In een bouwval ontdekte Marie Curie aan het begin van de twintigste eeuw radium. De Sorbonne in Parijs had daar kennelijk geen andere plek voor kunnen vinden dan een afgetrapte snijzaal. Het was er ijzig in de winter, schrijft Curies biograaf Barbara Goldsmith, snikheet in de zomer en als het regende, lekte het. ‘Het leek wel een stal, of een aardappelschuur,’ constateerde Nobelprijswinnaar Wilhelm Ostwald na een bezoek aan het lab. Hij had zijn ogen niet kunnen geloven.

Wekenlang roerde Marie Curie er in grote ketels zogeheten pekblende, het belangrijkste oxide van uranium, die ze zeefde en waaruit ze het radioactieve element isoleerde dat haar een (met haar man Pierre en met Henri Becquerel gedeelde) Nobelprijs opleverde.

Hadden de kranten haar collegereeks over ‘kosmische fysica’ niet ook al badinerend lessen in ‘cosmetische fysica’ genoemd?

Toen Lise Meitner in 1907 door de beroemde natuurkundige Max Planck werd uitgenodigd om onderzoek te doen bij de Kaiser...