poëtisch proza

Opmerkelijk, Voor altijd voor het laatst, de recente bundel van Tjitske Jansen, bovenmodaal succesvol dichteres, werd de afgelopen maanden her en der in zowel proza- als poëzierubrieken besproken. Dus wat is het nou, proza of poëzie, vraag je je af. De uitgever laat het wijselijk in het midden; kennelijk bevinden we ons in het schemergebied tussen beide genres. Maar nee, zal de een zeggen, het is wel degelijk proza hoor, van ‘oratio provorsa’, doorlopende rede, en dat doen Jansens zinnen hier overduidelijk: ‘Dat we in Roemenië, Tunesië en Spanje waren, weet ik niet omdat ik het me uit de zomers zelf herinner. Ik weet het omdat mijn ouders het me hebben verteld en door de foto’s die ervan zijn.’ Maar dat zegt niks, werpt de ander tegen: in haar vorige dichtbundel Koerikoeloem liepen de regels ook al zo door: ‘Er was iemand aan wie ik vroeg: “Hoe kan het dat wanneer ik me van binnen zo aan flarden voel, mensen er gelukkig van worden als ik mijn gedichten voordraag? Kan ik als ik me zo voel wel iets geven dat van waarde is?”’ Gewone zinnen zo te zien, vanwege de gevoelige inhoud niettemin overal gelezen als poëzie.

Oftewel, wat we hier hebben is een ‘prozagedicht’, alias ‘poëtisch proza’, die merkwaardige hybride tussen proza en poëzie. En om met een variant op Kouwenaar te spreken: ‘het prozagedicht / het is nuttig daarover eens uit te weiden /zij blijft nieuws /niemand kent haar nog goed’.

praatziek

Op school leerden we dat in de achttiende, negentiende eeuw het proza de vertellende functie van poëzie overnam en dat voor de poëzie voortaan de gevoelens resteerden, de expressie, de geheimzinnige marges. Proza, en zeker de roman, die succesvolle negentiende-eeuwse nieuweling, zou daarna de wereld veroveren, het grote publiek. Toch hadden delicate geesten naar het zich laat aanzien algauw weer genoeg van het grovere genre dat in kranten en onder beginnende lezers zoveel opgeld deed. Namens de estheten verwoordde aan het eind van de negentiende eeuw de anemische, nerveuze held Des Esseintes uit Huysmans’ decadente roman À rebours zijn ultieme literaire droom: een roman te schrijven, in enkele zinnen; een roman die het uitgeperste sap van honderden bladzijden zou bevatten. Weg met alle milieuschetsen en karakterbeschrijvingen, alleen nog onherroepelijke woorden! De laatste aanwinst in zijn bibliotheek is dan ook een door hemzelf samengestelde bloemlezing van prozagedichten, de culturele hype van zijn tijd. Het prozagedicht noemde hij ‘het merg, het extract, het wezen van de letterkunde’.Bij ons waren ze er rond de vorige eeuwwisseling ook gevoelig voor: Lodewijk van Deyssel, Aart van der Leeuw, Paul van Ostaijen en bovenal Frans Erens, allemaal schreven ze prozagedichten, in navolging van peetvader Baudelaire met zijn Petits poèmes en prose uit 1867. Hier, Erens’ ‘Amstelveld’ uit zijn Dansen en rhytmen (1893): ‘Met plassen ligt het Amstelveld; ’t schijnt dat je er door henen kijkt, door den grond, als door een versleten stuk tapijt. De plassen spiegelen ’t gouden licht der stijgende zon, stijgend achter de huizenrij van de Prinsengracht. Zie daar gaat een lange meid. Haar schaduw dooft de plassen in het gaan. Zij loopt vóór: de schaduw volgt: dat weet ze niet.’ Ondanks de doorlopende regels toch nog best een dichterlijke tekst.
Maar heel lang duurde de bevlieging niet, geen wonder volgens Vestdijk, die in De glanzende kiemcel nogal zuur de balans opmaakte ‘van wat men “poëtisch proza”, of “prozagedicht”, pleegt te noemen. Deze dichtvorm, waarbij ook het rijm en de regelmatige versvorm ontbreken, noemt men het vers libre, – het “vrije vers”, – en de dichter is dan precies waar hij wezen wil; hij is vrij van alle banden, hij heeft van het metrum geen last meer, hij schrijft verzen met het gemak en de onbevangenheid, waarmee de prozaïst proza schrijft, – althans kan hij zich dit inbeelden… En natuurlijk bevredigt hem dit op den duur allerminst; want een van de bestaansvoorwaarden van het dichterschap is nu eenmaal dat poëzie niet met proza verward wordt, en dan raakt het “vers libre” weer in onbruik.’
Om dan toch na een tijdje ook weer in de mode te raken, want het is waar, Nijhoff, Achterberg en zelfs de Vijftigers, al die kanonnen vóór ons, moesten er niet veel van hebben, met uitzondering overigens van Bert Schierbeek, die met zijn zogeheten ‘proëzie’ in z’n eentje het genre voor uitsterven behoedde. Maar tegenwoordig is het prozagedicht, of als je het van de andere kant wilt benaderen, het poëtisch proza, weer helemaal salonfähig.
Je kon er eigenlijk op wachten. De poëzie barstte de laatste jaren, met grensverleggende en -overschrijdende dichters als Tonnus Oosterhoff, K. Michel en Nachoem Wijnberg, al bijkans uit haar voegen en slokte allerlei proza-elementen op, uit reclamefolders, uit de triviale cultuur, uit tv- en filmteksten. Voeg daarbij het succes van de slampoëzie, van nature nu eenmaal behoorlijk praatziek; en ook in de geschreven dichtkunst begon het parlando-element steeds sterker te overheersen, bijvoorbeeld bij dichteressen als Lieke Marsman en Bernke Klein Zandvoort. Vormvaste gedichten raakten steeds verder in het nauw. Ook denk ik dat de totale zonsverduistering in het experimentele proza een rol kan hebben gespeeld bij de wederopbloei van het prozagedicht. Immers wat in die experimentele teksten altijd een voorname rol speelde, ontregeling, lyriek, surrealisme, ex- en impressionisme, vindt nu een nieuw onderkomen in de poëzie.

vormbesef

Tonnus Oosterhoff begon zijn bundel (Robuuste tongwerken) een stralend plenum met een prozagedicht waarvan de eerste zin luidt ‘het kan niet beter dan zo over de volle breedte, ik gevoel mij bedronken.’ Die volle breedte, dat is natuurlijk het proza, maar dan wel enigszins beneveld. Veel klassieke prozagedichten hebben zo’n (dag)droomachtig, impressionistisch, koortsig of bedronken karakter. Het al te rationele, rechtdoor lopende past ze niet. Dat droomachtige kenmerkt ook het prozagedicht waarmee Mustafa Stitou’s bundel Tempel opent: ‘Op mijn rug torste ik de doodskist waarin mijn vader lag. Diep voorovergebogen, voetje voor voetje, schreed ik wankelend voort. Het ging steeds moeizamer, de last werd te groot, ik hield het niet meer.’ Wie het hardop leest, merkt dat er een soort dactylisch metrum aan ten grondslag ligt, dat de cadans van de loper verbeeldt. Vestdijk: ‘Zo zien wij dan in het geslaagde “vers libre”, dat zich net voldoende van proza onderscheidt om de naam van poëzie te blijven verdienen, grotere, pseudometrische eenheden de kop opsteken: er valt een zekere regelmaat in de opeenvolging der volzinnen te bespeuren; er treden overeenkomsten in zinsconstructie op; herhaling van woorden en zinsdelen; het gebruik van de zelfde beginwoorden in een bepaalde groep volzinnen; een meer of minder regelmatige afwisseling van langere en kortere regels.’ Anders gezegd, in het ‘geslaagde’ prozagedicht resteert wel degelijk nog het nodige vormbesef.
Neem ook deze regels uit Morgen ben ik vrij van Piet Gerbrandy: ‘Van onder vegetatie kropen voeten. Poelen baarden ogen en blazen en monden. Borsten zwollen op uit zandgeel zand. Wie kwam eerder de mond of de roosbenippelde borst. De borst natuurlijk, want melk is woord geworden.’ Proza waar de poëzie onmiskenbaar van afdruppelt.
Maar er zijn er ook die op weg naar de ultieme vrijheid zelfs die allerlaatste vormeisen hebben laten vallen. Nyk de Vries is er zo een, zijn debuut uit 2011 bestaat volgens het omslag helemaal uit ‘prozagedichten’ en inderdaad, de titel klinkt nog wel poëtisch De dingen gebeuren omdat ze rijmen maar de teksten die erin staan, gaan als volgt: ‘Begin jaren negentig probeerde ik de jongens van de band te overtuigen van de verschrikkelijke uitwerking van de technologische vooruitgang, maar onze drummer zei: ik geloof jouw voorspellingen niet. De eindtijd is al zo vaak aangekondigd. We zullen het wel weer overleven’ et cetera.
Laten we dit dan toch maar gewoon proza noemen, voor alle duidelijkheid, en dat geldt ook voor het werk van Tjitske Jansen, niks op tegen, het is kort, ultrakort proza, noem het boutades, schetsjes, impressies, desnoods ‘teksten’, maar geen poëzie. Hetzelfde geldt voor het zojuist verschenen debuut van Marc van der Holst, Pyjamadagen:
De knikkers
Als vandaag de eerste dag van de rest van mijn leven is, wat was gisteren dan? Dag nul? En eergisteren dag min een, de dag daarvoor min twee enzovoorts? Het zou zomaar kunnen. Ik ben allang geleden gestopt met tellen. Ik schat zo rond dag min driehonderdzoveel. Ik ben er maar van uitgegaan dat jij de tel wel zou bijhouden. Je was altijd al beter met getallen.
We zijn hier wel heel erg ver afgedwaald van de ‘onherroepelijke woorden’ van Des Esseintes en misschien moeten we daarom Vestdijks eenvoudige maxime nog maar eens van stal halen: ‘Het wezen der poëzie is daarin gelegen, dat poëzie geen proza is.’
Trouwens, wie van dit soort teksten toch gedichten wil maken, kan terecht op de website van ‘Poëzie in beweging’: ‘Je kunt met behulp van een krantenbericht een gedicht maken. Neem woorden, zinfragmenten of zinnen uit het bericht en plaats deze in een voor jou poëtische volgorde. Je mag natuurlijk ook woorden toevoegen.’ Even bewerken dus en het is alsnog poëzie. Een kind kan de was doen.

VN Bladwijzers film verdicht
Meestal zijn het verhalen die verfilmd worden, maar voor een project van De Wintertuin draaide prozadichter Nyk de Vries het om en bedacht een tekst bij de beelden van een korte film. Het resultaat, ‘Ik verkocht mijn ziel aan een machien’, is een repetitief verhaal over Robert Johnson, een kruispunt en een lief die een slet bleek.

Tjitske Jansen
In tv-programma ‘De Nachtzoen’ vertelt Jansen dat ze op haar twaalfde in een pleeggezin kwam, waar ze voor het eerst werd voorgelezen. Dat vond ze zo prettig dat ze haar ogen wijd open hield om te laten zien dat ze goed luisterde. ‘Je mag je ogen wel dicht doen,’ zei haar pleegmoeder toen. Jansen leest haar gedicht daarover voor. Ga naar

vn.nl/proezie