In zijn nieuwe roman De weergekeerde bloem verkent Wessel te Gussinklo de grenzen tussen inspiratie en plagiaat in een ‘symbiotische vriendschap’ tussen twee worstelende schrijvers.
Al op de eerste pagina’s van De weergekeerde bloem zijn we weer helemaal thuis in de onweerstaanbare, tragikomische wereld van Wessel te Gussinklo. Zijn alter ego Hajé, een ongepubliceerde schrijver met een hang naar het caféleven, rijdt op zijn zware Heinkel-scooter (dit verhaal ademt de late jaren zestig/de vroege jaren zeventig) langs een ontmoetingsplaats voor homo’s. Beetje wijzen, láchen, goedmoedig jennen, zich amuseren. Maar dan blijkt opeens de brandstof in zijn vervoersmiddel op… Zo krijgt hij kennis aan ene Marcel, een uiterst goed geklede jongeling, die daar aan het wandelen is. Probleem is alleen dat Marcel niet erg goed verstaanbaar is: hij lispelt, praat ‘opzij’, kijkt schichtig weg. Een autist, beseft de lezer direct. Dus daar staan die twee middenin homo-ontmoetingsgebied, Hajé is hetero en Marcels seksuele geaardheid blijft vooralsnog mistig. Het is het begin van een gedenkwaardige vriendschap.
Een mulischeske roman
De eerste bouwstenen voor een mulischeske roman zijn daarmee gelegd. Dat hadden we natuurlijk al kunnen zien aan de onmogelijke titel, die ontleend is aan Harry Mulisch’ roman Hoogste tijd, de zwanenzang van de oude acteur Uli Bouwmeester. Het aan Mulisch ontleende motto (‘Maar in het hoogste stadium, dat van de Weergekeerde Bloem, wist hij in zekere zin helemaal niet meer wat hij deed: daar heerste de opperste vrijheid van de leegte’) heeft betrekking op Hajé’s ideaal in het schrijven – daarover later meer. Maar de uitzonderlijke vriendschap tussen Hajé en Marcel reminisceert die tussen Max Delius en Onno Quist uit Mulisch’ ultieme vriendschapsroman De ontdekking van de hemel, incluis die zweem van niet-gepraktiseerde homoseksualiteit.
Hajé voelde zich voor die ontmoeting de eeuwige buitenstaander, zelfs een ongewenste. Met kroegvrienden een beetje dollen ging wel, als hij het oppervlakkig hield. Maar ging hij als bijna-dertiger in debat met studenten, jongeren, in Te Gussinklo’s tekening van die roerige tijd ‘de nieuwe gelijken’, de revolutionairen ‘met hun baarden en fietswielbrilletjes, en spijkerpakken met kralenkettingen’, dan ging het mis. Hij conformeerde zich niet aan de modieuze waan van de dag en was een geboren tegenspreker. Dat viel niet best in zo’n ‘debat’: ‘En na afloop: ‘Met jou wil ik nooit meer praten. Met jou wil ik niets meer te maken hebben. Jij bent een fascist. Jij bent gevaarlijk.’’
Op zoek naar de Gulden Snede
Dat waar het echt om ging, kon hij niet met iemand delen: zijn schrijfwens. Of liever: dat wat deze mysticus in het schrijven wilde bereiken. ‘Het is iets als de Weergekeerde Bloem van het Japanse Noh-theater (…) Plotseling klopt alles wat je ook schrijft, is alles vanzelf goed, is de adem er. Dat moet ik terugvinden.’ Ook Marcel wilde schrijven, en er ontstond een symbiotische vriendschap – in de beleving van de ik-verteller Hajé dan. Hajé was de prater, Marcel de luisteraar. Ze waren onafscheidelijk: ‘Vriendschappen zijn een soort liefdes. Plotseling is alles of bijna alles zichtbaar, uitbaar, ook wat je meestal voor je houdt: het wordt ontvangen en begrepen – alles wordt lichter en zichtbaarder, ook het grauwe en stroeve, omdat het begrepen wordt en belangrijk wordt gevonden. Die moeiteloosheid en het gevoel van helderheid als ik met hem sprak – nog even en de oplossing was bereikt.’ En: ‘Want vriendschap was langs elkaar kijken naar beelden die we samen opriepen, plannen, werelden die wij deelden. En alleen dat zagen we van elkaar, die gezamenlijkheid, dat deelgenootschap, die instemming zonder voorbehoud.’ En waarover spraken ze (sprak Hajé)?
In zijn romantische, hooggestemde optiek is het dit: ‘In hartelijke vriendschap liepen wij voort had ik gedacht, lachend omgeven door beelden en invallen – een wereld van zichtbaarheden die zich steeds opende als wij samen waren; licht, helderheid, alles zou mogelijk worden.’ Maar in de praktijk gaf Hajé tijdens dat eindeloze praten, de nachtelijke wandelingen, aan Marcel datgene wat die als schrijver miste: een onderwerp. Zelfs een blauwdruk van een roman, die tot verbijstering van Hajé opeens door Marcel geschreven blijkt.
Pijnlijk. En tragisch. Omdat het bij Hajé niet vlot met het schrijven. Overbewust als hij is wil hij eerst alles doorgronden, ‘de betrekkingen’, ‘de inzichten’, ‘de analyses’. Elk woord is een keuze, in zijn optiek, álles moet je zien, om uiteindelijk – zoals een alchemist eindeloos in een pot roert tot daar goud aanwezig is – de ‘waarheid’ te bereiken – het ultieme doel, door hem niet alleen de Weergekeerde Bloem, maar ook wel ‘de Gulden Snede’ genoemd. ‘Niet denken of begrip of inzicht, maar een zekerheid die daar ver bovenuit gaat, een noodzaak die opgelegd wordt en die toch tegelijk totale vrijheid inhoudt.’ Het een en tegelijk het ander, de paradox, een en al knipoog naar Mulisch’ De compositie van de wereld. Met alle verschillen van dien tussen de (uiteindelijk) metafysicus Mulisch en Te Gussinklo met zijn mystieke Schwärmerei.
Twee schrijvers en het meisje
In de praktijk van het schrijven blijkt die door omzichtige benadering nagejaagde ‘waarheid’ voor Hajé een loodzwaar begrip, een helse opdracht, die het schrijven stroef maakt, zelfs blokkeert. Van zulke belemmeringen heeft Marcel geen last. Zo gauw Hajé zijn hielen heeft gelicht, schrijft hij alles wat gezegd is direct op – vertelmateriaal. En schrijven kan hij, goed zelfs, onderkent zijn vriend later: ‘(…) waarheid en inzicht waren niet de bedoeling, zichtbaarheid en beeldende kracht daar ging het om – dat was de waarheid. En ik zag ze staan, de inzichten, de analyses waar ik met hem over gesproken had (…) Maar niet zoals bij mij; zo helder, zo compleet mogelijk had ik ze opgeschreven, want zo dicht mogelijk bij de waarheid moest het zijn.’
Is dit plagiaat? Roof van een ongepubliceerd, zelfs ongeschreven boek? Die stollende, eendimensionale, beladen termen vallen niet in Te Gussinklo’s semi-autobiografische roman, waarin de schrijver niet uit is op veroordelen of afrekenen, maar op het psychisch verkennend betasten en zachtjes bekloppen van de Ander – en daarmee van zijn vroegere ik. Het gaat hem in dit hilarisch-pijnlijke verhaal vooreerst om het verraad aan de vriendschap, die niet zo symbiotisch bleek als door Hajé gedacht. Bovendien is er daarin sprake van de klassieke sta-in-de-weg: een derde. In dit geval het beweeglijke meisje Lisette, dat de angelieke Marcel in haar netten verstrikt. Met haar zal het verraad dan andere vormen aannemen. Net als bij Mulisch, moet je bij de Te Gussinklo van De weergekeerde bloem van liefde niet te veel verwachten.
Een mislukkingsrelaas
Te Gussinklo’s verhalen zijn altijd bekeringsgeschiedenissen, schreef ik bij een eerdere gelegenheid. Uit Het engeltje leren we de gefnuikte schrijver kennen als iemand die het hoeren en snoeren, de verloedering en de verleiding, kortom de buitenwereld prijsgaf, ten gunste van het schrijven. Schrijven zou hij voortaan, alleen maar schrijven, in eenzaamheid. Maar van die bekering is in De weergekeerde bloem, dat leest als een mislukkingsrelaas chronologisch gesitueerd voor het grote falen in de liefde dat we kennen uit Zeer helder licht (2014), nog geen sprake. Als we even voorbijgaan aan al die namen van zijn alter ego’s – van Ewout Meyster tot nu Hajé Gerritsen – dan zie je dat Te Gussinklo zijn gehele bestaan deconstrueert, vanaf de vroege kindertijd in zijn debuutroman De verboden tuin en de adolescentie in zijn meesterwerk De opdracht.
Het is een en al neergang, falen, onmacht, mislukking, onaangepastheid, teleurstelling. Behalve in het schrijven, want daarin maakt Wessel te Gussinklo alsnog goud van drek. Schrijven als het enige dat zin heeft en zin geeft, is dat genoeg voor een bestaan? In zijn geval: een donderend ja.
Wessel te Gussinklo, ‘De weergekeerde bloem’, Koppernik, 373 p., € 21,90
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.