Zelden een beweeglijker man ontmoet dan Wayne McLennan. Er kleeft niks hoekigs of stroefs aan hem; eerder lijkt hij te beantwoorden aan een ritme dat alleen hijzelf hoort. Terwijl hij vertelt, draait hij een schouder naar voren, als om een hoekstoot te ontwijken. Zijn hoofd blijft ook geen seconde op dezelfde plaats, lijkt het. Watervlug, schiet door mij heen. Wel een cliché om te gebruiken bij een vedergewicht. Maar op hem nu eenmaal scherp van toepassing. En dan die vuisten, proportioneel niet in overeenstemming met de rest van zijn lichaam. Grote jatten, knokkels met eelt erop. Om voor uit te kijken.

Krankjorum natuurlijk, pueriel misschien zelfs om zo een gespreksgenoot te meten, alsof ieder moment een ongekend mano a mano kan losbarsten. Maar hey, de geboren Australiër Wayne McLennan (1954) mag dan een veelvoud aan banen hebben uitgeoefend in zijn rijkgeschakeerde leven, van bouwvakker, barkeeper en zijdehandelaar tot bankmedewerker, en hij mag de schrijver zijn van de literaire non-fictieboeken De dood van Juan Bravos, Prijsvechten, Zuivere zijde en Een nacht bij de rivier – toch vergeet je geen seconde dat hij ook profbokser was. Niet eens zozeer door zijn uiterlijk, met die gebroken neus. Tenslotte bevinden we ons bij het legendarische vechtsportcentrum Kops Gym en een beetje aanwezige heeft daar wel zo’n neus en bloemkooloren – als ereteken onder gladiatoren.

De liefde bracht hem in 1985 naar Amsterdam, twee jaar nadat hij zijn latere vrouw, de Nederlandse reisverhalenschrijfster Carolijn Visser, ontmoet had in Costa Rica.

Wayne vertelt – dat kan hij enorm goed. Waargebeurde verhalen zijn het. De liefde bracht hem in 1985 naar Amsterdam, twee jaar nadat hij zijn latere vrouw, de Nederlandse reisverhalenschrijfster Carolijn Visser, ontmoet had in Costa Rica. Zij was daar bezig met een boek over gouddelvers, stond daar tussen grote machines, en Wayne, die toen zelf goud dolf, zag haar direct – door de stofwolken heen. Hij had er net vijf uur over gedaan om van de berg naar beneden te komen en hij liet er geen gras over groeien. Dus bietste hij bij haar een sigaret en zo kwamen ze aan de praat. Een gesprek dat nog voortduurt, glundert hij. Kort daarna verkocht hij zijn pomp, schep en zeef, nam het vliegtuig en kwam met zijn laatste achthonderd dollars in Nederland aan. Goed, daartussen zat een grote Australische reis van hem en Carolijn, maar dat is een ander verhaal.

Sociale functie

Wayne blijkt een oude bekende bij Kops Gym. Hij kent iedereen en iedereen kent hem. Meervoudig worstelkampioen en BN’er Bert Kops complimenteert hem met zijn nieuwe boek. Greetje Kops, die het bedrijf zakelijk runt, schenkt hem een koffie in. Hun vader, Bert Kops Sr., de topatleet die als worstelaar Olympisch goud liet zitten omdat hij uit principe niet langer wilde winnen nadat Palestijnse terroristen zijn Israëlische sportvrienden hadden afgeslacht in München 1972, spreekt met hem over het verleden. De chemie is merkbaar; zowel Kops Gym als Wayne zinderen van de verhalen.

‘Ik had in Australië als jonge man tweeëntwintig partijen gebokst, waarvan acht als prof. Het kriebelde nog steeds.’

Kijk, je kunt niet de hele dag in de weer zijn met liefde, gebaart hij ruimhartig. Tenslotte wilde Carolijn haar boek schrijven en zelf begon Wayne een winkel in de Hartenstraat, hartje Jordaan: McLennan’s Pure Silk. Maar wanneer, wanneer, Jeroen – hij kijkt mij diepborend aan – voelt een migrant zich thuis? Bij Kops, antwoord ik beaat.

Want daar spraken we af. Hij knikt. Ik wacht zijn toelichting niet af, maar pak zijn laatste boek erbij, Een nacht bij de rivier. En lees de schrijver zijn eigen passage voor: ‘Ik bokste in sportschool Kops aan de Amstel, omdat ik een bokser was: ik had in Australië als jonge man tweeëntwintig partijen gebokst, waarvan acht als prof. Het kriebelde nog steeds, ik kon er niet wegblijven. Het ging er op de sportschool hard maar moederlijk aan toe, het is een plek waar wederzijds respect wordt geëist. De eigenaren zijn als familie.’

Ja, ja, knikt Wayne haastig, hier voel ik mij thuis, wie je bent en waar je vandaan komt, doet er hier niet toe. Doe je mee, dan word je volwaardig geaccepteerd. Kops heeft ook een belangrijke sociale functie, er komen mensen voor wie het trainen daar hun leven is. Zelf train ik er zo’n vijf keer per week.

Zaktraining

Actie. Het is na de koffie tijd voor actie. We lopen de zaal in, waar het zo vroeg in de ochtend al bedrijvig is. Nadat Wayne zich heeft omgekleed, stapt hij direct de ring in. Even mijn oefeningen doen, excuseert hij zich. Boksers doen aan touwtjespringen. Verdomd moeilijk, weet ik uit eigen ervaring. Ook heb ik een donkerbruin vermoeden dat touwtjespringen lastiger is voor een zwaargewicht, zie maar eens al die massa omhoog te jumpen. Wayne daarentegen heeft in zijn tijd gebokst in de gewichtsklasse van 58 kilo. Veel zwaarder dan zestig kilo is hij tegenwoordig niet, schat ik zo in.

Een kwartier lang springt hij, het touw zoeft zo snel dat ik het niet meer zie wanneer het onder zijn voeten glijdt. En niet eens hijgen daarna.

Maar het schouwspel dat hij biedt, daar in die ring, had ik niet verwacht. Een kwartier lang springt hij, het touw zoeft zo snel dat ik het niet meer zie wanneer het onder zijn voeten glijdt. En niet eens hijgen daarna. Allemachtig. Hij wel.

Daarna is het tijd voor de zaktraining – weer vijftien minuten. De ene na de andere combinatie laat hij los op de ‘heavy bag’, vooral hoeken en leverstoten. Effectief wanneer je een langere tegenstander hebt, wiens gezicht je niet kunt bereiken – Wayne is zelf aan de kleine kant. Harde stoten, de zak kreunt ervan.

Tot besluit gaat hij een kwartier schaduwboksen. Uiterst beweeglijk en vooral ánders dan wat je meestal in Europa ziet; minder rechtop-met-hoge-dekking, minder veilig. Nee, deze stijl is meer Latijns-Amerikaans, meer dansant, cocky.  Wedstrijden doet hij dan wel niet meer, maar McLennan heeft duidelijk zijn kunst niet verleerd.

Na wat bescheidenheidsformules beaamt hij dat. Op zijn vijftigste vocht hij zijn laatste profpartij, maar niet lang geleden sparde hij nog met een aanmerkelijk jongere wereldtitelkandidaat uit Nicaragua. ‘Hij was in een goede conditie. Alles moest ik geven… Nog een week daarna was ik dood,’ grinnikt hij.

Hij maakte deel uit van een groep kermisboksers, vooral Aboriginals, die van gehucht tot gehucht trokken op het platteland van Australië.

Boksen is for life, de ongekende intensiteit, de scherpe sensatie dat je leeft. Kijk, zegt hij, we moeten niet overdrijven. Als jongen kwam hij als puike amateur van het platteland in New South Wales en hij moest het opnemen tegen sterke boksers in steden als Newcastle en Sydney. Daarna volgde de rijkste leerschool, zoals vereeuwigd in zijn boek Prijsvechten. Hij maakte deel uit van een groep kermisboksers, vooral Aboriginals, die van gehucht tot gehucht trokken op het platteland van Australië. Plaatselijke krachtpatsers konden daar in een feesttent met hen hun krachten meten. Daar sloot hij als blanke met zwarte Australiërs – Aboriginals – levenslange vriendschappen. Door het boksen was dat opeens, uitzonderlijk genoeg, mogelijk. Hoe het die mates van toen verging staat in Een nacht bij de rivier, het vervolg van Prijsvechten, dat twintig jaar later speelt.

Niet zo dapper

Ik vraag hem wat het boksen hem heeft gebracht.

Niet wat ik wilde, zegt hij. Hij wilde kampioen worden, de grootste. Maar tegelijkertijd bracht het hem alles. Het was zijn manier om weg te kunnen gaan uit zijn geboortestadje. Hij wilde altijd al weg, had veel fantasie, keek op de televisie naar Tales of The South Pacific, naar het boek van James A. Michener. Dát wilde hij zijn: een man met een boot op zee, die handeldreef. Romantisch ja, maar tegelijkertijd was hij ook niet zo dapper. Boksen was een manier om zich te bewijzen.

Bovendien was zijn oom een goede bokser, die zich op zijn zestiende kwalificeerde voor de Olympische ploeg. Hij was een voorbeeld in zijn jeugd. Zijn vader was een stoere mijnwerker die overleed toen hij zeven was. Vaderlief dronk veel en was niet zachtzinnig voor Waynes moeder, maar voor zijn oom was hij bang, die hield hem onder controle. Al jong zag Wayne hoe bijzonder zijn oom was als bokser, niet alleen door zijn techniek, hij kon zijn tegenstander ook als geen ander lezen. Zijn moeder hertrouwde zeven jaar na de dood van zijn vader met een schat van een man, ook een bokser.

‘Ik probeer zelf ook boksers te stimuleren, waar ik ook kom. Door ze te trainen en vaak door geld ter beschikking te stellen – boksers hebben nooit geld.’

Hij zegt: ‘Ik probeer zelf ook boksers te stimuleren, waar ik ook kom. Door ze te trainen en vaak door geld ter beschikking te stellen – boksers hebben nooit geld. Het leuke is dat de boksers die ik opleidde in Nicaragua nu zelf trainer zijn. Talent is ook iets dat je kunt doorgeven.’

Vrijheid, pure, onbegrensde vrijheid

Tijdens zijn training daarnet had Wayne mij gevraagd te waken over zijn halsketting, waaraan een massief goudklompje bungelt. Ik geef het hem terug, met gespeelde tegenzin. Hij moet erom lachen en maakt duidelijk dat je als gouddelver iedere dag wel een beetje goud vindt, maar zelden zo’n joekel van een klomp. Eigenlijk houd je er niks aan over. Wat dat betreft is het net als met boksen. Een profbokser houdt van zijn loopbaan een huis over – als hij geluk heeft en verstandig was. Het ging Wayne bij dat werk dan ook om iets anders, net als toen hij met een vissersboot in Alaska (en later in Nicaragua) aan de kost probeerde te komen. Of toen hij goud inkocht in Nicaragua om dat in Honduras met winst te kunnen verkopen – economisch een mislukking. Het ging hem daarbij om vrijheid, pure, onbegrensde vrijheid.

Door zich aan te passen, kon hij zich overal thuis voelen, zegt hij.

Onafhankelijkheid. Om precies te doen wat hij wilde. Om op het arme platteland in het noorden van Nicaragua gratis boksles te kunnen geven aan jonge talenten. Of om met een fles rum en sigaren binnen handbereik rivieren te bevaren in Nicaragua.

Er was maar één voorwaarde om die droom te kunnen verwezenlijken: hij moest in zijn levensonderhoud kunnen voorzien. Dus nam hij van alles aan, hij was ook nog bordenwasser, bomenplanter, bouwvakker in Londen. Door zich aan te passen, kon hij zich overal thuis voelen, zegt hij. Maar Nederland betekent meer, als thuis. Niet alleen door de liefde en de helse moeite die hij zich moest getroosten om de taal te leren, maar vooral op cultureel vlak.

Passie voor musicals

In Londen raakte hij bevriend met een medebarkeeper, die zijn passie voor musicals op hem overbracht. Hij was homo, zijn eerste homovriend, want homo’s heb je niet in Australië, spot hij. Zeker niet daar waar hij vandaan kwam. Die vriendschap kostte hem ook nog bijna zijn leven. Want deze Brian had op zeker moment een eigen pub in Londen, waar Wayne aan de toog hing met drie anderen. Komen er vijftien skinheads binnen. Een van hen tekent een hakenkruis op een beslagen ruit. Een kleine Ier veegt dat uit en het was raak. Brian dook onder de toog, Wayne niet. Een grote matpartij brak uit. Met volle kracht werd hij geraakt door een barkruk tegen zijn hoofd. Erger dan toen hij knock-out werd geslagen tijdens wedstrijden… Hij herneemt zich. Carolijn nam hem mee naar balletvoorstellingen en musea in Nederland, een betoverende wereld opende zich.

Dus nu die vrijblijvende inclusiviteit, als verdienmodel voor een paar Aboriginals – welcome to the country, sneert hij.

En dan ga je terug, naar Australië, naar je vrienden de Aboriginals, zeg ik. Zijn gezicht betrekt. Hij vertelt dat er voor de bühne veel aan politieke correctheid wordt gedaan in zijn land van herkomst. Er is geen plechtigheid of die wordt geopend door een Aboriginal, uit eerbetoon aan de eerste bewoners van het land. Wier kinderen geroofd zijn, die uitgemoord zijn, slecht behandeld, zegt hij bitter. Dus nu die vrijblijvende inclusiviteit, als verdienmodel voor een paar Aboriginals – welcome to the country, sneert hij.

Maar zijn vrienden zijn daarmee niet geholpen. Zoveel goed opgeleide Aboriginals zijn er helaas niet. Hij wil het niet hebben over de drugs – crack – die als een epidemie in het hele continent slachtoffers maken, vooral onder Aboriginals. Liever koestert hij de herinnering aan zijn weerzien met zijn Aboriginal boksvrienden. Echt contact als blanke – vriendschap – is mogelijk met hen, als je je aanpast, je tijdsbesef uitschakelt en uren met ze doorbrengt zonder blik op de klok – door te drinken, ’s nachts te hangen bij de rivier. Maar de liefde, het respect en de vriendschap die je terugkrijgt zijn onbeschrijflijk.

Ga schrijven!

Ja, een goed gevuld bestaan, waarvan hij geen spijt heeft, zegt hij. Maar één ding had hij nooit gedacht: dat hij zou gaan schrijven. Dat ging zo: Carolijn en hij waren in Estland. Zij werkte daar aan een nieuw boek, maar wat moest hij. Houthakken, drinken. Op een gegeven ogenblik was hij dat zo beu dat hij luid klaagde. Ga schrijven, zei Carolijn, je vertelt altijd verhalen, schrijf ze op. Uren achtereen ramde hij op de typmachine. Van techniek had hij nog geen benul, maar hij kreeg de verhalen op papier. Puur instinct, noemt hij dat. Daarna begon het zware werk: herschrijven.

Schrijven heeft zijn leven gered. Zijn hele leven wilde hij iets ontdekken dat de hoogste eisen aan hem stelde.

Zo werd een auteur van het vooraanstaande Britse literaire tijdschrift Granta geboren. In de tijd van de eminente hoofdredacteur Ian Jack nog wel, toen het blad op zijn hoogtepunt was. De dood van Juan Bravos werd door Granta uitgegeven als Rowing to Alaska, naar het verhaal in die bundel over Waynes roeitocht met een Amerikaanse vriend van Seattle naar Juneau. Hij kon zijn geluk niet op. In Australië reageerden bekenden met: wat? Jij? Van die avonturendrift wisten ze, maar schrijven hadden ze nooit achter hem gezocht. Maar ook daar waren de recensies lyrisch.

Zo is het begonnen, zegt hij. Ten teken dat zijn verhaal verteld is.

Maar toch is er nog iets, zie ik. Hij aarzelt. Moet hij dit wel zeggen? Dit is toch niet on the record?

Dan komt het hoge woord eruit. Schrijven heeft zijn leven gered. Zijn hele leven wilde hij iets ontdekken dat de hoogste eisen aan hem stelde. Altijd hard gewerkt, en soms met succes – zoals met die zijdewinkel waarvoor hij China bereisde. Maar wilde hij wel winkelier zijn, vroeg hij zich op een zeker moment af. Zoals hij zich dat eerder afvroeg als goudzoeker, of visser. Altijd het besef dat er meer moest zijn in het leven, als je je maar klaar houdt, het avontuur aangaat, je angst overschreeuwt. Voor het eerst ontdekte hij dat hij iets deed wat anderen plezier schonk: schrijven. Iets om voor te leven, wist hij gelijk.