordt ongebruikelijk rooms wanneer hij het heeft over de uitspraak ‘Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren’ (Mattheus 22:14). Voor calvinisten is dat een canonieke uitspraak: je bent uitverkoren door God of niet. Niet uitverkoren? Dan heb je pech gehad. Volgens Bodar wordt er het omgekeerde mee bedoeld: dat iedereen uitverkoren is: ‘Uitverkorenheid beduidt het inzicht dat velen – in feite allen – door God worden bemind en niet alleen weinigen.’ Het kan heel goed zijn dat Bodars God van iedereen houdt (wie zal het zeggen), maar in de uitspraak zelf is dat niet het geval.
Terug naar traditie
Apologetische gelovigen en uitgesproken verdedigers van het geloof zoals Willem Jan Otten en Antoine Bodar, hebben de neiging te denken dat de wetenschap de werkelijkheid inpoldert met rationale verklaringen en dat er niets van het mysterieuze en onbegrijpelijke van de wereld overblijft. In werkelijkheid wordt de hoeveelheid wonderbaarlijkheden door de wetenschap alleen maar groter. Elke ontdekking is de ontdekking van iets dat niet eerder bestond. Ze denken ook dat naast het geloof alleen een lege woestijn van ongeloof bestaat, terwijl zeker tachtig procent van de literatuur van ongelovige schrijvers afkomstig is. En die hebben iets te vertellen. Er is veel niet-poëtisch aan deze tijd, maar hem ‘antipoëtisch’ noemen, zoals Otten doet in een interview in de Volkskrant, is niet willen zien wat er te zien valt.
Er is veel niet-poëtisch aan deze tijd, maar hem ‘antipoëtisch’ noemen, zoals Otten doet, is niet willen zien wat er te zien valt.
Er mag in het geloof misschien veel te beleven zijn, het leven terugbrengen tot het geloof is net zo’n reductie als alles terugbrengen tot het brein. Antoine Bodar schrijft dat het seculariserende Europa zich steeds meer verwijdert van zijn traditie en zijn diepe christelijke oorsprong. Hij weet, maar lijkt te willen vergeten dat die traditie zich vanaf de zestiende eeuw heeft veranderd, vernieuwd en verrijkt, onder meer met de Klassieke Oudheid. De eeuw vóór de vernieuwing door de Renaissance en de Reformatie, de vijftiende, is zijn favoriete eeuw: die bereikt ‘zijn evenwichtige hoogtepunt’. Bodar wil geen verandering of vernieuwing, zoals de titel van zijn boek al zegt. Ook al wil hij formeel dat er altijd ‘kritisch’ naar de traditie gekeken wordt, hij wil vóór alles de geborgenheid. Maar er bestaat ook zoiets als de traditie van het nieuwe.
Geborgen in traditie door Antoine Bodar is uitgegeven door Ambo/Anthos.
De Kees Fens-Lezing Leven om te lezen, lezen om te leven door Willem Jan Otten is uitgegeven door Athenaeum-Polak & Van Gennep.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.