Op het Griekse eiland Lesbos dreigt een humanitaire ramp, terwijl de opvang van vluchtelingen op het eiland Leros goed verloopt. Hoe komt dat?

Op het Griekse eiland Lesbos strandt de niet aflatende vluchtelingenstroom in een modderpoel van ellende. Op een ander Grieks eiland, Leros, worden de vluchtelingen binnenkort netjes in een groot gebouw verwelkomd. Hoe kan de situatie zo verschillen?

Lesbos en Leros liggen allebei dichtbij Turkije. Lesbos is tien keer zo groot als Leros, en de aantallen vluchtelingen zijn navenant: rond de 27.000 tot nu toe voor Leros, 318.000 voor Lesbos.

Op beide eilanden is er gaandeweg een onwennig samenwerkende hulpverleningsdriehoek ontstaan tussen lokale autoriteiten, professionele organisaties en vrijwilligers. En op beide eilanden neemt de stroom vluchtelingen alleen maar toe. De mensensmokkelaars voeren de aantallen op, want straks is het te koud om de zeeroute  te gebruiken.

Wat ging er op Leros goed? Aanvankelijk heel weinig. Er waren geen hulporganisaties en de burgemeester deed het minimale. Maar de vrijwilligers namen gaandeweg het roer over. Het is een keihard werkende coalitie van Grieken, Europese expats en overgevlogen verpleegsters en jeugdwerkers. Hun leider, de gepensioneerde rechter Matina Katsiveli, heeft een lijntje lopen naar de staatssecretaris voor vluchtelingenzaken in Athene. De burgemeester is overruled, en organisaties als Artsen Zonder Grenzen – pas sinds kort met een vaste post op het eiland – doen waarvoor ze gekomen zijn.

Wat gaat er op Lesbos fout? Je zou kunnen zeggen: het eiland is te groot. Maar meer nog: er is geen leiding. Er zijn veel vrijwilligers, iedereen doet wat hij of zij kan, maar het is een lappendeken van clubjes en nationaliteiten die elkaar ook niet altijd kennen. De hulporganisaties zitten er al lang, maar hebben ook hun eigen regels en besluitvormingsprocessen. Dat werkt vertragend. Geregeld zitten ze op ramkoers met het lokale bestuur dat niet gewend is om in een soort gelegenheidscoalitie problemen van deze omvang aan te pakken.

En toen kwam de regen. Vier à vijf dagen onafgebroken pijpenstelen in oktober. Verhalen over kinderen met rottende voeten doen de ronde. Vrijwilligers die informeren waar ze lijkzakken moeten bestellen. In de Volkskrant van 27 oktober schreven twee vrijwilligers dat er wel degelijk duizenden tenten voorradig zijn op Lesbos, in de containers van de UNHCR, en dat er even verderop duizenden vluchtelingen vernikkelen van de kou. ‘Er ligt altijd wel iemand dwars,’ schrijven ze, maar wie dat is weten ze ook niet precies. En dat is typerend.

Chaos en een dreigende humanitaire ramp dus op Lesbos. Waar op Leros een groot, leegstaand ziekenhuis wordt opgeknapt voor de winter, groot genoeg voor honderden vluchtelingen, slapen op Lesbos duizenden mensen in de modder, zonder dak of zelfs maar tent boven hun hoofd, even buiten een kamp waar ze niet in mochten.

Op Leros is een duidelijke leiding opgestaan. Op Lesbos is het probleem groter geworden dan het eiland zelf. Wie pakt de verantwoordelijkheid op, voordat die lijkzakken inderdaad nodig blijken te zijn?

Ruard Wallis de Vries schreef twee weken geleden een reportage voor Vrij Nederland over het vrijwilligerswerk van zijn moeder op Leros: ‘Hoe mijn familie vluchtelingen helpt op een klein Grieks eiland’.