Reportage / Google en het Mundaneum

De eerste keer dat ik het Mundaneum bezocht, is viereneenhalf jaar geleden. Het kleine museum in het Zuid-Belgische stadje Mons, ‘Bergen’ op zijn Vlaams, was op dat moment gesloten voor publiek. De Rue de Nimy, waar het aan gelegen is, lag volledig open; de enige manier om naar binnen te komen, was via een moeilijk te vinden achterdeur. Het doel van mijn bezoek was niet een expositie, want die was er niet. Ik kwam voor de geweldige geschiedenis van het Mundaneum, dat zijn naam dankt aan een megalomaan plan van de Belgische jurist en bibliothecaris Paul Otlet (1868-1944). Om de wereldvrede te bereiken, wilde deze pacifist alle menselijke kennis ter wereld verzamelen en verspreiden. Eind negentiende, begin twintigste eeuw begon Otlet te werken aan zijn ‘wereldstad van kennis’, het Mundaneum, waar iedereen terecht zou kunnen voor antwoorden op elke vraag. Samen met zijn goede vriend Henri La Fontaine, een latere winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede, bedacht Otlet een ingenieus classificatiesysteem, het Classification Décimale Universelle, om orde te scheppen in al die boeken, kranten, geschriften, wetenschappelijke publicaties, affiches, platen, dia’s en andere informatiebronnen. Zij gaven onderwerpen en begrippen hun eigen, unieke nummer in decimalen en die gegevens werden op handzame indexkaartjes gezet, samen met de verwijzingen naar de verschillende bronnen die bij het onderwerp pasten. Dat maakte het mogelijk om elk mogelijk onderwerp gemakkelijk op te zoeken. Dit Universele Decimale Classificatie-systeem (UDC) is tot op de dag van vandaag gangbaar in bibliotheken (denk aan: 31:[622+669](485) is: statistiek van mijnbouw en metallurgie in Zweden).

Like!

Otlet was in die tijd een beroemd man. Keizer Hirohito, Marie Curie en Andrew Carnegie kwamen langs om over zijn plan te praten. Jorge Luis Borges schreef een essay over zijn ideeën. En Otlets vriend Le Corbusier maakte alvast een schets van hoe zijn wereldstad van kennis eruit zou moeten zien. De Belgische regering zag wel wat in de plannen van Otlet en hielp hem met de aanleg van een indrukwekkend archief in een groot gebouw in het Brusselse Jubelpark. Op het hoogtepunt bestond zijn database uit zestien miljoen indexkaarten. Van over de hele wereld kwamen vragen binnen per brief of telegraaf. Otlets medewerkers zochten de relevante indexkaarten uit en maakten daar een kopie van. Ongeveer twee weken later ontving de vrager zijn antwoord.

Dit tijdrovende systeem liep uiteraard tegen zijn eigen grenzen aan. Otlets ambitie reikte verder dan die paar duizend vragen die zijn systeem per jaar kon verstouwen. In het boek Traité de Documentation uit 1934 schetste hij hoe zijn ideaal van ‘universele kennis voor iedereen’ in de toekomst werkelijkheid ging worden. De Belgische wetenschapper voorzag een ‘mechanische machine’, een netwerk van ‘elektrische telescopen’ dat alle informatie ter wereld aan elkaar koppelde. Binnen dat web van kennis was alles met alles verbonden. Mensen konden via hun telefoon toegang krijgen tot het netwerk (‘reseau’), zodat ‘iedereen vanuit een leunstoel in staat is om te contempleren over alles wat gecreëerd is’. Otlet maakte er vrolijke, haast kinderlijke tekeningetjes bij, waarop telefoons, televisies, camera’s en kaartenbakken deel waren van hetzelfde informatiesysteem. Hij voorspelde dat mensen via het reseau met elkaar verbonden zouden zijn, informatie zouden uitwisselen en ‘deelnemen, applaudisseren, staande ovaties geven en in koor zingen’. Voelt u hem? Like!

Rond diezelfde tijd trok de Belgische regering zich vanwege een economische crisis terug uit het project. De bibliotheek en de kaartjes leidden een zwervend bestaan. De nazi’s verwoestten in 1941 een deel van de collectie toen zij in het Jubelpark een expositie over het Derde Rijk organiseerden. Drie jaar later stierf Otlet. In 1998 vond wat was overgebleven onderdak in een gebouw in Mons.

Internetpionier

In de zomer van 2008 gaf de vriendelijke hoofdarchivaris mij een uitgebreide rondleiding door het Mundaneum, of beter: ze wees me op stapels en verhuisdozen in de kelder, de planken met opgerolde papieren, her en der verspreide indexkaartjes, affiches, boeken, archiefmateriaal. Van Otlets uitgekiende informatiesysteem, zijn bizar nauwkeurige toekomstvisioenen over wat wij nu als hyperlinks, e-mail en social media kennen, restte niet veel meer dan een verhaal. Wel een verdomd goed verhaal: de blauwdruk van het internet in het archief van een klein museum in Wallonië.

Ruim vier jaar later, op 8 oktober 2012, ben ik terug in het Mundaneum. Nu wel voor een tentoonstelling: Renaissance 2.0, over de ontstaansgeschiedenis van het internet. Ongeveer twintig journalisten zijn afgereisd voor de persconferentie. Er is een cameraploeg, er zijn fotografen. ‘Wij Amerikanen zien het internet graag als een Amerikaanse uitvinding,’ zegt de directeur van het Computer History Museum, Marc Weber, die speciaal voor de opening uit Silicon Valley is overgevlogen. ‘Maar Paul Otlet is eigenlijk de eerste internetpionier.’

Het museum is flink opgeknapt. In het midden van de museumzaal hangt een grote blauwe, ronddraaiende globe. Langs de muren staan de met spotjes uitgelichte houten archiefkasten van Paul Otlet. De website van het Mundaneum is hip en interactief, én te lezen in drie talen. Vier jaar geleden bespeurde ik bij de hoofdarchivaris van het museum nog enige bescheidenheid over de invloed van Otlet op de informatierevolutie; die schroom heeft het Mundaneum nu van zich afgeworpen. Het museum straalt in alles uit het huis van de aartsvader van het internet te zijn. De officiële slogan luidt: ‘Het Mundaneum, Google op papier’. De curatoren van de expositie Renaissance 2.0 leggen in hun ‘ontdekkingsreis naar het ontstaan van het web’ directe verbanden tussen de Encyclopédie van Diderot, het werk en gedachtegoed van Paul Otlet en het algoritme van Google.

En die relatie is meer dan een historische verwantschap: Google sponsort het Mundaneum en houdt zo de herinnering aan Otlet in leven. Afgelopen maart werd een ‘major partnership’ tussen het museum en het internetbedrijf aangekondigd. Elio Di Rupo, premier van België én burgemeester van Mons, maakte het nieuws persoonlijk wereldkundig op het Brusselse kantoor van Google.

‘Er is veel common ground tussen ons en het Mundaneum,’ zegt Bill Echikson, een hoge Google-man die de titel ‘Head of Communi­cations and Public Affairs for Free Expression in Europe, Middle East and Africa’ op zijn visitekaartje heeft staan, na afloop van de persconferentie. ‘We delen dezelfde filosofie. Voor ons is dit een manier om ons met onze wortels te verbinden.’ De band met het Mundaneum is onderdeel van een groter project van Google, vertelt Echikson, waarbij de zoekgigant Europese internetpioniers in het zonnetje zet. ‘Wij zijn very excited om de Europese cultuur te kunnen helpen.’

Amoreel

Het is goed nieuws dat Google de vergeten held Paul Otlet opstoot in de vaart der volkeren. Begrijpelijk ook. De officiële missie van Google is immers om ‘alle informatie ter wereld te organiseren en universeel toegankelijk en bruikbaar te maken’, en dat is een letterlijke echo van Otlets droom. De ideeën van Otlet over hoe je informatie moet organiseren – het indexeren van informatie, het verwijzen naar andere data, het werken met trefwoorden – kunnen gerust worden gezien als de belangrijkste bouwstenen van Googles systeem.

De oprichters van Google delen met Otlet de overtuiging dat toegang tot universele kennis de mens voorspoed zal brengen. Dat het internetbedrijf zichzelf herkent in de dode Belgische denker is daarom logisch. De vraag is wat Paul Otlet van Google zou hebben gevonden. Zijn Mundaneum diende een bij uitstek publiek doel: de verspreiding van kennis en informatie was een verplichting aan de mens, het was noodzakelijk om ‘te werken aan een algemeen geldende opvatting over hoe de wereld zich moet ontwikkelen’. Tot op zekere hoogte komt zelfs dat nog overeen met de idealen die ten grondslag lagen aan Google. In de paper waarmee de twee oprichters in 1998 Google wereldkundig maakten, schreven ze dat een zoekmachine die gefinancierd wordt door commerciële partijen nooit het algemeen belang kon dienen. ‘Wij verwachten dat door advertenties betaalde zoekmachines inherent bevoordeeld zijn richting adverteerders en niet naar de gebruiker.’

Veertien jaar later komt nagenoeg honderd procent van de inkomsten van het beursgenoteerde Google uit advertenties. En met succes: begin oktober streefde het bedrijf aartsrivaal Microsoft eindelijk in beurswaarde voorbij, waardoor het met 249,1 miljard dollar, na Apple, het meest waardevolle technologiebedrijf ter wereld is. Nu is daar helemaal niets mis mee. Sterker nog: je zou kunnen beargumenteren dat het niet anders kan. Waar Paul Otlets utopie ten onder ging omdat hij niet meer gefinancierd werd door de Belgische regering, heeft Google zich gerealiseerd dat zijn ambitie alleen met enorme bakken geld kan worden bereikt.

Het gevolg daarvan is wel dat, hoe graag Google ook anders wil doen voorkomen, het bedrijf een bedrijf is en geen publieke dienst. Daar veranderen Googles strijd voor internetvrijheid, inzet voor groene energie, ontwikkelingsprojecten in Afrika en omarming van het Europese cultuurgoed helemaal niets aan. Google is een geoliede pr-machine en al die mooie initiatieven en filantropie moeten óók in dat licht worden bezien. ‘Het is goed om niet te vergeten,’ schreef auteur James Gleick in een artikel over Google vorig jaar in The New York Review of Books, ‘dat een modern bedrijf per definitie een amoreel creature is, met verplichtingen naar zijn aandeelhouders en niet naar de publieke zaak.’ Wat ooit begon als een promotieonderzoek van twee computernerds, bedoeld om orde te scheppen in het maatschappelijke informatiekapitaal, is nu een miljarden­bedrijf dat aan de wens van de aandeelhouders moet voldoen, dat keiharde patentoorlogen voert met de concurrentie, dat honderden professionele lobbyisten in dienst heeft om in Washington en Brussel politici te masseren. Het gekleurde Google-logo, in 1998 door oprichter Sergey Brin met viltstift op papier getekend, dat krachtig het speelse imago van de gideonsbende verbeeldde en tegelijkertijd van Google in één oogopslag de gezellige tegenpool maakte van de grote concurrent – het kille, nare, zwartgallige Microsoft – dát logo staat nu ook symbool voor een van de grootste kapitalistische succesverhalen van de afgelopen vijftien jaar. En ook daar is helemaal niets mis mee. Google verricht wonderen; dat zou Paul Otlet meteen hebben erkend. Het heeft ons leven veranderd en zonder twijfel beter gemaakt. Het bedrijf is er met excellente technologie in geslaagd om een ‘wereldstad’ van kennis te creëren, het Mundaneum 2.0.

Maar de paradox is dat Google dat alleen kan blijven doen door de grenzen van die wereld te blijven oprekken. Met als gevolg dat Google ‘alle informatie’ steeds letterlijker is gaan nemen: de jongens van Google hebben hun oorspronkelijke speelveld van digitale informatie uitgebreid met zo ongeveer alles wat zich in informatie-eenheden laat uitdrukken. Dat geldt ook voor de gegevens van de gebruikers, het ware kapitaal van het bedrijf, de informatie die het nodig heeft om de zoekmachine te verbeteren en advertenties op maat aan te kunnen bieden. Hoe meer gegevens van de gebruiker het heeft, hoe meer het weet, hoe beter het werkt, hoe meer geld het verdient, hoe meer data het verzamelt, et cetera.

En in die verzamelwoede gaat Google ver. Te ver, zo bleek half oktober. Toen maakten de Europese privacywaakhonden van zevenentwintig landen bekend dat maandenlang onderzoek had uitgewezen dat Google de privacywetgeving van de EU schendt. Eind maart veranderde het bedrijf zijn privacybeleid en koppelde de data van alle producten aan elkaar, van YouTube tot Google+. Het gevolg is volgens de waakhonden dat gebruikers de controle over een deel van hun gegevens kwijt zijn. Google heeft een paar maanden gekregen om gebruikers meer zeggenschap te geven en zelf bovendien meer openheid te bieden over welke data waarvoor worden gebruikt en hoelang ze worden bewaard. Als Google dat niet doet, dan dreigen rechtszaken.

Digitale expansiedrang

Het dilemma van Paul Otlet was dat hij de technologie niet voorhanden had om het Mundaneum te laten groeien. Het probleem van Google is juist dat het móét blijven groeien. De doelstelling om alle informatie ter wereld te organiseren vereist dat, de aandeelhouders vragen het en de hevige concurrentiestrijd met Apple, Facebook en Amazon – die zich steeds meer in het vaarwater van Google begeven – dwingt daartoe. Maar in die digitale expansiedrang loopt het tegen de grenzen van de fysieke wereld op. Zo staat het bedrijf op dit moment voor een misschien nog wel grotere test dan de klachten over privacy: Europees commissaris mededinging Joaquín Almunia gaf Google afgelopen mei een officiële waarschuwing omdat het misbruik zou maken van zijn dominante marktpositie door de concurrentie buiten te sluiten.

Het is de eerste grote mededingingszaak van de EU tegen een internetbedrijf. Daar kwam een bericht uit The New York Times van 12 oktober bovenop dat de Federal Trade Commission in de VS een soortgelijke antitrust-zaak tegen Google in voorbereiding heeft. Ironisch genoeg zijn deze zware aantijgingen vrijwel identiek aan die waarvoor Microsoft – het bedrijf waartegen Google zich altijd zo succesvol heeft afgezet – eind jaren negentig van zowel de EU als de VS miljardenboetes ontving.

Over symboliek gesproken: een paar kilometer van het Mundaneum, op een groot industrieterrein aan de rand van Mons, staat een datacentrum van Google. Het is 85 hectare groot en heeft 250 miljoen euro gekost. Van buiten lijkt het streng beveiligde, grauwe gebouw meer op een energiecentrale dan op het hypermoderne hart van de informatiesamenleving. Binnen verwerken ronkende computers alle zoekopdrachten en herbergen machines een ontelbare hoeveelheid bytes. Datacentra zijn de levensaders van Google en daarom verboden toegang voor onbevoegden. Stel je voor dat de concurrentie ziet hoe Google alle informatie organiseert. Achtenzeventig jaar geleden schreef Paul Otlet: ‘Hier, op de werktafel, ligt geen enkel boek meer. In de plaats daarvan een beeldscherm en daarnaast een telefoon. Daar in de verte, in een immens gebouw, bevinden zich alle boeken en alle informatie. Van daaruit verschijnt op het scherm de pagina die antwoord biedt op de via de telefoon gestelde vraag.’

Non-fictie special

De grote greep

Soms zijn het specialistische onderwerpen die de non-fictie bepalen. Soms gaat het om de grote greep: het combineren van disciplines, de lange termijn, het héle denken. In deze special bezien we hoe álle kennis kan worden opgeslagen, of één theorie over de aarde én haar inwoners kan worden opgesteld, waarom we de geschiedenis kunnen begrijpen via de kunsten, en meer. Met onder anderen Hannah Arend, Simon Schama en Louise Fresco.