In een bouwval ontdekte Marie Curie aan het begin van de twintigste eeuw radium. De Sorbonne in Parijs had daar kennelijk geen andere plek voor kunnen vinden dan een afgetrapte snijzaal. Het was er ijzig in de winter, schrijft Curies biograaf Barbara Goldsmith, snikheet in de zomer en als het regende, lekte het. ‘Het leek wel een stal, of een aardappelschuur,’ constateerde Nobelprijswinnaar Wilhelm Ostwald na een bezoek aan het lab. Hij had zijn ogen niet kunnen geloven.
Wekenlang roerde Marie Curie er in grote ketels zogeheten pekblende, het belangrijkste oxide van uranium, die ze zeefde en waaruit ze het radioactieve element isoleerde dat haar een (met haar man Pierre en met Henri Becquerel gedeelde) Nobelprijs opleverde.
Hadden de kranten haar collegereeks over ‘kosmische fysica’ niet ook al badinerend lessen in ‘cosmetische fysica’ genoemd?
Toen Lise Meitner in 1907 door de beroemde natuurkundige Max Planck werd uitgenodigd om onderzoek te doen bij de Kaiser Wilhem Instituten in Berlijn, kwam ze in de kelder terecht. In een omgebouwde timmermanswerkplaats deed ze er met collega Otto Hahn jarenlang experimenten. Onbezoldigd en letterlijk uit het zicht: alleen Hahn mocht naar boven om in het Scheikunde Instituut koffie te drinken, te vergaderen of college te geven. Vrouwen waren er niet welkom.
Het was nog een geluk dat Meitners vader haar een maandelijkse toelage uitkeerde. De Nobelprijs voor de gezamenlijk experimenten waarin Meitner voor het eerst kernsplijting had herkend, viel in 1944 alleen aan Hahn toe. Meitner was jodin, gevlucht én: een vrouw. Hadden de kranten haar collegereeks over ‘kosmische fysica’ niet ook al badinerend lessen in ‘cosmetische fysica’ genoemd, toen zij in 1922, bovengronds, tot universitair docent was benoemd?
Niet betaald
Zo kun je doorgaan. Wie kent nog de wiskundige Emmy Noether die honderd jaar geleden in Göttingen, destijds het mekka van de wiskunde, haar stelling over symmetrie en behoudswetten publiceerde? De stelling bleek essentieel voor de moderne fysica. Maar colleges gaf Noether in die jaren onder de naam Hilbert – dus alsof ze hoogleraar en wiskundige David Hilbert was – omdat de filosofiefaculteit ernstige bezwaren had tegen een vrouw voor de collegezaal. Pas in 1919 kon ze aan de slag als ‘privaatdocent’. Dat wil zeggen: verbonden aan, maar niet betaald door de universiteit.
Ondanks schitterende publicaties bleef Mary K. Gaillard twintig jaar in de rol van ‘onbezoldigd gastonderzoeker’ hangen.
Of lees het autobiografische A Singularly Unfeminine Profession van de briljante theoretisch fysicus Mary K. Gaillard, die begin jaren zeventig bij de theorieafdeling van Cern ook al in de kelder belandde. Net als jonge mannelijke collega’s begon ze er letterlijk op het laagste niveau. Het verschil was dat de meeste mannen daarna op alle fronten opklommen, terwijl Gaillard, ondanks schitterende publicaties en een plek op een hogere verdieping, twintig jaar in de rol van ‘onbezoldigd gastonderzoeker’ bleef hangen.
Een scherpe scheidslijn
Het lijkt een onverwoestbaar feit. Vrouwen zijn in de wis- en natuurkunde niet welkom. Ruim tweeduizend jaar geleden zette Pythagoras daarvoor al de toon. De wis- en natuurkundig geschoolde wetenschapsjournalist Margaret Wertheim wijt het in De broek van Pythagoras. God, fysica en de strijd tussen de seksen (1995) aan de Oudgriekse samenleving. Die werd, schrijft zij, door een scherpe scheidslijn tussen de seksen doorkliefd. Aan de ene kant het domein van het uitspansel, het etherische en het mannelijke; aan de andere kant dat van het aardse, materiële en vrouwelijke.

De pythagoreeërs die achter de zichtbare wereld de regelmaat van getallen en wiskunde vermoedden, hadden daarna hun conclusie snel getrokken. Oneven getallen, met de één voorop, hoorden bij man, uitspansel en abstractie. Even getallen, beginnend met de twee, representeerden het vrouwelijke in de wereld. Het maakte van vrouwen letterlijk nummers twee – en het heeft ze uit de wereld van het abstracte denken verjaagd.
Het is mooi dat deze maand het aantal vrouwelijke Nobelprijswinnaars in de natuurkunde met vijftig procent toenam. Alleen: het was van twee naar drie.
Inderdaad, dat zijn ze 2,5 duizend jaar later grotendeels nog. Het is mooi dat deze maand het aantal vrouwelijke Nobelprijswinnaars in de natuurkunde met vijftig procent toenam. Alleen: het was van twee naar drie (van de in totaal 209 winnaars). Tussen Curie (1903) en Donna Strickland (2018) zaten 115 jaar en één andere vrouw, Maria Goeppert-Mayer (1963). In de wiskunde kreeg sinds 1950 trouwens ook nog maar één vrouw, de vorig jaar overleden Maryam Mirzakhani, een Fields Medaille, een medaille met Nobelallure. Zo haalt de scheikunde makkelijk een record: na Marie Curie, die in 1911 een tweede Nobelprijs kreeg voor verder onderzoek naar radium en de ontdekking van polonium, deelden daar nog vier vrouwen in de Nobel-eer.
Hormonale invloeden
Hoe dat zo komt? Dat dachten en denken veel mensen, nog los van Pythagoras, wel te weten. Schedelmetingen zijn uit de mode, met het verschil in hersengewicht durft niemand meer aan te komen, maar de meerderheid weet ook zo wel, uit ‘ervaring’, dat vrouwen geen ruimtelijk inzicht hebben en een verstoorde logica. En er is altijd wel een neuroloog te vinden die dat onderbouwt met (hormonale invloeden op) structuur en werking van het brein.
Ik was geen baanbreker en niet eigenzinnig, maar een aberratie met een al dan niet begrepen syndroom.
Ik herinner me een interview dat ik deed met zo’n rotsvast van zulke man-vrouwverschillen overtuigde neuroloog. Het was natuurlijk niet slim om te melden dat ik best aardig kon meekomen in de wis- en natuurkunde. Lichtjes trok hij zijn wenkbrauwen op. Het zou hem niet verbazen, zei hij daarna, als ik een bijnierschorsafwijking had – een nog onopgemerkt overschotje aan mannelijk hormoon. Daar kon ik het mee doen. Ik was geen baanbreker en niet eigenzinnig, maar een aberratie met een al dan niet begrepen syndroom.
Achterblijvers
Een echo van die plompverloren diagnose klonk door bij professore dottore Alessandro Strumia die begin oktober zijn – grotendeels vrouwelijke – gehoor op het Europese instituut voor deeltjesonderzoek Cern voorhield dat (echte) vrouwen nu eenmaal ‘tweeën’ zijn. Achterblijvers in de wereld van abstractie en natuurwetten. Hooguit quasi-succesvol doordat ze worden voorgetrokken. Zien jullie dan niet, zei hij, dat vrouwen in de loop van hun leven veel minder citaties verzamelen dan mannen? Dat hun werk dus stukken minder belangwekkend is? En op een imposante grafiek klom het (gemiddelde) aantal door mannen verzamelde citaties inderdaad hoog boven dat van vrouwen uit.
Gelukkig wees een onverschrokken vrouw, de Duitse theoretisch fysicus Sabine Hossenfelder, erop dat die grafiek ook anders te interpreteren valt. Stel dat vrouwen de fysica vaker voortijdig verlaten (wegens de ‘Strumia-sfeer’ of omdat ze ouderschapsverlof niet met de competitie kunnen rijmen, om maar wat te noemen), dan publiceren zulke vrouwen niet langer in de vakbladen en verzamelen ze dus minder citaties. Inderdaad: in Hossenfelders ‘quick-and-dirty remake’ van de grafiek, met enkel onderzoekers die ook de laatste drie jaar nog actief waren geweest, was het verschil spoorloos verdwenen. Voorlopige conclusie: Strumia’s grafiek toonde het vrouwonvriendelijke klimaat in de natuurkunde. Of: met statistiek kun je alle kanten op.
Waar is de fax?
Maar goed, intussen leeft dat verhaal van de concrete, aardse en vooral praktische vrouw voort. Zou het nu op Cern heel anders zijn dan toen ik er dertig jaar geleden mijn promotieonderzoek deed? De vragen die onbekenden of nieuwkomers op de afdeling mij het meest stelden, als ze al iets zeiden, waren: waar staat het kopieerapparaat? En: waar is de faxmachine? Zo waren de rollen verdeeld.
‘De kapster deelde me mee dat vrouwen geen natuurkunde kunnen beoefenen omdat ze niet logisch kunnen denken.’
En: zo blijken ze in de hoofden van veel mensen nog steeds verdeeld. ‘De laatste keer dat ik mijn haar liet knippen,’ schreef Hossenfelder kortgeleden op haar blog, ‘werd me meegedeeld dat vrouwen geen natuurkunde kunnen beoefenen omdat ze niet logisch kunnen denken.’ De mededeling werd haar droogjes gedaan, schreef ze, ‘door een middelbare kapster nadat ik haar vraag had beantwoord wat ik de laatste tijd zoal had uitgespookt (Een boek geschreven. Waarover? Over natuurkunde).’
Ofwel: vrouwen moeten niet naar de maan reiken; hun vleugels niet uitslaan in het uitspansel van de abstractie. En dat riep nog een flard van Cern op: hoe ongemakkelijk ik me voelde op de barbecues voor collega’s en hun gezinnen. Als de echtgenotes me licht argwanend bekeken en de mannen plotseling niet zeker meer leken te weten of ik ‘one of the guys’ was of toch niet. Alsof ik in een niemandsland tussen de enen en tweeën was beland.
Slimme zet
De scheidslijn tussen die twee domeinen is de afgelopen millennia ook telkens opnieuw getrokken, laat Wertheim in Pythagoras’ Trousers zien. Met name door de kerk. Toen die in de vroege middeleeuwen scholen begon op te richten – vooral om via een eensluidend curriculum gehoorzame gelovigen op te kweken – werden vrouwen buiten de deur gehouden. Door Latijn als voertaal voor alle geleerdheid te kiezen, werden ze daarna verder op afstand gezet. En het celibaat dat de kerk zo handig tot erfgenaam van vele mannen maakte, wakkerde het dedain voor vrouwen nog meer aan.
Als klap op de vuurpijl verstevigden zeventiende-eeuwse geleerden de band tussen hun natuurfilosofie en God zelf ook. In wat mannen als Copernicus en Kepler tijdens de natuurwetenschappelijke revolutie deden, zat ‘ook wel iets moois’, vindt Wertheim via skype vanuit New York. Opgevoed en gekneed in een lange christelijke traditie, moesten ze hun onderzoek zien te verzoenen met hun geloof. Hun ‘slimme zet’, zegt zij, was dat ze hun aandacht verlegden van ‘God de Verlosser en God als morele kracht, naar een andere meer onderbelichte kant van God: die van God de schepper.’
‘Zoals de renaissancekunstenaar vaak een God wordt genoemd, zo schiep Copernicus God als een renaissancekunstenaar.’
‘Hoe had God de aarde geschapen, vroegen zij zich af, en ze concludeerden dat God dat volgens wiskundige principes had gedaan.’
Hun God werd een liefhebber van geometrie, symmetrie en wiskundige vergelijkingen. Of zoals historicus Fernand Hallyn zei over Copernicus, die de zon in het centrum van de kosmos zette omdat dat wiskundig gezien veel fraaiere resultaten gaf: ‘Zoals de renaissancekunstenaar vaak een God wordt genoemd, zo schiep Copernicus God als een renaissancekunstenaar.’
Hogepriesters van de natuurwetenschap
Tegelijk was hun visie ‘holistisch’, zegt Wertheim, met ruimte voor een morele dimensie. Ze zouden dan ook diep geschokt zijn, denkt zij, over hun twintigste-eeuwse opvolgers die de ‘mind of God’ simpelweg gelijkstelden aan een reeks vergelijkingen. Erger: die God inzetten als ‘mascotte van de fysica’, een trend die begon met Einstein, de beste pr-man van de fysica ooit. Einstein schreef zelfs zoveel eigenschappen aan God toe – God zou niet dobbelen, hield van harmonie, was niet boosaardig – dat een getergde Niels Bohr zou hebben uitgeroepen: ‘Stop met God te vertellen wat hij moet doen!’
Maar de toon was toen al gezet. De Amerikaanse fysicus George Smoot vergeleek in de jaren tachtig de aanblik van de eerste kaart van de kosmische achtergrondstraling met ‘kijken naar het gezicht van God’. Nobelprijswinnaar Leon Lederman doopte rond die tijd het Higgs-deeltje om tot het ‘God-particle’, om zo een miljardensubsidie los te weken voor een nieuwe Amerikaanse deeltjesversneller (de Super Synchrotron Collider in Texas die toch afgeblazen werd). Stephen Hawking hoopte aan het eind van zijn bestseller A Brief History of Time – ook uit de jaren tachtig – dat fysici binnenkort de ‘mind of God’ zouden doorgronden. Kort gezegd: fysici riepen zichzelf uit tot de hogepriesters van de natuurwetenschap.
Seks als inspiratie
En de vrouwen? Hoe moesten zij zich verhouden tot zo’n hogepriesterrol? Dat de zelfbenoemde fysica-priesters lichtzinniger leefden dan (op papier althans) hun katholieke collega’s, maakte het er niet makkelijker op.
Hoe konden vrouwen zich spiegelen aan de op bongo’s trommelende en in stripclubs hangende theoretisch fysicus Richard Feynman – held van het vak?
Hoe konden vrouwen zich spiegelen aan de op bongo’s trommelende en in stripclubs hangende theoretisch fysicus Richard Feynman – held van het vak? Of aan een Erwin Schrödinger die zijn beroemde Schrödingervergelijking opschreef tijdens de twee weken dat hij met een van zijn – vele – minnaressen in een villa in het Zwitserse Arosa logeerde. Zoals de New York Times in 1990 bewonderend schreef: ‘Met een parel in elk oor om storende geluiden buiten te sluiten en met een vrouw in bed voor inspiratie, begon hij te werken aan de golfmechanica.’ Ha! Seks als inspiratie. Mochten vrouwen dat ook? Of mochten ze daaraan weer niet meedoen?

Tragedie
Natuurlijk is het verhaal van Pythagoras en de priesters niet sluitend. De theoretische natuurkunde – het allerabstracts, allerhoogst en ‘alleréénst’ – heeft een andere cultuur dan de experimentele fysica waarin wordt gemeten en geprutst en waarin voor vrouwen meer ruimte is. En gek genoeg zijn er juist in katholieke landen al decennia meer vrouwelijke fysici te vinden dan in het protestantse noorden, niet in het minst onder hoogleraren.
Ooit, begin jaren negentig, hadden we er een hele discussie over tijdens een etentje met Cern-collega’s bij zo’n vrouwelijke hoogleraar, Cristina Peroni, in Turijn. Katholieke meisjes leren vechten, juist doordat ze zo sterk worden onderdrukt, opperde de een. Op ouderwetse meisjesscholen hoeven meisjes niet tegen de jongens op te kijken, dacht een ander. Nog een hypothese: de natuurkunde in Italië stond dicht bij de filosofie, en fysici verdienden weinig. Niks dus voor mannen die beter betaalde banen kiezen en warmlopen voor vakken met een vleugje techniek.
‘Ik denk dat mensen prachtig zijn toegerust voor wiskunde, maar dat die aanleg er bij de meesten al snel weer wordt uitgestampt – en vooral bij vrouwen.’
Daarna rondde een van de mannen in het gezelschap het gesprek af: er waren in Italië inderdaad meer vrouwelijke fysici dan elders, stelde hij, en dat verklaarde waarom de natuurkunde in Italië tegenwoordig zoveel slechter presteerde dan in andere landen. Het leek een beetje op Strumia’s uitspraak: ‘De natuurkunde is uitgevonden en opgebouwd door mannen. Je kan niet zomaar op uitnodiging meedoen. Of: vrouwen begrijpen de wis- en natuurkunde slechter dan mannen, en daarmee basta.
Niet als enige is Wertheim, wier ééneiige tweelingzus op de kunstacademie modeontwerpen en schilderen studeerde, daarvan niet overtuigd. ‘Ik denk dat mensen juist prachtig zijn toegerust voor wiskunde’ – en daarvan afgeleid ook voor natuurkunde – ‘maar dat die aanleg er bij de meesten al snel weer wordt uitgestampt – en vooral bij vrouwen.’ En dat is niet alleen een ‘tragedie’, zegt zij, maar maakt het ook onmogelijk om te beoordelen of vrouwen evenveel, minder of méér aanleg hebben dan mannen. Want: ‘Hoe moet je dat weten als je ze hebt afgeschrikt en nooit tot je vak hebt toegelaten of ze er later weer uit wegmoffelt?’
Protestbrief
Maria Goeppert Mayer was de tweede vrouw met een Nobelprijs Natuurkunde. Ze volgde in de jaren dertig en veertig haar man Joe Mayer van universiteit naar universiteit tijdens diens carrière in de wetenschap. Telkens weer regelde ze voor zichzelf een onbetaalde plek aan de universiteit. Zo deed ze haar Nobelprijswaardig onderzoek haast en passant. En toch werd het opgemerkt.
Niettemin liep in de jaren daarna een trits vrouwen, net als Lise Meitner, de Nobelprijs weer mis: Chien-Shiun Wu (die het verschijnsel pariteit aantoonde), Jocelyn Bell (die radiopulsars ontdekte) en Vera Rubin (die de nog onbegrepen ‘donkere materie’ in het heelal blootlegde). Terwijl ze hem ruimschoots verdienden volgens mensen die het kunnen weten.
Het maakt argwanend. Is het wel zo betekenisvol dat de Canadese Donna Strickland nu 1) een Nobelprijs Natuurkunde kreeg en 2) als vanzelfsprekend een eigen onderzoeksgroep heeft en een betaalde baan? Zelfs al is ze aan de University of Waterloo géén professor en had ze tot de prijs geen Wiki-pagina? En is het echt veelzeggend dat duizenden fysici wereldwijd hun handtekening hebben gezet onder een protestbrief tegen de uitlatingen van Strumia?
Een schamel rijtje
Strickland zelf klinkt in interviews vooral nuchter. ‘Ik was heel goed in wis- en natuurkunde. Dat is alles,’ zei ze in de lokale krant. In het papierwerk om een hoogleraarschap aan te vragen had ze tot nu toe simpelweg geen zin. En wat betreft vrouwen en fysica: ze hoopt dat ‘die kwestie binnenkort niet meer aan de orde hoeft te komen’, zei ze bij het vakblad Nature, omdat ‘vrouwen en people-of-color en andere groepen zich dan gerepresenteerd en erkend zullen voelen.’ Ze dacht niet dat daarvoor veel speciaals hoefde gebeuren. ‘Ik denk dat we in een tijd leven waarin vrouwen de boel niet meer laten verpieteren.’ Waarin ze bovengronds zullen blijven; voorgoed uit de kelder en met geld op zak; waarin ze de winst niet meer uit handen zullen geven dus.
Maar dat ziet Wertheim toch anders. ‘De strijd voor gelijke rechten en kansen die is overgeslagen naar andere groepen – “people of color” en “gender non-conformists” – is onstuitbaar,’ denkt ook zij. Alleen: meer of zelfs gelijke kansen voor zulke groepen ‘betekent ook dat elite-mannen minder snel promotie maken.’ En dat roept tegenreacties op. Zoals die van Strumia, met zijn versleten argument dat vrouwen incapabel zijn. En versleten of niet, het toont waar het volgens Wertheim om gaat draaien: zullen we de vanzelfsprekende hiërarchie van één en twee zonder ruzie kunnen opgeven?
Als je het ruimer neemt, is Strumia een symptoom van een veel breder verschijnsel, zegt zij bedachtzaam. ‘Wie had gedacht dat Donald Trump aan de macht zou komen? Of Viktor Orbán in Hongarije of Rodrigo Duterte op de Filippijnen?’ Zulke reactionaire leiders en dictators met hun vrouwonvriendelijke uitspraken maken haar somber over ‘planet earth and its population’ – en over fysica en gender. ‘Er zal altijd een elite zijn die haar kinderen naar Harvard stuurt – ook de meisjes.’ Maar gelijke kansen op de kortere termijn voor iedereen? ‘Ik ben pessimistisch over hoe zwaar het leven de komende honderd jaar eerst nog gemaakt kan worden voor de grote meerderheid.’
Ondanks de wijdverbreide kapperspraat en terwijl ik ooit zelf met pijn in het hart het vak verliet, zet ik op de energieke Strickland in.
Het klinkt plausibel, en somber en naar. Maar: er was toch ook Joe Mayer die zijn vrouw steunde? Pierre Curie die de Nobelprijs alleen wilde aannemen als Marie in de eer mocht delen? David Hilbert die zijn filosofie-collega’s voor de gek hield? Er is toch de man van Strickland die haar mee uit eten nam om de prijs te vieren. En gaf MeToo vrouwen niet meer zelfvertrouwen? In het licht van die lange geschiedenis, of van de uitspraken van een Donald Trump, is het een schamel rijtje. En toch….
Misschien zit het hem vooral in de foto die vorig jaar van Stricklands onderzoeksteam werd gemaakt. Diverser en vrolijker kan een team er niet uitzien. En zo kan ik het niet helpen: ondanks de wijdverbreide kapperspraat, die eeuwenlange voorgeschiedenis, terwijl ik ooit zelf met pijn in het hart het vak verliet en allicht beter zou moeten weten, zet ik op de energieke Strickland in.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.