Het is zo’n stilzwijgende afspraak die al gemaakt moet zijn in mijn jongste jeugd, toen ik er zelf nog geen benul van had, maar zo rond mijn elfde begon het me te dagen. Ik was er door ontzet – en nog onbegrijpelijker vond ik dat andere jongens en jongemannen dit salomonsoordeel kennelijk met gelaten schouderophalen afdeden.

Want zo vlak voor de middelbare school was de vraag: wat wil je later worden? Leuk spelletje: musicus, diplomaat, kon je ook gewoon ‘belangrijk’ worden van beroep? Alles was mogelijk, maar Ă©Ă©n ding bleek toch behoorlijk vast te liggen: dat ik later geld moest verdienen, zodat ik in mijn eigen onderhoud kon voorzien. Maar dat was niet alles: ik moest later ook het geld verdienen voor mijn vrouw, die misschien een baantje zou nemen maar misschien ook niet. Ik moest het geld verdienen voor de hockeyles van de kinderen en de wormenkuur voor de hond. En voor de werkster, want hoewel de vrouw misschien wel en misschien ook niet werkte, was er toch altijd een...