Khadija Arib wist nauwelijks wat haar overkwam toen ze in mei deelnam aan de Europese Conferentie van Kamervoorzitters in Luxemburg. Eerst was er een zitting in het European Convention Center op het Plateau de Kirchberg, vervolgens een audiëntie in het Paleis van de Groothertog, met alle voorzitters van de Europese parlementen, van de Franse Assemblée Nationale tot de Slowaakse Národná rada. ‘Ik kende er helemaal niemand,’ zegt Arib. ‘Maar zij hadden me allemaal gegoogeld, ze wilden allemaal weten hoe het mogelijk is dat juist in Nederland, waar al jaren zo’n fel debat over integratie wordt gevoerd en waar Geert Wilders zoveel steun heeft, uitgerekend de dochter van een Marokkaanse gastarbeider tot Kamervoorzitter is gekozen. Ik kreeg ook meteen uitnodigingen om in Zweden en in Frankrijk te komen praten. Ze willen allemaal dat ik langskom. Ik dacht: dit is toch een mooi visitekaartje voor Nederland.’

U bent een exportproduct geworden?
Schaterend: ‘Zoiets ja, net als kaas en tulpen!’

Als ze aan u vragen hoe het mogelijk is dat juist u als dochter van een gastarbeider Kamervoorzitter bent geworden, wat zegt u dan?
‘In het buitenland horen en zien ze vooral de negatieve verhalen. Toen ik in 2007 kort na de moord op Theo van Gogh in Marokko was, zei een taxichauffeur: “Jullie hebben een burgeroorlog hè? Heb ik gezien op Al Jazeera.” We hébben in Nederland ook veel meegemaakt sinds de moord op Pim Fortuyn, maar dit is ook het land van mensen zoals ik, die dagelijks knokken om een positie te verwerven en dat nog voor elkaar krijgen ook. Ondanks de nare gebeurtenissen en de felle discussies over integratie gaat die ontwikkeling gewoon door.’

‘In Marokko was ik geen ander mens geweest.’

U heeft wel eens gezegd dat u een hekel heeft aan het woord “integratie”.
‘Die mening ben ik nog steeds toegedaan. In de discussie wordt vaak gezegd: ze moeten zich aanpassen aan onze normen en waarden. Maar in veel Arabische landen wordt gestreden voor diezelfde waarden: tegen de vrouwenonderdrukking, voor gelijke rechten, voor de democratie. Al mijn vriendinnen in Marokko zijn financieel onafhankelijk, ze reizen, ze zijn politiek geëngageerd, net als mijn vriendinnen in Nederland. Als ik niet op mijn vijftiende naar Nederland was gekomen, was ik geen ander mens geweest.’

Een nacht in de cel

Khadija Arib groeide op in Casablanca aan de Middellandse Zee. Als puber verhuisde ze met haar moeder naar Rotterdam, waar haar vader al jaren als gastarbeider werkte in een grote wasserij. In Marokko was het voorjaar al begonnen, bloeiden de bloemen en waren alle kinderen tot ’s avonds laat op straat, maar in de grauwe volkswijk het Oude Noorden, waar haar vader een portiekwoning huurde, was het doodstil onder de lage, grijze lucht. In haar eerste maanden was ze doodongelukkig. Urenlang luisterde ze op haar oude cassetterecorder naar bandjes van Fairuz, de Libanese zangeres, wrokkig over het onvrijwillige vertrek.

Maar al snel werd haar ambitie wakker. Migrantenles, avondschool en de Sociale Academie brachten haar naar de Universiteit van Amsterdam, waar ze sociologie studeerde. Khadija Arib begaf zich in de kringen van het marxistisch-leninistische Komitee Marokkaanse Arbeiders in Nederland, waar ze haar latere echtgenoot leerde kennen. Ze ging aan de slag in het maatschappelijk werk en zette zich in voor de emancipatie en de burgerrechten in Marokko, tegen het autocratische regime van koning Hassan II. In 1989 werd ze op het vliegveld van Casablanca opgepakt, met haar kinderen een nacht in de cel gezet en vervolgens een week lang dagelijks verhoord, totdat ze door tussenkomst van de minister van Buitenlandse Zaken werd vrijgelaten.

khadija arib

In 1998 belandde Arib voor de PvdA in de Tweede Kamer. Daar hield ze zich bezig met de gezondheidszorg en de jeugdzorg. Achter de schermen kwam ze door haar rebelse natuur regelmatig in botsing met fractievoorzitter Wouter Bos over principiële kwesties als het integratiebeleid. In 2006 werd ze op een onverkiesbare plaats gezet op de kandidatenlijst voor de Tweede Kamer, maar ze knokte zich terug: na een lobby van haar netwerk zette het partijcongres haar tien plaatsen hoger. Na de verkiezingen van 2012 kreeg ze de portefeuille asielzaken en kwam ze opnieuw regelmatig in aanvaring met haar fractievoorzitter, nu Diederik Samsom, over onder andere het Kinderpardon en de strafbaarstelling van illegaliteit. Toen ze in september 2015 als enige Kamerlid van de coalitiepartijen vóór een motie van de oppositie voor ruimere opvang van asielzoekers stemde, werd in de Haagse wandelgangen gezegd dat zulke tegendraadse acties niet zonder gevolgen zouden blijven. Arib leek opnieuw op weg naar de uitgang. Des te groter was de verrassing toen ze in januari van dit jaar met een grote meerderheid van stemmen tot Kamervoorzitter werd gekozen.

Ziet u zichzelf als rolmodel?
‘Daar heb ik altijd moeite mee gehad. Een rolmodel heeft ook iets beklemmends: dat je perfect moet zijn, dat je geen fouten mag maken. Maar je bepaalt niet zelf of je een rolmodel bent, dat doen anderen. Ik merk dat mensen met een andere culturele achtergrond dan de Nederlandse zich met mij identificeren. Door wat ik heb bereikt hebben ze er meer vertrouwen in dat Nederland, ondanks de maatschappelijke problemen van de laatste jaren, wel degelijk een open samenleving is die kansen biedt aan iedereen.’

U heeft ooit gezegd dat de periode na de moord op Theo van Gogh voor u de moeilijkste in uw leven was. Opeens werd u óók gewantrouwd, terwijl u niet eens belijdend moslim bent. U zei: ik woon al dertig jaar in Nederland, maar ik moet me nog steeds verantwoorden. Sindsdien is het integratiedebat telkens weer opgelaaid. Zijn we in al die jaren verder gekomen?
‘De laatste tijd is de discussie heviger geworden door de oorlog in Syrië, de komst van grote aantallen vluchtelingen, de aanslagen van IS in Parijs en Brussel en Istanbul. Mensen trekken zich meer en meer terug in hun eigen identiteit. Dat proces is al jaren aan de gang. Ik heb het zien gebeuren met vrienden van mijn vader. Zelf had hij weinig met zijn islamitische achtergrond. Hij was modern gekleed, ging in Rotterdam graag naar het café met zijn vrienden. Maar die vrienden zag ik later steeds vaker in traditionele kleren naar de moskee gaan, hun vrouwen hielden ze thuis. Op een gegeven moment heeft mijn vader ook tegen mijn moeder en mij gezegd dat we misschien wat minder vaak de straat op moesten gaan. Hij voelde de sociale druk. Wij hebben ons er niks van aangetrokken. Maar de laatste tijd zie je ook onder jongeren van Marokkaanse afkomst dat ze teruggrijpen op de traditionele identiteit en religie. Kennelijk geeft dat houvast, maar het baart me ook zorgen. Die ontwikkeling stelt de politiek voor een groot vraagstuk: hoe kan je voorkomen dat er gescheiden samenlevingen ontstaan?’

‘Mensen met een andere culturele achtergrond dan de Nederlandse laat ik zien dat er kansen zijn.’

Toen u in de jaren tachtig actief was voor het Komité Marokkaanse Arbeiders in Nederland heeft u zich verzet tegen de komst van orthodoxe moskeeën en islamitische scholen. Was u de tijd vooruit?
‘Dat zou je kunnen zeggen. Het probleem was dat de overheid ons zag als losgeslagen linkse types. Beleidsmakers vonden dat de moskeeën een belangrijke rol moesten spelen in de emancipatie van de islamitische gemeenschap, vanuit het idee dat de protestanten en de katholieken zich ook ieder in hun eigen zuil hadden geëmancipeerd. In Marokko had de imam helemaal geen maatschappelijk functie, daar deed hij alleen het vrijdaggebed. Maar in Nederland moest de imam van goedbedoelende ambtenaren gaan bemiddelen bij conflicten en opvoedcursussen geven, terwijl hij vaak geen Nederlands sprak. Daardoor hebben moskeeën een veel grotere rol gekregen dan ze zouden moeten hebben: van een plek die bedoeld is om je geloof te belijden naar een plek waar maatschappelijke en politieke vraagstukken moesten worden besproken Die ontwikkeling is versterkt door organisaties uit Turkije, Marokko en de Golfstaten, die moskeeverenigingen gingen financieren. Sommige moskeeën zijn ook steeds orthodoxer geworden. Mijn moeder heeft dat zelf ervaren. Ze gaat altijd naar een moskee in Rotterdam. Daar zei de imam laatst opeens dat mobiele telefoons niet mogen, dat ze haram zijn. Toen zei mijn moeder: “Waarom? In de tijd van onze Profeet hadden ze toch ook geen mobiel?” Toen ze een paar keer zulke dingen had gezegd, nam de imam haar apart en zei: is het niet beter als u naar een andere moskee gaat? Toen antwoordde ze: “Dit is het huis van Allah. Daar ga jij helemaal niet over!” Ik moest er erg om lachen. Maar helaas geloven veel mensen wat de imam zegt.’

Als u de vraag krijgt of u allochtoon bent of autochtoon, wat zegt u dan?
‘Dan zeg ik: ik ben mezelf. Het woord allochtoon heeft iets van: je bent anders, je wijkt van ons af. Ik begrijp best dat die term gebruikt wordt in de statistieken, maar het heeft een negatieve lading.’

Aribs kinderen zaten alle drie op het Barlaeus Gymnasium in Amsterdam. Een van haar zoons is nu journalist, de ander werkt in de horeca. Haar dochter Sabra studeerde medicijnen en is nu arts in opleiding.

Volgens de statistieken zijn uw kinderen ook ‘allochtonen’. Wat heeft u ze daarover meegegeven?
‘Mijn kinderen zijn heel weerbaar. Toen mijn dochter een jaar of vijf was, kreeg ze een keer de vraag of ze zich Marokkaans voelde of Nederlands. Ze zei: ik voel me gewoon Sabra.’

U sprak vroeger altijd Arabisch met uw kinderen. Doet uw dochter dat ook met uw kleinkinderen?
‘Dat heeft ze wel een tijdje geprobeerd, maar ze kon niet op tegen Sesamstraat.’ Glimlachend: ‘Pino heeft gewonnen.’

khadija arib

Van iedereen

Sinds haar aantreden als Kamervoorzitter wordt Khadija Arib alom geprezen. Na haar voorganger Anouchka van Miltenburg, die weinig greep had op de Kamer en steeds heviger kritiek kreeg, wist Arib tijdens debatten volgens velen meteen de goede toon te vinden: bescheiden en beslist. In korte tijd herstelde ze de rust in het parlement. Inmiddels heeft ze ook haar eerste grote confrontatie als Kamervoorzitter achter de rug. In de laatste weken voor het zomerreces kwam het tot een flinke botsing met Tunahan Kuzu en Selçuk Öztürk, het Turks-Nederlandse tweetal dat in 2014 uit de fractie van de PvdA werd gezet en zich sindsdien in het parlement manifesteert als de politieke beweging DENK. In een commissievergadering vroeg Öztürk out of the blue of de Kamer een week later, tijdens het Ramadanfeest, de wekelijkse Stemmingen kon uitstellen ‘om aan één miljoen mensen te laten zien: ook wij houden rekening met uw feestdagen’.

Toen Arib het voorstel namens de rest van de Kamer afwees omdat het Suikerfeest op verschillende dagen wordt gevierd en de agenda bovendien allang was vastgesteld, zette DENK fragmenten van het filmpje meteen op YouTube onder de titel ‘Kamervoorzitter Arib houdt geen rekening met Ramadanfeest’. Prompt regende het op internet boze reacties vanuit de islamitische gemeenschap en haatmail in de inbox van Arib. Een dag later probeerden Kuzu en Öztürk bij de Regeling van Werkzaamheden een hoofdelijke stemming af te dwingen – met namen opnoemen dus – over het uitstellen van de Stemmingen ten behoeve van het Suikerfeest. Toen greep de Kamervoorzitter in, zichtbaar geërgerd: ze noemde het ‘niet chic’ dat de twee voorlieden van DENK ‘met knip- en plakwerk’ filmpjes op Facebook en YouTube zetten om collega’s in een kwaad daglicht te stellen. ‘En dat is niet de eerste keer. Dit is een Kamerlid onwaardig!’

Al vanaf het begin van hun Alleingang proberen Kuzu en Öztürk Kamerleden met een Turkse of Marokkaanse achtergrond als meelopers te kijk te zetten. Zo vroegen ze vorig jaar een hoofdelijke stemming aan over de erkenning van de Armeense genocide – een voor Turkse nationalisten onbespreekbaar thema – om de Turks-Nederlandse parlementariërs van andere partijen te dwingen kleur te bekennen. Ze zetten het filmpje direct op Facebook: Sadet Karabulut van de SP, Yasemin Cegerek, Sultan Günal-Gezer en Keklik Yücel van de PvdA, allemaal vóór erkenning van de Armeense genocide. Een stroom woedende reacties op internet was het gevolg, waaronder scheldpartijen in het Turks tegen het viertal en kwalificaties als ‘kontenlikkers’ en ‘landverraders’.

‘Een Kamerlid onwaardig’ is een harde kwalificatie.
‘Ja, maar ik dacht: nu gaan ze echt te ver. Dit is bij Kuzu en Öztürk een terugkerend probleem. In januari noemde Kuzu de commissie-Schouten, die onderzoek deed naar lekken uit de commissie-Stiekem, een “fopcommissie”. Zo praat je niet over collega’s. Toen heb ik gezegd dat de commissie door de Kamer is ingesteld en dat ik het zou waarderen als hij er met respect over zou spreken. Laatst wilde de Groep Kuzu-Öztürk op korte termijn twee minuten stilte in de plenaire zaal vanwege de aanslagen in Istanbul. Volgens de procedure moet dat gaan via het Presidium van de Tweede Kamer. Dan stellen we alle Kamerleden en de betreffende ambassadeur in de gelegenheid erbij te zijn. Middenin een debat herdenken kan ook niet, uit respect voor de slachtoffers. Maar zij zetten meteen op internet dat de Kamervoorzitter er tegen was. Nu probeerden ze opnieuw het instrument van de hoofdelijke stemmingen te gebruiken om collega-Kamerleden met een andere culturele achtergrond aan de schandpaal te nagelen. Dat deden ze met mij ook, met dat filmpje op YouTube.

Hoofdelijke stemmingen zijn een belangrijk individueel recht van Kamerleden. Daar moeten we terughoudend mee omgaan. Kuzu en Öztürk zeggen zelf dat ze mensen willen verbinden, maar wat ze doen is gericht tegen personen. Naar buiten wordt het gepresenteerd alsof ze monddood worden gemaakt, terwijl ze juist alle gelegenheid krijgen om te zeggen wat ze willen zeggen. Ik ben Kamervoorzitter van iedereen, dus ook van Kuzu en Öztürk. Maar dan moeten ze de Kamer en de voorzitter wel respecteren. Als ze aan de Kamer komen, komen ze aan mij. Kijk, je kan van alles zeggen van Geert Wilders, maar hij heeft wél respect voor de Kamer. Hij kent het Reglement van Orde volledig uit zijn hoofd, hij weet precies wanneer hij zich op welk artikel kan beroepen.’

Dezelfde Wilders heeft de Tweede Kamer een ‘nepparlement’ genoemd. Wat vindt u daar dan van?
‘Dat heeft hij niet meer geroepen sinds ik voorzitter ben.’

Hij is ook de man die u in 2007 van dubbele loyaliteit beschuldigde omdat u in een mensenrechtencommissie zat die de Marokkaanse koning adviseerde.
‘Dat verwijt heeft me diep geraakt. Wilders kan bezwaren hebben tegen dubbele nationaliteit, maar toen maakte hij het persoonlijk. Ik dacht: hoe kan je nou zoiets doen? Ik kende hem heel goed, uit de tijd dat dat hij nog bij de VVD zat. Toen hadden we allebei de portefeuille gezondheidszorg. We hebben samen opgetrokken en veel met elkaar gelachen. Ik wist altijd precies wat ik aan hem had. Maar opeens stelde hij zich op alsof hij mij nooit had gekend. Ik ben daar erg van geschrokken.’

‘Als Kamervoorzitter zijn alle meningen me even dierbaar, of ze nu van rechts komen of van links.’

Waarom haat je ons?

Anderhalf jaar lang spraken Arib en Wilders niet meer met elkaar, totdat de PVV-leider het goed probeerde te maken. Arib was net aan het bellen met haar dochter toen hij opeens aan kwam lopen en zijn hand op haar hand legde. ‘Ik kom je even groeten,’ zei hij. Toen Wilders ook de groeten wilde doen aan haar dochter, gaf Arib hem de telefoon en hoorde ze hem telkens zeggen: ‘Nee, dat is niet zo, dat is niet zo.’ Bleek dat haar dochter hem had gevraagd: waarom haat je ons? Arib: ‘Voor zichzelf kan Wilders het persoonlijke heel goed scheiden van het politieke. Maar het was een vreemd gesprek.’

Hoe gaat u sindsdien met Wilders om?
‘Gewoon, zoals met iedereen.’

Kunt u weer met hem lachen?
‘Ja hoor. Ik kan zulke conflicten heel goed achter me laten.’

Toen u kandidaat-Kamervoorzitter was, begon Wilders weer over uw dubbele loyaliteit. Toen u gekozen werd sprak hij over een ‘zwarte dag’ en weigerde hij u een hand te geven.
‘Dat had ik al zien aankomen. Maar sindsdien heb ik geen kritiek meer van hem gekregen. Wilders is heel professioneel. Zoals gezegd: hij heeft respect voor de Kamer, en als ik het goed doe als voorzitter heeft hij daar ook respect voor. Als ik het niet goed zou doen, zou hij me niet sparen. Zo zit hij ook in elkaar.’

In 2012 heeft u ook al een gooi gedaan naar het Kamervoorzitterschap. Toen won Anouchka van Miltenburg. Waarom wilde u zo graag voorzitter worden?
‘Na zoveel jaren in de politiek merkte ik dat ik het functioneren van de Kamer als geheel steeds belangrijker begon te vinden. Daar wilde ik mijn kennis en ervaring voor inzetten.’

Dat klinkt heel nobel, maar speelde niet mee dat u na jarenlang touwtrekken en ruziemaken in de PvdA-fractie eindelijk verlost wilde zijn van het dagelijkse geharrewar?
‘Dat speelde zeker mee. Daarom ben ik in 2012 ondervoorzitter van de Kamer geworden, en twee jaar geleden fractiesecretaris: ik wilde me meer gaan inzetten als coach, voor het algemeen belang, en niet alleen maar vechten voor mijn eigen portefeuille. En ik moet je eerlijk zeggen: ik mis het niet. Ik vind het heerlijk om niet meer over alles een mening te moeten hebben. Als Kamervoorzitter zijn alle meningen me even dierbaar, of ze nu van rechts komen of van links.’

In 1997, toen u voor het eerst kandidaat voor de Tweede Kamer was, noemde u de PvdA in Vrij Nederland nog een ‘warm bad’.
‘Heb ik dat echt gezegd?’

Ja. Maar dat gevoel heeft niet lang geduurd. U bent keer op keer in aanvaring gekomen met de fractieleiding. Eerst met Wouter Bos, later met Diederik Samsom.
‘Belle van Zuylen heeft ooit gezegd: ik heb geen talent voor ondergeschiktheid. Zo’n karakter heb ik ook. Als ik ergens niet van overtuigd ben, ga ik er tegenin. Dat heb ik in mijn leven altijd gedaan. Op mijn zeventiende ben ik al op mezelf gaan wonen, tot grote ergernis van mijn ouders. Die vonden: zoiets dóé je niet als meisje alleen. Maar ik wilde mijn eigen weg gaan. Niet lang daarna ben ik ook actief geworden voor de vrouwenrechten in Marokko, en dat ben ik blijven doen, ook toen het heel moeilijk was. Met als dieptepunt dat ik 1989 tijdens een bezoek aan Marokko met mijn kinderen in de cel werd gezet. Als Kamervoorzitter heb ik veel aan die eigenschap: ik ben niet bang. Laat maar komen wat komt, ik heb erger meegemaakt.’

Diederik Samsom heeft een paar jaar geleden nog geprobeerd uw kandidatuur als fractiesecretaris te blokkeren. Hoe is uw relatie nu? Heeft u het met hem uitgepraat?
‘Ik ben niet zo van het uitpraten. Diederik is ook een vechter, net als ik. Dan kan je met elkaar botsen. Soms heb ik wel eens een weekje gedacht: die hoef ik niet tegen te komen, en dat dacht hij vast ook van mij. Maar dan is het ook over. Diederik kent mij heel goed, ik kan alles tegen hem zeggen wat ik wil. Maar als Kamervoorzitter sta ik nu boven de partijen. Ik houd me minder bezig met de koers van de PvdA.’

‘Als iemand in de Kamer met een mond vol chocola het woord wil nemen, is één blik van mij genoeg.’

Bijna alle partijen in de Tweede Kamer zijn blij met de manier waarop u uw voorzitterschap vervult. Hoe krijgt u dat voor elkaar?
‘Geen idee! Echt waar, ik heb geen cursus gevolgd of wat dan ook. Ik heb me alleen voorgenomen dat ik dienstbaar wil zijn, dat ik mezelf niet op de voorgrond wil stellen. Ik wil ervoor zorgen dat debatten goed verlopen, dat alle Kamerleden de gelegenheid krijgen hun standpunt over het voetlicht te brengen, dat er een levendig debat gevoerd kan worden, dat emoties de ruimte krijgen. Maar dat moet wel op een respectvolle manier gebeuren. Daar probeer ik voor te zorgen. Maar ik heb er geen recept voor. Ik bereid me ook niet voor op debatten. Ik weet het onderwerp, en dan ga ik gewoon voorzitten.Lees ookArib won de Thorbeckeprijs. Tijd dat er ook een prijs voor de slechtst presterende politici komt16 november 2018Het helpt ook dat ik de Kamer heel goed ken. De griffiers hoeven me nooit te vertellen wie er aan de interruptiemicrofoon staat. Ik zie precies wat er in alle hoeken van de zaal gebeurt. Uiteindelijk is het vooral een kwestie van persoonlijkheid, van karakter, van zelfvertrouwen. Als er iemand met een mond vol chocola het woord wil nemen, is één blik genoeg.’ Grinnikend: ‘Dan krijg ik via de bode meteen een briefje: Sorry voorzitter, ik zal het nooit meer doen.’

Gerdi Verbeet zei als Kamervoorzitter dat de taal van de straat in het parlement te horen moet zijn. Vindt u dat ook?
‘Ja, maar binnen zekere grenzen. Als mensen elkaar echt zouden beledigen, zou ik ingrijpen, maar dat heb ik tot nu toe niet hoeven doen.’

Laatst bij het debat over de Brexit zei Jesse Klaver van GroenLinks tegen Geert Wilders: ‘Lulkoek’ en ‘U liegt dat u barst’. Was dat volgens u niet over de grens?
‘Wilders heeft de laatste jaren van alles en nog wat tegen anderen gezegd. In hetzelfde debat noemde hij Halbe Zijlstra nog een “enorm warhoofd”. Als je zelf zulke dingen roept, moet je tegen een stootje kunnen.’

Het afgelopen jaar zijn veel Kamerleden tussentijds vertrokken. Wat vindt u daarvan?
‘Dat verschilt van geval tot geval. Arie Slob van de ChristenUnie en Mariëtte Hamer van de PvdA hebben heel lang in de Kamer gezeten. Dat zij iets anders gingen doen, begreep iedereen. De discussie is losgebarsten naar aanleiding van Wassila Hacchi van D66, die opeens uit de Kamer vertrok zonder enige verklaring. Dat neem ik haar kwalijk, en dat heb ik ook gezegd. Als je een publieke functie hebt vervuld, heb je je te verantwoorden aan de kiezers over de reden waarom je weg bent gegaan. Als je dat niet doet, is dat schadelijk voor het aanzien van de politiek.’

 

 

 

 

 

 

In januari ging VVD-Kamerlid Bart de Liefde opeens weg om lobbyist te worden voor Uber, het bedrijf waarover hij in de Kamer nog lovende dingen had gezegd. Is dat niet veel schadelijker dat weggaan zonder verklaring?
‘Het zou geen gek idee zijn om voor Kamerleden een “afkoelingsperiode” af te spreken, zoals bij bewindslieden gebruikelijk is: dat ze zich na het Kamerlidmaatschap voor een bepaalde tijd niet bezighouden met onderwerpen waar ze in de Kamer over gingen. Maar het is vooral een kwestie van mentaliteit. Met de verkiezingen in zicht wil ik de politieke partijen oproepen heel kritisch naar hun kandidatenlijsten te kijken. We hebben maar 150 Tweede Kamerleden in Nederland. Dat is niet zomaar een functie. Dat betekent dat je je ten minste moet committeren tot de volgende verkiezingen.’

In de afgelopen periode heeft ook een recordaantal Kamerleden zich afgesplitst van hun partij: Roland van Vliet, Johan Houwers, Joram van Klaveren en Louis Bontes, Norbert Klein, Tunahan Kuzu en Selcuk Öztürk. Wat vindt u daarvan?
‘Ik wil niet zeggen dat je je nooit moet kunnen afsplitsen, er kunnen principiële redenen voor zijn. Maar als het zo vaak gebeurt, is dat schadelijk voor de reputatie van het parlement. Een werkgroep onder voorzitterschap van Roelof Bisschop van de SGP heeft er net onderzoek naar gedaan. De commissie stelt voor om het recht van afsplitsingen op spreektijd en financiering te beperken. Het is aan de Kamer daarover te oordelen, niet aan mij. Maar ik wil de partijen wel oproepen hun kandidatenlijsten extra zorgvuldig op te stellen, om echte volksvertegenwoordigers te selecteren, op basis van kwaliteit, persoonlijkheid en integriteit.’

Hoe wilt u zelf verder na de verkiezingen? Bent u weer beschikbaar als Kamervoorzitter?
‘Daar ga ik deze zomer op vakantie in Marokko heel goed over nadenken. Maar ik heb het enorm naar mijn zin, voor mijn gevoel ben ik nog maar net begonnen.’