Interview Onno Ruding
Halverwege het gesprek over het Nederlandse Europabeleid zegt Onno Ruding: ‘Ik geloof dat ik mij nu ga opwinden!’ Het is goed dat hij dat aankondigt, want zijn uiterlijk verraadt niets van enige opwinding. Het is zijn manier om grote ergernis te ventileren over het optreden van de Nederlandse regering na het ‘nee’ tegen het Europese grondwettelijk verdrag bij het referendum van juni 2005. Van voortrekker in de Europese eenwording is Nederland dwarsligger geworden.
Ruding, oud-minister van Financiën en oud-topbankier: ‘Wat mij zorgen baart, is dat de regering, destijds Ben Bot voorop, sinds het referendum beweert dat Nederland niet geïsoleerd staat in Europa. Dat de andere lidstaten begrip hebben voor onze positie. Dat is tegen beter weten in gezegd. Ik hoor voortdurend om mij heen: “Wat is er met jullie aan de hand? Jullie plaatsen je buiten het debat!” Dat het referendum een negatieve uitslag bracht, dat kan gebeuren, maar probeer de schade dan te herstellen. In plaats daarvan is het kabinet verlamd, bang om een standpunt in te nemen dat het eigenlijk graag zou innemen. Maar met zwijgen is het probleem niet opgelost. De discussie over een nieuw Europees verdrag gaat door, zeker sinds Frankrijk dankzij president Sarkozy het initiatief naar zich toe heeft getrokken. Als het kabinet denkt dat het geen probleem heeft omdat Nederland altijd in het centrum van Europa zat, als een van de founding fathers, dan vergist het zich.’
We spreken Ruding in zijn Haagse pied-à-terre, aan de vooravond van de Europese top. Onder het Duitse voorzitterschap proberen de regeringsleiders en staatshoofden van de EU deze week in Brussel de impasse te doorbreken in de onderhandelingen over een nieuw Europees samenwerkingsverdrag. Dat verdrag is onontbeerlijk om de EU, met nu zevenentwintig lidstaten, slagvaardig en bestuurbaar te houden. Ruding, minister van Financiën in de kabinetten-Lubbers I en II (1982-1989) en daarna topman van de Amerikaanse Citibank, woont tegenwoordig in Brussel, waar hij zich als voorzitter van het centrum voor Europese politieke studies CEPS in het Europadebat heeft gemengd. De CDA’er is net als zijn geestverwante oud-collega’s Frans Andriessen en Hans van den Broek zeer kritisch over het Nederlandse optreden, óók over dat van premier Balkenende.
De kritiek op Balkenende is dat hij na het referendum heeft verzuimd namens het kabinet het initiatief te nemen. Hij heeft ook geen poging ondernomen de valse indruk weg te nemen dat het grondwettelijk verdrag de basis van een Europese superstaat moest leggen.
‘Ik ben het eens met die kritiek. Hij is, samen met Bot, passief geworden. Het is goed dat de regering met het referendum heeft geluisterd naar de burgers. Het probleem is dat aan het luisteren geen einde is gekomen. De taak van een regering is te zeggen: “Ik heb geluisterd en ik trek de volgende conclusies.” In plaats daarvan maakt zij nu de Eurosceptische boodschap van de oppositie tot de hare. Ik geloof dat ik mij nu ga opwinden! Laten we er geen doekjes om winden dat het kabinet, zowel het vorige als het huidige, bang is voor de oppositie in de Tweede Kamer. Het wordt beheerst door angst. Nu weet ik ook wel dat een kabinet rekening moet houden met de oppositie, maar dat betekent toch niet dat het bij voorbaat moet capituleren. De oppositie heeft wel vaker bezwaren.’
U zegt ‘oppositie’, maar u bedoelt de SP?
‘Ja, vooral de SP. Van de VVD is het tegenwoordig überhaupt niet duidelijk meer welke lijn zij inzet. De SP, en ook die partij van Wilders. Die staat aan de andere kant te blaten. Ook een grote rol speelt de angst van de PvdA voor de SP, angst voor stemmenverlies. Tja, in mijn jaren als minister wisten we wel dat we door onze hervormingsmaatregelen wat stemmen zouden kwijtraken. We hoopten de kiezers alsnog te kunnen overtuigen. Bij voorbaat onderuitgaan, dat noem ik angst.’
Op zich deelt Ruding de Nederlandse bezwaren tegen de ‘grondwettelijke poespas’ in het oorspronkelijke document, zoals een Europese vlag, volkslied en andere elementen die de indruk wekken dat het verdrag de constitutie van een Europese staat is. ‘Andriessen, Van den Broek en ik, wij zijn geen eurozeloten. Men mag best kritisch zijn, maar constructief kritisch. Nederland heeft gelijk dat het zich verzet tegen dat grondwettelijke symbolisme in het verdrag. Dat halen we deze week op de Europese top ook wel binnen, verwacht ik. Maar stop daar dan, overvraag niet, neem niet het risico dat Europa in een impasse raakt. Nederland draagt bij aan dat risico door de eis van een vetorecht voor nationale parlementen zwaar aan te zetten, wat anderen wel de ‘rode kaart’ noemen. In een EU van zevenentwintig landen is het op straffe van volledige bewegingsloosheid ondoenlijk elk land het recht te geven Europese wetgeving te blokkeren. Dat heeft Nederland in naam van de Europese gedachte nooit gewild, waarom dan nu opeens wel? Nederland staat met die eis helemaal alleen.
‘Ik zou het toejuichen als de regering aan de burgers duidelijk zou maken hoever Europa kan gaan. Laat haar nu eens klip en klaar zeggen dat Europa goed is voor het concurrentiebeleid, het handelsbeleid, de monetaire unie, maar zich beter niet kan bemoeien met cultuur. Dat wil ik ook niet. Zeg dat dan tegen de bevolking, neem die zorg weg, maar zeg ook dat we op andere terreinen juist behoefte hebben aan méér Europa. Ook de nee-stemmers zullen willen dat die oude mevrouw in Crooswijk die een klap op d’r kop krijgt als ze ’s avonds buiten loopt, meer veiligheid krijgt. Het staat voor mij als een paal boven water dat de Europese landen meer gezamenlijk beleid moeten voeren op het terrein van immigratie, asiel, terrorisme, misdaad. De Spanjaarden hebben een miljoen illegalen gelegaliseerd. Die kunnen morgen ook zomaar Nederland binnenlopen. Daarover kunnen we boos zijn, maar dat helpt niet. Beter is dat de EU-landen in deze kwesties één lijn trekken.’
Wat opvalt is dat het kabinet zijn inzet voor de Europese top tot in detail beargumenteert met een beroep op dé zorgen achter het ‘nee’ bij het referendum. Het beroept zich op de volkswil, maar niemand kan toch weten wat écht de motieven van de nee-stemmers zijn geweest?
‘U hoort mij die interpretatie van wat het volk wil of niet wil ook zeker niet verdedigen. Wat willen we nu? Nederland zal van een aanhoudende impasse over een nieuw Europees verdrag veel meer last ondervinden dan Spanje of zo, alleen al omdat wij een grote internationale handel hebben. De kans bestaat dat de tweeëntwintig voorstanders van het verdrag Nederland straks in de hoek deponeren waar Engeland al jaren zit. We zijn dan nog wel lid, maar dan als het vijfde wiel aan de wagen, met de status van een land als Polen. Deerniswekkend. Zonder invloed. In die categorie moet Nederland niet verzeild willen raken.’
Een pijnlijke scène bij het bezoek van Balkenende aan het Europees Parlement was dat hij aanvankelijk alleen instemming kreeg van het Vlaams Blok, de Poolse liga van gezinnen en andere eurovijandige groepen, zoals de SP. Balkenende zit in het kamp van een bende negativisten, zei voormalig CDA-Europarlementariër Arie Oostlander.
‘Dat is een goede kenschets. En dat willen we toch niet, tot dat kamp behoren. Tegen de mensen die tegen hebben gestemd, zou ik willen zeggen: “U vergeet dat u als persoon of als bedrijf dagelijks voordeel hebt van de EU.” Dat is niet de bankier of oud-minister van Financiën die dat zegt. Vergeet ook niet dat de EU met dit verdrag straks buiten de Unie met één mond kan spreken en zo grotere invloed in de wereld kan verwerven. Als een land tegen Amerika is, dan kan het veel lawaai maken, maar het komt niet ver als het dat in zijn eentje doet. Dit moet toch juist voor de mensen van de linkse kant een argument zijn, zij die zo kritisch zijn over dit Europese verdrag en ook over Amerika.
U wordt op uw wenken bediend, zou ik zo zeggen.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.