Urenlang wachtend in de hitte tot een defect vliegtuig weer opstijgt, zag Eveline Rethmeier beschaafde mensen zich tegen de buitenwereld keren, en tegen elkaar.

Het begon lacherig, hooguit wat mokkend. Vanaf een niet nader te noemen eiland vloog ik met een niet nader te noemen luchtvaarmaatschappij, samen met 200 niet nader te noemen mensen (dat laatste omdat ik ze simpelweg niet zou kunnen noemen). Het toestel was defect. We zouden vertraging krijgen, en de boodschap zorgde door de uitgelaten vakantiestemming hooguit voor wat gejoel richting de cockpit en wat lollig bedoeld geklap.

De sfeer sloeg al snel om. Toegegeven: ze deden het niet echt handig. We werden in-en uitgeladen en toen weer ingeladen en toen toch weer uitgeladen. En het was warm. Al snel werd duidelijk dat we met zijn tweehonderden nog wel even met elkaar zouden doorbrengen. Na wat gefrons en hoofdschuddend gezucht richting elkaar, begonnen mensen rollen te kiezen. De leider stond al snel op, uiteraard. Hij had al heel veel gevlogen en dit nog nooit meegemaakt. We knikten instemmend. Dat geloofden we wel. Hij wilde NU weten waar we aan toe waren, want daar hadden WE recht op. Deze groep losse zielen was een ‘Wij’ geworden. Even verderop stond een wat oudere man die totdat moment de rol van clown met verve had gespeeld. ‘Zo duurt de vakantie lekker wat langer, he?’ en ‘geniet maar van die hitte aan boord, want in Nederland is het vast een stuk kouder.’ Na vier uur konden ‘we’ niet meer lachen om zijn opmerking of de hostess van het volgende vliegtuig niet stiekem de banden had doorgeprikt.

Natuurlijk kan het gebeuren: vertragingen, annuleringen of ander eindeloos gewacht. Er hangt een staking van het grondpersoneel als een donkere wolk boven Schiphol en ook de aangescherpte veiligheidscontroles zorgen (naast ongetwijfeld meer veiligheid) voor een beproeving van ons geduld en kunnen soms leiden tot de welbekende term ‘gestrande reizigers’ Het zijn situaties die van vervelend naar echt penibel kunnen gaan. Met je verstand voel je dat er heus wel ergere dingen zijn, maar je instinct wil dat even niet horen; vooral wanneer je geen enkele controle hebt op een snelle, goede afloop.

Als er doden zouden vallen, was het de schuld van de baliemedewerkster. En ze zouden een rechtszaak starten.

In noodsituaties schijnen de mannen zich van de jongens te scheiden. Voor zover het een noodsituatie was – ik besef me terdege dat het een erg betrekkelijk first world problem is – klopte dit tijdens dit lange verhitte wachten. Jongvolwassenen die uitgelaten van hun volwassen vakanties zonder ouders kwamen, veranderden binnen een paar uur weer in jongetjes en meisjes die met pruillippen met mama aan de telefoon zaten. Daar hadden ‘we’ niet zo veel aan vandaag. Ook het ‘every man for himself’-principe was feilloos van toepassing. We konden omboeken naar een andere vlucht, als we wilden. Hadden we eerst nog als een groep ons ongenoegen getoond met gezucht, handgebaren of verwensingen (al naar gelang de dikte van het laagje vernis van beschaving), nu werd er gerend en geduwd om als eerste bij de reserveringsdesk te zijn. Het bleek verspilde moeite. Die vlucht was vol. Beschaamd voegden de grootste duwers zich weer bij de groep.

Inmiddels werden de zwaksten van de kudde nu als chantagemiddel ingezet: kinderen zouden kunnen verhongeren, bejaarden zouden flauwvallen en een zwangere zou haar kind kunnen verliezen. Niet dat die zogenaamd zwakkeren daar zelf over klaagden, maar dat terzijde. Leiders, sussers, clowns en andere mensen die emotioneel nog enigszins in control waren, werden nu overstemd door de schreeuwers. Als er doden zouden vallen, was het de schuld van de baliemedewerkster. En ze zouden een rechtszaak starten. En er moest NU (vuist op desk) EEN SUPERVISOR (nog een vuist) komen. Ik keek opeens met medelijden naar het meisje met het shawltje en haar strakke knot. Stel je voor dat deze groep mensen zich echt tegen haar zou keren, wat dan? Inmiddels moesten ook de sussers het ontgelden. ‘Heb jij soms kinderen?!’ Vind jij dit dan wél normaal?!’ De groep viel uiteen. Het was niet meer zo leuk om erbij te horen en ook geen goed idee nu het meisje met de knot dreigde de beveiliging te bellen.

Na acht uur wachten konden we aan boord. Met rode verhitte hoofden, stinkend, moegestreden, maar ook met enige gene voor wat zich de afgelopen uren had afgespeeld. In stilte waaierden we bij aankomst uit over een lege luchthaven. Nu we weer uit de bubbel van dit zogenaamd gigantische drama waren gestapt, realiseerden we ons allemaal: ‘we’ hebben het misschien wel erg ver laten komen.