De W.F. Hermans van Jamal Ouariachi

Je zult maar leraar Nederlands zijn op een middelbare school in 2013. Of nog erger: leerling. Hier heb je De donkere kamer van Damokles, toegegeven: best spannend, maar wel een boek over een oorlog van lang geleden, met een loser als held. Waarom zou je dat willen lezen? Je leraar Nederlands bazelt wat over mussen die niet functieloos van een dak mogen vallen – het zegt je niks. Je leraar oreert wat over goed en fout en het grijze gebied daartussenin – wat moet je ermee? Het woord polemiek valt, je ziet stoffige oude mannen voor je, allang dood, ruziënd over fossiele kwesties – het interesseert je niet.

Toen ik zo’n leerling was, een jaar of dertien oud, viel die Donkere kamer toch niet geheel verkeerd en nam ik nog eens een kijkje in de bieb bij de goedgevulde plank Hermans. De titel Paranoia trof me, ik kende het woord niet maar het intrigeerde me. Thuis sloeg ik het boek open en daar sprak niet de stoffige oude man van de Grote Reputatie tot mij, maar een gevoelige ziel die een geheimpje verklapte: ‘Al in de tijd dat ik schreef zonder er een allesoverheersende gewoonte van te hebben gemaakt, ben ik begonnen met het verzamelen van grote hoeveelheden schrijfpapier.’

Jong als ik was wist ik al jarenlang zeker dat ik later boeken zou gaan schrijven. Niets te vertellen nog, maar ik nam een voorschot op te schrijven werk door opschrijfboekjes te kopen en oude schriften vol te kladden, en soms ging ik mee met mijn vader, die op een school werkte, om buiten de lesuren in zijn kantoortje op een elektrische typemachine te rammelen. Later werd dat een bakbeest van een IBM-computer, een dotmatrix-printer ernaast die op tandartsborende toon regel voor regel in het papier kraste wat ik had getypt. Wát ik schreef deed er eigenlijk niet zoveel toe – ik kwijlde vooral bij die materialen. In de ‘Preambule’ van Paranoia maakte ik kennis met een man die ver van mij afstond, maar deze fascinatie dan toch met mij deelde.

Niet gewonnen geven

Schrijvers koketteren graag met de liefde voor hun gereedschap – voor Hermans is die koketterie slechts een kapstok om als een ware visionair alle belangrijke elementen van zijn toekomstige werk aan te stippen: de onzekerheden van het ‘taaldenken’, de liefde voor mechanica en fototoestellen, er flitst een dubbelganger voorbij, en zelfs het kompas dat later in Nooit meer slapen zo’n belangrijke rol zal spelen, krijgt een vermelding. Maar bovenal is dit de plaats waar Hermans zijn veelbesproken wereldbeeld uiteen zet, iets wat hij misschien wel nergens zo helder en expliciet heeft gedaan als in die korte tekst uit 1953. Hij beschrijft de chaos die het leven is en hoe elk systeem dat wij bedenken slechts een waan is.

Zo samengevat is het geen wonder dat Hermans nog altijd wordt gepresenteerd als grimmige nihilist, als verbitterd man, als genadeloos polemicus – maar mij treft in zijn werk toch altijd het medelijden dat hij voor zijn gedoemde personages weet op te brengen, de empathie waarmee hij hun ondergang beschrijft. Zijn stem. En die stem is ook in 2013 nog springlevend.

‘Ik kan mij niet gewonnen geven,’ schrijft hij, ‘aan die heldere geesten die evenveel samenhang in hun ideeën vertonen als een spoorboekje of een logaritmetafel.’ Dat is hoe we hem kennen, vol wantrouwen jegens systemen. Maar hij gaat door: ‘Evenmin word ik meegesleept door hen wier geschriften zich laten lezen als uit oude kranten geknipte snippers onder elkaar gelegd, die hun papier hebben bemorst, verfrommeld en aan stukken gescheurd.’ En dáár klinkt de stem van de werkelijk interessante Hermans: de man die tegen de klippen van de willekeur op toch naar een ordening streefde. Hoe zinloos hij elke menselijke onderneming misschien ook vond: hij schreef boek na boek. Of zoals hij het zelf formuleerde in het verhaal ‘Het grote medelijden’: ‘Het vreemde is dat ik een leven leid van niemendal en dat ik die gedachte toch bijna elke dag weer kan herkauwen of het een gloednieuwe gedachte gold.’

Als ik leraar Nederlands was, zou ik wel weten met wie ik mijn leerlingen een eerste kennismaking zou aanbieden. Niet met de schepper van het heilig verklaarde canonische werk, maar met de krachtige stem vol zelfspot en medelijden van de man die in de ‘Preambule’ al zijn kaarten op tafel legt.

Willem Frederik Hermans, ‘Paranoia’ , Van Oorschot, 192 p., € 15,–

Nee