Anneke Brassinga kreeg onlangs wel de P.C. Hooft-prijs voor poëzie uitgereikt, maar haar poëzie is eigenlijk niet te isoleren van haar beschouwend proza, zoals beoefend in Hartsvanger, Hapschaar, Het zere been, Bloeiend puin en het zojuist verschenen Grondstoffen.

Dat Anneke Brassinga haar nieuwe bundel essays Grondstoffen opdraagt aan de herinnering van maar liefst vijf mensen wil zeggen dat zij geen moeite heeft met schatplichtigheid. Zij kreeg dit jaar de P.C.Hooft-prijs voor poëzie omdat ze door de jaren heen (ze debuteerde in 1987) is ‘bemoedigd’ door K.L. Poll, Hugo Verdaasdonk, Rudy Kousbroek, Jacq Vogelaar en Erik Menkveld. Schatplichtigheid en bewondering zitten in de nervatuur van Brassinga’s verhouding tot het schrijven en de literatuur. Zinnen van andere dichters schemeren regelmatig door haar eigen gedichten en dat wordt ook altijd punctueel verantwoord. Als vertaalster lijft ze al de schrijvers die haar bevallen in, ze vereenzelvigt zich tot op zekere hoogte met ze. Nabokov, Diderot, Melville, Broch en Beckett zijn als uit bewondering gekozen familieleden. ‘Leren bewonderen is prettig’, schrijft ze in Het zere been, ‘zoals leren zwemmen prettig is, het geeft een zekere trots het te kunnen, een goede verstaander te zijn.’

Des te interessanter wordt het wanneer Brassinga op schrijvers en dichters stuit door wie ze geïntrigeerd wordt, maar die ze uiteindelijk niet als een verwante geesten beschouwt, zoals de dichter J.C. Bloem en de Zwitserse schrijver Robert Walser. Volgens Brassinga mag een mens god op zijn blote knieën danken als hij zich een hele dag of een hele week achtereen onbekommerd heeft gevoeld. Maar dat gunt een dichter als Bloem ons niet, nee ‘hij wil dat wij jaren schreien’. ‘Bloem lezen benevelt de zinnen, legt het denken lam, smoort de levenslust in noodlottige somberheid’, schrijft ze in Het zere been.

Denis Diderot, geschilderd door Louis-Michel van Loo.

Iets dergelijks doet zich voor bij Robert Walser, de schrijver die zichzelf en zijn handschrift zo klein maakte dat hij uiteindelijk niet meer schreef en drieëntwintig jaar alleen nog maar wandelde, liefst in de sneeuw. ‘Het is dus gevaarlijk om Walser te lezen’, schrijft Brassinga, ‘Je raakt er al je ambities en kippendrift bij kwijt, je voelt je verleid de kleinheid en onmetelijkheid die je zelf als kind ook hebt gevoeld, weer in te gaan.’

Zowel bij Bloem als bij Walser, en zelfs bij het lezen van Proust, voelt Brassinga zich gevangen, ze smoren haar levenslust, ambitie en kippendrift. ‘Bij Proust staat alles in het licht van de ontgoocheling en ontmaskering’, en daar wil ze zich niet door laten aansteken. Ze zet hem tegenover de Russische dichter Osip Mandelstam, ‘het levend tegendeel. Hij vlucht niet in begoocheling noch in bezwering, de angst versterkt het besef van wakker en aanwezig zijn, geeft moed.’

Anneke Brassinga geeft Bloem, Walser en Proust gelijk dat er alle reden is voor angst en noodlottige somberheid, maar ze wil haar ambitie en kippendrift niet kwijt. Ze weigert op hun manier aan de somberheid toe te geven. Ze wil het niet verwoord zien in de woorden van Bloem, met hun ‘behaaglijke mijmerdiepte’: ‘Altijd november, altijd regen,/altijd dit lege hart, altijd’. Bij zulke regels moet Brassinga zich weerhouden om niet uit het raam te springen.

Hetzelfde bij een dichter als Rutger Kopland ‘die de brekelijkheid des levens op warme toon verwoorden en daarmee de bedroefde lezer als het ware een meevoelend hart onder de riem steken.’ Ze zegt wel dat er niets tegen poëzie is die als een goed glas port naar binnen glijdt, er is immers grote behoefte aan een ‘poëzie van de troost, van het slaapmutsje’. Maar ze geeft toch ernstig de voorkeur aan dichters ‘die de trampoline van de taal niet kunnen missen om juist het vitale en bijna explosieve van rouw (die immers altijd voortkomt uit liefde zo niet hartstocht) uit te buiten’ (Het zere been). Woorden als ‘vitaal’ en ‘verkwikkend’ zijn van toepassing op de essays van Brassinga. Ze is altijd met zichzelf in gesprek, op een manier die haar vertrouwd is van Diderot. Die houdt in zijn hele oeuvre ‘de onbedwingbare spraak en tegenspraak hoog’.

Samuel Beckett in 1977

Bloem en Kopland zetten de ervaring en emotie volgens Brassinga niet om ‘in iets van andere orde, andere substantie, namelijk het gedicht, dat een ding is waar de dichter schroefjes in draait, waar hij als een timmerman klappen met de hamer op geeft, aan bijspijkert, in de hoop dat het zal gaan leven, dat het een ademende ordeverstoring wordt die de dood tart.’ Poëzie die als een goed glas port naar binnen glijdt komt hiermee tegenover het andere uiterste te staan, poëzie die de neiging heeft hermetisch te worden, een gevaar dat Brassinga meestal weet te omzeilen, al kan ze soms cryptisch zijn.

Brassinga dankt haar poëtica aan het feit dat ze als puber niet Hélène Swarth heeft gelezen, maar Lucebert. Van hem heeft ze geleerd dat ‘alles mag, alles behalve lezers afschepen dan wel verleiden met voorgebakken sentiment.’ Een voorkeur voor Lucebert betekent meteen dat taal een veel zelfstandiger rol speelt, dat het gedicht een taallaboratorium wordt. Wie de poëzie van Brassinga leest ‘stapt binnen in een geestverruimend heelal van taal’, zoals het juryrapport van de P.C. Hooft-prijs zegt.

Dat is ook de reden dat ze zich hierin verwant voelt met Diderot, wiens ‘grote kracht’ het is om zichzelf te observeren ‘terwijl hij door emoties wordt overmand’. Het gaat er om wakker en aanwezig te blijven ondanks tragiek en pijn, om stoïcijns te zijn zoals Jacques de fatalist in de gelijknamige roman van Diderot en als Molloy, de zwerver van Samuel Beckett. Dát is wat een appèl doet op Brassinga’s ‘toegewijde verrukking’.

 

Grondstoffen is, tegelijk met Wachtwoorden, Verzamelde, herziene gedichten 1987-2015, verschenen bij De Bezige Bij.