Majad was twee jaar lang contactpersoon van Minka Nijhuis in Syrië en later Turkije. Tot hij de druk niet meer aan kon en naar Nederland vluchtte. Nu wacht hij hier op hereniging met zijn vrouw en dochtertje. ‘Het was genoeg. Geloof me, echt genoeg.’

Op een zonnige middag staat Majad opeens in Amsterdam. Met een donkerblauw poloshirt en een witte bermuda heeft hij zich als toerist voorgedaan. Zijn blote voeten steken in bruine instappers en op zijn haar prijkt een snelle zonnebril. Alleen de inhoud van het zwarte rugzakje duidt op een vlucht. Twee T-shirts, twee onderbroeken, een korte broek, een spijkerbroek en een tandenborstel. Hij pakt me even stevig beet en zucht dan: ‘Het was genoeg. Geloof me, echt genoeg.’

Dat wil heel wat zeggen. Sinds ik Majad twee jaar geleden leerde kennen, werkte hij in Syrië en Turkije onder de hachelijkste omstandigheden zonder een kik te geven. Eerst als hulpverlener en daarna steeds vaker als medewerker voor internationale media. Terwijl bijna niemand zich meer in Aleppo waagde, hield hij daar het hoofd koel – ook toen schrikbarend dichtbij bommen en explosies dreunden.

Maar bij een kop koffie met Hollandse appeltaart en een pakje Gauloises wil hij niet ingaan op wat er allemaal genoeg was. Eerst moet het verhaal over het afscheid van zijn vrouw en tien maanden oude dochtertje eruit. ‘Zullen we elkaar terug gaan zien?’ vroeg hij zich af toen hij de deur van de flat achter zich dichttrok. Ook tijdens de urenlange busrit naar de Turkse kust bleef die vraag maar malen. En toen enkele dagen later de motor van de volgepropte boot naar Griekenland in het pikkedonker stokte en de boot water begon te maken, had hij maar één gedachte: wat moeten Khani en Jien als mij iets overkomt? Gelukkig slaagde de bestuurder er al snel in de machine weer aan de praat te krijgen. Terwijl om ons heen reizigers met koffers manoeuvreren, zegt hij: ‘Weet je wat het is? Er is geen hoop meer.’ Dan herhaalt hij wat ik hem de afgelopen twee jaar al zo vaak hoorde zeggen: ‘Omdat één man weigert afstand te doen van de macht gaat het leven van miljoenen verloren.’ Hij grijpt naar zijn hoofd. ‘Die gedachte maakt me gek.’

Gevaarlijke trips

Zijn mobiele telefoon gaat. Het is Alaa, een oude vriend uit Aleppo die ongeveer een jaar geleden in Nederland arriveerde. Via hem zal Majad naar het opvangcentrum in Ter Apel reizen. Bij de zwarte vleugel in de hal van het Centraal Station vliegen de twee elkaar in de armen. ‘Kamikaze,’ is het eerste dat Alaa tegen Majad zegt. Het is een verwijzing naar hun werk als hulpverleners in Aleppo. Hun kleine team kreeg die bijnaam vanwege de gevaarlijke trips die ze uitvoerden om ontheemde burgers met voedsel, medicijnen en andere benodigdheden te assisteren toen na de vreedzame protesten van 2011 de oorlog begon.

Op een brug even buiten het Centraal Station houdt Majad zijn pas in om naar een bootje met brallende jongeren te kijken. Licht geamuseerd zegt hij: ‘Newbies, hey?’ Het klinkt als een echo uit zijn eigen tamelijke zorgeloze studententijd. Hij verkocht destijds bikini’s aan het zwembad van Aleppo en feestte hele weekenden in Beiroet tot de zon opkwam.

De volgende dagen begint hij aan een traject dat van Ter Apel naar een sporthal in Zwolle en barakken in Rosmalen voert. Hij is er kort over aan de telefoon, afwerend bijna. ‘Alles is goed met mij. Prima zelfs.’ Zijn trots belet hem al te veel prijs te geven over het bestaan rond een veldbed in een extra geleende spijkerbroek. Liever doet hij als journalist verslag van de gesprekken om hem heen. De verhalen van asielzoekers die via Libië naar Europa zijn gekomen schokken hem. Ze zijn met alle risico’s van arrestatie, mishandeling, afpersingen en een veel ruwere zee heel wat slechter af dan degenen die uit Turkije oversteken. Als de meningen van zijn landgenoten naar zijn smaak te conservatief religieus zijn, zegt hij wraakgierig: ‘Had in Saoedi-Arabië asiel aangevraagd.’

Bij een nieuw bezoek aan Amsterdam bestudeert hij de oude gevels van de binnenstad. ‘Zijn dit huizen uit de tijd van de VOC?’ Geschiedenis is een van zijn passies. Ik denk aan zijn woning in Aleppo met de honderden boeken. En aan het statige landgoed van zijn grootouders met oude olijfgaarden zo ver het oog reikte en bergen vol historie. Hij houdt Amsterdam grotendeels op afstand. Bitterballen in de Waag mogen die middag nog net, maar musea of een rondvaart niet. ‘Ik wil wachten tot mijn vrouw er is. Met haar wil ik de stad ontdekken.’

Ooit zal mijn dochtertje lachen om mijn gebrekkige Nederlands. Papa was een vluchteling.

Het begint donker te worden. De pakhuisgevels met hun verlichte ramen lijken op een adventskalender en de bruggen worden feeëriek verlicht. Hij ziet het niet. In plaats daarvan neemt hij een voorschot op zijn toekomst. ‘Ooit zal mijn dochtertje lachen om mijn gebrekkige Nederlands. Papa was een vluchteling.’ Zijn eigen lach klinkt nog net niet grimmig. Hij vindt vluchteling inmiddels een rotwoord, een woord zonder waardigheid. Hoe lang zal hij zijn geduld bewaren in het onzekere traject om een status te verkrijgen? Afwachten en niets doen zijn niet zijn sterkste kant. ‘Als hij niet kan werken wordt hij gek,’ schreef een van zijn beste vrienden me via Facebook al bezorgd.

Proefdieren

Ik leerde Majad, die begin dertig is, in 2013 kennen toen ik in het Turks-Syrische grensgebied op reportage was. Syrië haalde vrijwel alleen nog het nieuws met berichten over de gruwelen van het regime, bloeddorstige rebellen en gewetenloze IS-strijders. Ik wilde weten hoe het degenen verging die massaal hadden geprotesteerd tegen het bewind van Assad. Zo kwam ik via Syriërs in ballingschap bij Majad en zijn vrienden terecht. Ze hadden vooraan gestaan toen de demonstraties in Aleppo in 2011 begonnen. Nadat de oorlog hun stad in zijn greep kreeg en steeds meer burgers ontheemd raakten, begonnen ze enkele hulpprojecten die na verloop van tijd vanuit Turkije werden aangestuurd. Majad was op het eerste gezicht een stoere verschijning in leren jack en spijkerbroek, maar al snel bleek dat daarin een klein hartje schuilde. Hij raakte regelmatig aangeslagen toen we dagenlang de vluchtelingen die Turkije binnenstroomden interviewden. Zo troffen we de twaalfjarige Ramien die haar armen spreidde om de grootte van de beruchte vatbom aan te geven. ‘Ze vielen van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. We zijn net proefdieren op wie ze alles uitproberen,’ vertelde haar moeder. We spraken Mona van zestien, die vertelde hoe er geen beginnen aan was de lichaamsdelen die ze overal zag liggen, nog te bergen. ‘Mijn vader dacht een vrouw te redden, maar hij trok slechts twee benen uit de brokstukken van een gebouw.’

Verreweg de meeste Syriërs die we spraken waren op drift geraakt vanwege de bombardementen door het regime van Assad, maar ook aanvallen door rebellen en grondgevechten eisten hun tol onder de burgers. Majad vond dat hij bofte vergeleken met de landgenoten die hij aan de grens ontmoette. Zijn vrouw en hij hadden een dak boven hun hoofd en het Turkse Antakya, dat met een centrum van hellende historische straatjes aan Aleppo deed denken, was toch een soort thuis geworden. Hij voelde zich in ieder geval geen vluchteling.

Gevoelige antenne

Hij werd vader van een dochtertje. De doorwaakte nachten waren hem aan te zien. Zijn stoere kuif stond minder zorgvuldig in de gel dan gewoonlijk en zijn ogen waren bloeddoorlopen. Maar in zijn werkkamer stonden de sigaretten en de koffie als vanouds binnen handbereik.

Terwijl Khani in de slaapkamer met de baby in de weer was, wenkte hij me op een middag naar de wandkast. Hij viste twee metalen bollen tussen de blauwglazen schaal en de scheepjes in een fles vandaan. De ene was zo groot als een pingpongbal, de andere een slag kleiner. ‘Die vond ik in Aleppo op het lichaam van een dode vrouw.’ De megakogels zijn afkomstig uit een vatbom die vanuit helikopters van het Syrische leger op het door rebellen gecontroleerde oosten van de stad werden neergesmeten. Terwijl Majad zich uit de voeten maakte voor het vallende stipje dat met de seconde groter werd, dreunde door zijn hoofd: ‘Ik wil het gezichtje van mijn dochter zien.’ Kort na zijn terugkeer kwam Jien ter wereld. Haar naam betekent ‘leven’ in het Koerdisch. Hij woog de bollen in zijn hand en zei tegen me: ‘Ooit zal ze vragen wat dit zijn. Dan zal ik haar uitleggen dat dit wapens uit de stad van haar vader zijn.’

Afgelopen zomer, de laatste keer dat we elkaar in Turkije zagen, was hij stiller dan gewoonlijk en soms zelfs somber. Het kon niet anders of de oorlog zou ook Turkije bereiken, meende hij. Net als veel andere Syriërs had hij een gevoelige antenne ontwikkeld voor het opvangen van de eerste signalen van een naderend conflict. De strijd tegen de Koerden was alweer opgelaaid en dat was vast nog maar het begin. Hij werkte inmiddels voor internationale media aan enkele gevoelige dossiers. Hij betrapte zichzelf erop dat hij in Turkije net als in het Syrië van Assad over zijn schouder begon te kijken of hij niet werd gevolgd. Anders dan voorheen wilde hij niet met me mee naar de officiële grensovergang met Syrië. Daar was hij enkele weken eerder door de Turkse autoriteiten geslagen en teruggestuurd naar Syrië. Het was een wonder dat het lukte illegaal terug te komen. Na die ervaring zei hij tegen zichzelf: ‘Ik zal in Turkije nooit rechten hebben. Ze zullen me nooit respecteren.’ De overweging om te vluchten schemerde wel vaker door onze gesprekken heen, maar ik kende hem inmiddels goed genoeg om te weten dat het vertrek deze keer een flink stuk dichterbij was gekomen.

Zenuwslopende dagen

Het loopt tegen etenstijd als ik in Nieuw-Vennep arriveer. Door de ramen van de rijtjeshuizen zie ik overal dezelfde gezinstaferelen. Onwillekeurig gaan mijn gedachten naar de vernielde straten van Aleppo. Het verschil tussen chaos en ordentelijkheid kan niet groter zijn. Maar Alaa vindt het prettig in de nieuwbouwwijk heeft hij me verteld. ‘Rustig,’ zei hij in het Nederlands. Alaa was de succesvolle eigenaar van een fabriek waar spijkerbroeken werden geverfd voordat hij met Majad en zijn vrienden in de hulpverlening belandde. Maar ik zie vooral een zachtaardige man die het anderen graag naar de zin maakt. Zijn Facebookpagina drukt een pijnlijk verlangen naar rust en vrede uit. Hij heeft een liedje van Toon Hermans gepost. ‘Er moeten mensen zijn die zonnen aansteken voordat de wereld verregent.’ Bij zulke mensen wil ik horen, heeft hij er met een hartje onder geschreven. Ook Maaike Ouboter met Dat ik je mis spreekt hem blijkbaar aan. Het verbaast me niet dat hij geen ‘nee’ weet te zeggen als nieuw gearriveerde vluchtelingen hem om hulp of een slaapplek in zijn huis vragen. Liefst zou hij zijn ervaring als ondernemer achter zich laten en in de internationale hulpverlening verder gaan, vertelde hij.

Het kleine appartement van twee verdiepingen is smetteloos en geurt naar koffie. Ik zet de meegebrachte schuimtaart met één kaarsje erop naast de mokken. Terwijl Majad op zijn mobiel Skype aanklikt, zingen we Happy Birthday voor Jien in Turkije.

Het zijn zenuwslopende dagen. De broer van Alaa is vanuit Syrië onderweg. Hij woonde in het gebied waar het Syrische bewind de controle heeft, maar ook daar is de oorlog merkbaar. Steeds meer jonge mannen worden opgeroepen om te vechten. Begrafenissen van gesneuvelde militairen zijn een dagelijks tafereel geworden en met de gestegen prijzen en werkloosheid is het bestaan nog uitzichtlozer dan het vaak al was voor wie geen kapitaal of connecties heeft. Samen volgen ze de tocht van Alaas broer door Europa. Als de grenzen van enkele landen dichtgaan, duurt het uren voor ze vernemen dat hij er als een van de laatsten nog net overheen getrokken is. Soms valt de communicatie weg terwijl ondertussen geruchten over arrestaties en nieuwe grenscontroles circuleren. Tot overmaat van ramp raakt het treinverkeer in Duitsland danig in de war. Het gezicht van Alaa wordt onder zijn donkere haar met staartje bleker en bleker. ‘Moet ik hem gaan ophalen?’ vraagt hij zich ongerust af. Dan komt in de loop van de middag een onbekende Duitse vrouw aan de telefoon. ‘Maak je geen zorgen over je broer. Ik reis met hem mee tot hij veilig en wel in Amsterdam is.’

Stijlvol colbertje

Het is rond middernacht als Majad en Alaa op het Centraal Station arriveren. Ondanks de gure wind draagt Majad een stijlvol colbertje van ruwe bruine stof. ‘Ik wil er niet uitzien als een vluchteling,’ zegt hij op stugge toon als ik hem een compliment maak over het jasje. ‘Ik ben hier gekomen voor een leven in waardigheid.’ Naast hem tuurt Alaa nerveus het stille, nauwelijks verlichte perron af. Dan begint hij te rennen. Hij komt terug met een man wiens doorgroefde gezicht meer zegt dan de enkele woorden waarmee hij over zijn tocht vertelt.

De gesprekken met zijn achtergebleven vrouw brengen Majad uit zijn evenwicht. Ik zie ook hoe hij af en toe zijn telefoon kust.

Een paar dagen later staan ze weer op het Centraal Station. Deze keer in oranje T-shirts met de tekst: ‘Vluchtelingen welkom. We zijn hier om jullie te assisteren’ in het Engels en Arabisch. Ze hebben zich aangesloten bij een groep vrijwilligers die asielzoekers opvangt. Alaa schikt zich al snel in de enthousiaste gemoedelijke sfeer, maar Majad heeft er moeite mee dat het er minder georganiseerd aan toegaat dan bij de hulpverlening in Aleppo. Hij is de stress van zijn oude bestaan nog lang niet kwijt en zijn stem gaat te pas en te onpas een volume hoger. De gesprekken met zijn achtergebleven vrouw brengen hem uit zijn evenwicht. Soms heeft hij haar op een dag meerdere keren aan de lijn en dat leidt regelmatig tot irritatie. Ik zie ook hoe hij af en toe zijn telefoon kust. Daarop prijkt een foto van Jiens eerste verjaardag: een engeltje in een wit jurkje met bloemetjes in haar krullen. ‘De situatie in Turkije verslechtert. Hoe krijg ik ze zo snel mogelijk daar weg?’

De kleine hoek in het Centraal Station wil de ontheemde reizigers een warm welkom bieden voordat ze naar de massale noodopvang of provisorisch onderdak vertrekken. Elke avond staan jonge vrijwilligers uit alle delen van de wereld paraat met hartelijke woorden en spullen die variëren van simkaarten en bellenblaas tot gekleurde wanten en zelfgemaakte linzensoep. Majad laat een joch van vijftien op zijn eigen telefoon naar familie bellen. Alaa zingt een zelfverzonnen liedje voor de baby van enkele maanden die hij naar de bus voor het opvangcentrum draagt. ‘Rustig maar, je bent hier veilig,’ neuriet hij.

‘We zijn van nut,’ zeggen ze allebei aan het eind van de avond. Maar in hun hoofd zitten ook de beelden van al diegenen die de oversteek nog moeten maken. ‘Hadden we maar een Mozes die met zijn staf de zee splijt,’ zegt Majad.

Illustratie: Erik Kriek
Complottheorieën

Het appartement heeft sinds mijn vorige bezoek meer sfeer gekregen. Een van de muren is beplakt met tientallen zwart-witfoto’s van vrienden uit Aleppo. ‘Soms voel ik me goed en soms voel ik me slecht als ik ernaar kijk. Maar ik wil hoe dan ook hun gezichten zien,’ zegt Alaa. Slechts een handjevol vrienden is nog in Syrië. Anderen zitten verspreid over de wereld. Weer anderen zijn omgekomen of vermist. De muur van de martelaren, had Anas opgemerkt, een van de jongens wiens gezicht ook de woonkamer inkijkt.

Majad wordt verwacht in het AZC voor zijn wekelijkse melding. Maar met een kop koffie en een sigaret, zijn haren nog in de war, staat hij in de journalistenstand. Rusland is enkele dagen eerder begonnen met luchtaanvallen op Syrië. Hij heeft de locaties waar de bommen vallen in kaart gebracht. De informatie dat Rusland IS bestrijdt, klopt helemaal niet. De vliegtuigen mikken vooral op rebellengroepen die het de troepen van Assad lastig maken. Hij vraagt zich af wat de opties voor de soennieten zullen worden als hun organisaties verder verzwakt raken. En wat als hun aartsvijand Assad straks ook voor het Westen weer een noodgedwongen partner wordt in de politieke onderhandelingen en de strijd tegen IS? Over dat idee kan hij zich net als veel andere Syriërs mateloos opwinden. Assad als bestrijder van IS, terwijl zijn troepen IS de afgelopen jaren juist opvallend met rust lieten en de Syrische overheid hun olie aankocht, schampert hij. ‘Zonder Assad en zijn voortdurende bombardementen zouden de rebellengroepen allang afgerekend hebben met IS.’ Ook voor de rol van Turkije heeft hij geen goed woord over. Met eigen ogen zag hij buitenlandse strijders in spe bij honderden de grens tussen Turkije en Syrië oversteken terwijl hen geen strobreed in de weg werd gelegd. En Turkije is een dankbaar afnemer van de olie uit IS-gebied.

Hij bestudeert het landschap dat voorbijtrekt en zegt: ‘Wat een boel lege kantoren. Kunnen we daar niet wonen?’

Er speelt nog meer. ‘Veel mensen denken dat westerse landen met een oorlog tegen de islam bezig zijn. Ze kunnen anders niet verklaren waarom het regime van Assad niet wordt aangepakt.’ In het klimaat van woede en angst en het gevoel door de wereld in de steek gelaten te zijn, spoken allerlei complottheorieën lustig rond. Ook de gedachte dat de bombardementen van de internationale coalitie, die vorig jaar al begonnen, vooral dienden om IS van de olievelden te verjagen, is populair.

Ik sla hem gade terwijl hij zijn spullen pakt. Zijn hoofd moet overuren maken. En ook de slaap brengt lang niet altijd rust. Soms droomt hij dat hij door de mukhabarat van Assad wordt opgepakt. Een volgende keer probeert hij tevergeefs Khani en Jien te redden terwijl zijn geboortedorp door IS wordt aangevallen.

Als bushaltes met namen als Toorenburg en Visch en Graan passeren, zit hij nog steeds hardop te denken. Het klinkt alsof hij een op hol geslagen film van commentaar voorziet. Zijn aankomst in Griekenland zit hem nog steeds behoorlijk dwars. De orders die Griekse beveiligers hem en zijn lotgenoten toesnauwden. Was hij echt in Europa? Met zijn voorhoofd in een boze frons doet hij hen na: ‘Ik wil je lach niet zien. Ik wil niet eens je tanden zien. Doe jullie zonnebrillen af. We zijn niet jullie taxichauffeurs.’ Even later bestudeert hij het landschap dat aan het raam voorbijtrekt en zegt: ‘Wat een boel lege kantoren. Kunnen we daar niet wonen?’

Hij vraagt zich af hoe het verder moet in zijn noodopvang met vierhonderd mannen in barakken en een ongewisse toekomst in het verschiet. ‘En pingpongtafels en frisbees om de tijd te doden. Stel je dat eens voor.’

Tussen de zwarte schermen voert een smal pad bezaaid met houtsnippers naar de barakken van het kamp. De mannen die naar buiten komen hebben allemaal dezelfde trainingsbroeken en dezelfde vermoeide gezichten.

Als de aanmelding achter de rug is, kijkt Majad vanaf de bushalte om zich heen. Een man met een uitdrukkingsloos gezicht fietst over de stille B-weg langs een kantoorgebouw en een enkel huis. ‘Er is hier niets in de omgeving. Het voelt alsof we er niet mogen zijn. Zijn we soms mensen om je voor te schamen?’

Alsof we roofdieren zijn

Hij volgt de Nederlandse discussie over vluchtelingen zo veel hij kan. Deels uit journalistieke interesse, deels omdat hij wil weten met wat voor klimaat hij en zijn gezin te maken krijgen. Met Alaa kijkt hij op de grote flatscreen in de woonkamer regelmatig naar het NOS Journaal. Krantenartikelen en de commentaren van lezers stopt hij in Google Translate. ‘Alsof we roofdieren zijn,’ zegt hij als hij foto’s bekijkt van spandoeken die waarschuwen voor oversekste mannen die Hollandse dochters komen verkrachten.

Op een middag laat hij op zijn smartphone een link zien van de wekelijkse talkshow van PowNed. Hij legt uit dat de clip waarin de Syrische vluchteling Ahmed vertelt dat hij in het ziekenhuis was opgenomen vanwege opgezwollen testikels, viral ging op internet. In talloze reacties op Arabische sites wordt Ahmed verguisd en bedreigd. Hij vindt het moeilijk te geloven dat zijn landgenoot zulke intieme informatie zomaar voor een televisiecamera heeft verteld. De kwestie laat hem niet meer los.

Op een grijze decemberdag begeeft hij zich na drie koppen koffie en de nodige sigaretten richting rechtszaal waar Ahmed via een advocaat een rectificatie en schadevergoeding van PowNed eist omdat de verslaggeefster zich als een studente voordeed en de uitgezonden clipjes een ongenuanceerde afspiegeling van het gesprek vormen. Majads ogen worden groot van verontwaardiging als de advocaat van PowNed in het slotpleidooi betoogt dat de averij tussen Ahmed en zijn echtgenote als gevolg van de uitzending vast wel meevalt omdat zij in een oorlogszone verblijft en moet zorgen dat ze aan eten komt en niet gebombardeerd wordt. ‘Natuurlijk is er schade. Ahmeds vrouw woont in een traditioneel gebied waar de eer van familie en stam heel zwaar tellen.’ Wat de rechter ook gaat beslissen, hij is net als Ahmed en andere geïnterviewden blij dat de kwestie voorkwam, zegt hij na afloop van de zitting. Zo is de gang van zaken in ieder geval niet ongemerkt voorbijgegaan.

Op haar mobiel heeft Khani een programma om Nederlands te leren. Ze probeert ‘Dankjewel’ en ‘Goedendag’ op me uit.

Verboden waar

Bij de Turkse busstations vlak bij de grens met Syrië beginnen elke dag honderden anderen aan de troosteloze Odyssee die Majad al achter de rug heeft. Als ik instap om naar de kustplaats Didim te reizen vanwaar Majad met de boot vertrok, beland ik achter een jongen van een jaar of vijftien met een opgejaagde blik. Zijn groene legerbroek heeft vegen vuil en ook zijn kleine tas is besmeurd. Hij verspreidt de doordringend zurige lucht van ongewassen lijven. Zodra de bus begint te rijden, valt hij pardoes in slaap. Bij volgende stops vullen tientallen Syriërs de stoelen op. Veel mannen maar ook vrouwen, kinderen en baby’s. Enkele uren later kijk ik met bevreemding naar de glinsterende zee en de reclameborden die hotels aanprijzen. Vanaf een dubbeldeksboot in de haven van Didim klinkt muziek. Witte oleander en gele afrikaantjes omlijnen de promenade. Een fontein spettert over blauwstenen dolfijnen. Op het terras zitten Britse jonge vrouwen aan de witte wijn. Veertig Turkse lires (ongeveer vijftien euro) zegt een handgeschreven bordje op een paar oranje zwemvesten. De eigenaar komt argwanend naar buiten als ik de smalle riempjes en het dunne piepschuim bekijk. Majad schatte dat die vesten het hooguit twee uur zouden volhouden op open zee. Hij was een geoefend zwemmer maar voor de zekerheid had hij zich tijdens de oversteek in een autoband gehesen.

Na enig zoeken vind ik de plaats waar Majad als verboden waar zat ondergebracht voordat de boot vertrok. Achter schermen van groen gaas gaat een haveloos huis van drie verdiepingen schuil. Witte plastic stoelen en een tafeltje staan schots en scheef voor de ingang. De ramen zijn dicht en er is niemand te zien. Vanuit het aangrenzende perceel verschijnt een man. ‘Zoekt u iets?’ vraagt hij nors. Majad heeft me al gewaarschuwd dat de smokkelaars connecties met een militair hebben. Ik maak me wijselijk uit de voeten.

Bij een strandtent wiegt een snoer gekleurde lampjes in de opstekende avondwind. De huizen lichten nog even op in de laatste zonnestralen. Dan flitst op nabijgelegen gevels het nachtleven in neonletters aan: All Day All Night Free Your Mind.

Onwerkelijk leeg

Khani is een energieke verschijning met een zwierige bos haar en heldere ogen. ‘Ik weet dat we geduld moeten hebben,’ zegt ze als ik haar opzoek in het appartement in Antakya. Ze probeert te klinken alsof dat haar lukt, maar haar ogen vertellen een ander verhaal. Ze werkte in Damascus jarenlang als accountant en hield van haar baan. Haar bestaan is klein geworden nu ze alleen is met haar dochtertje Jien en haar moeder die naar Finland hoopt te vertrekken. De Turkse buurtbewoners beginnen steeds vaker te vragen waar Majad is gebleven. Ze houdt zich op de vlakte met verhalen dat hij op reis is voor zijn werk. De deur gaat steevast stevig op slot en ze laat niemand binnen.

Het onberispelijke appartement voelt onwerkelijk leeg zonder Majad en zijn drukke verhalen. In de glazen wandkast herinnert The Waste Land van T.S. Eliot aan zijn boekensmaak. Enkele van de regels klinken toepasselijk. ‘Wait without thought for you are not ready for thought.’ De kogels van de vatbom uit Aleppo die hij me liet zien, zijn verdwenen. In de slaapkamer staat zijn weekendtas met winterkleren en boeken van Milan Kundera en Orhan Pamuk al weken ingepakt. Ook de laptop en de diploma’s die hij niet mee wilde nemen op de boot heeft Khani klaargezet. Ze glimlacht als Jien in haar spijkerrokje en roze maillot op onvaste beentjes naar het dressoir dribbelt en Baba (papa) zegt tegen de foto van Majad en Khani.

Meestal praat ze niet veel over de situatie in haar land. Maar deze keer komt er een fikse dosis bitterheid naar boven. ‘Mijn familie woont inmiddels in zeven verschillende landen. Mijn broers vertrokken om aan arrestatie en dienstplicht te ontkomen.’ Met bedrijvige gebaren en Jien op haar heup schikt ze de schalen met kibbe en rijst met doperwten op de tafel. Haar toon wordt bozer als ze vervolgt: ‘In dienst om te doden. En te doden waarvoor?’ Ze zou willen weten hoe Assad het klaarspeelt om rustig te slapen. En zijn vrouw Asma? Zou die inmiddels aan iets anders denken dan aan de modieuze outfits waarin ze vroeger zo graag voor de camera verscheen?

Af en toe stokt ons gesprek. Ik weet dat ze vragen heeft over Majads bestaan in Nederland, maar ik waag me niet aan een verhaal dat hij zo veel mogelijk bij haar weg probeert te houden.

Op haar mobiele telefoon heeft ze een programma om Nederlands te leren. Ze probeert ‘Dankjewel’, ‘Goedendag’ en ‘Hoe gaat het?’ op me uit. Samen sjouwen we de tassen met spullen voor Majad naar buiten. ‘Zeg tegen Majad dat ik hem heel erg mis,’ fluistert ze terwijl ik in de taxi stap. Het is het enige moment dat ze emotie toont. Als ik op mijn hotelkamer een paar shirts naar mijn koffer overpak, zie ik dat ze een doosje stervormige waxinelichtjes tussen de spullen van haar man heeft gestopt.

Minka Nijhuis schreef eerder over Majad in VN, zie vn.nl/majad