Voor de deur van het appartement wacht een magere oude dame, bebrild, gekleed in donkere rok en bleke blouse. Een aantrekkelijke jongeman doet open. Zij tikt hem schalks op de wang, deponeert een briefje van vijftig op de salontafel, trekt haar slipje uit en laat zich achterover vallen op het bed. Waarna hij met zijn gezicht verdwijnt tussen haar dijen.
Even later meldt zich een ronduit onappetijtelijke dame. Dan een zeer knappe, die hem nauwelijks aankijkt. Dan een zeer stevige. En telkens verdwijnt hij met zijn gezicht tussen hun dijen.
Zeker, de jongeman kwijt zich ijverig van zijn taak. Maar na elke sessie, als hij in de badkamer zijn mond staat te spoelen, zie je zijn weerzin groeien.
De beelden, dat spreekt, komen uit een propagandafilmpje, enkele jaren geleden gelanceerd door The European Women’s Lobby. Het maakt ze niet minder ongemakkelijk.
Want inderdaad. Wij vinden het volkomen normaal dat heren tegen betaling recht hebben op seks – hoe bejaard, onappetijtelijk, knap of moddervet ze ook zijn. Pas als de rollen zijn omgedraaid, besef je wat dat in de praktijk betekent.
In 1987 verscheen bij Feministische Uitgeverij Sara het Hoerenboek. Psychotherapeute Martine Groen interviewde daarin tien prostituees over hun loopbaan. ‘Het maakte grote indruk op me,’ schreef ze in het voorwoord, ‘dat vrouwen die al jarenlang als prostituee werken veel vrijer met hun seksualiteit omspringen dan de vrouwen om me heen.’
Wie hun verhalen las, kon dat maar moeilijk beamen. Bijna zonder uitzondering getuigden de prostituees van hun afkeer van klanten (‘Als ik een meneer tref die beleefd is en wel rekening met me houdt, ben ik verbaasd’), van hun afkeer van seks (‘Dan denk ik almaar: het is werk, het is werk’). Bijna zonder uitzondering hadden ze ooit ‘slaag’ dan wel ‘klappen’ opgelopen. En bijna zonder uitzondering zeiden ze het vak uitsluitend uit te oefenen om het geld.
Het hoge woord moet er maar eens uit: ik heb die blijmoedige feministische blik op prostitutie nooit zo goed begrepen
Groen liet zich niet uit het veld slaan. ‘Het beroep,’ schreef ze in het nawoord, ‘geeft vrouwen de mogelijkheid om zichzelf te manifesteren op een wijze die in vele banen onmogelijk is.’ Het bood ze immers ‘de spanning, sensatie en de gezelligheid’ die je elders zelden vindt. Toegegeven, twee van de geïnterviewden waren onder dwang het vak in gegaan. ‘Gelukkig,’ schreef Groen, ‘hebben deze vrouwen hun werk zo plezierig mogelijk gemaakt.’
Minpuntje was volgens haar alleen nog het ‘stigma’ waaronder prostituees moesten lijden. Dus werd het hoog tijd dat de samenleving zich van ‘morele oordelen’ bevrijdde. ‘Het recht om over je eigen seksualiteit te beschikken impliceert ook dat je kan kiezen op welke manier je je lust wilt bevredigen, of dat nu in een romantische liefdesrelatie is of in een zakelijke overeenkomst.’
Destijds was zo’n betoog misschien nog opzienbarend, bijna twintig jaar later is het mainstream. Alleen de term ‘prostituee’ maakt het boek gedateerd; die zou nu vervangen zijn door het politiek-correcte begrip ‘sekswerker’.
Blijmoedige blik
Martine Groen hoorde bij een feministische stroming die prostitutie wenste te beschouwen als een heel gewoon beroep. Prostituees waren geen sneue slachtoffers, maar vrouwen die hun seksualiteit gebruikten om in hun onderhoud te voorzien. Ze deden, zeg maar, heel slim voor geld wat andere vrouwen gratis deden. Het enige wat er nog aan schortte, was erkenning door wet en maatschappij.
Het nieuwe credo luidde: prostituees willen geen redding, ze willen rechten. Het groeide uit tot een van de geloofsartikelen van de progressieve mens.
Het hoge woord moet er maar eens uit: ik heb die blijmoedige feministische blik op prostitutie nooit zo goed begrepen. Destijds al niet. En met de jaren lukt me dat allengs minder.
Benepen moraalridders
Van de Britse schrijver Oscar Wilde komt de uitspraak: ‘Alles in de wereld draait om seks, behalve seks. Daarin draait het om macht.’
Als hij gelijk heeft (en dat heeft hij) dan geldt dat zeker in de prostitutie. De klant betaalt, dus hij bepaalt. Uit gesprekken met hoerenlopers – pardon, sekskopers – blijkt precies daarin de grote aantrekkingskracht te schuilen. Omgekeerd bevestigen prostituees dat juist dit het werk ‘geestelijk zwaar’ maakt. Hij hoeft zich niet te bekommeren om haar, het gaat om zijn bevrediging. Haar lichaam is voor de duur van de wip zijn rechtmatig eigendom. Daar kun je veel over zeggen, maar niet dat er sprake is van machtsevenwicht.
Mij blijft het tot op de dag van vandaag een mysterie waarom uitgerekend feministen – die verder achter elke boom machtsongelijkheid ontwaarden – hun ogen sloten voor deze simpele waarheid. En vooral: waarom uitgerekend hun visie op prostitutie zo breed ingang vond.
Wat heet. Zoals hoogleraar vrouwenstudies Joyce Outshoorn (inmiddels emeritus) liet zien in haar studie The Politics of Prostitution was de feministische lobby zeer effectief. Via de Haagse emancipatieorganen sijpelde het gedachtengoed door tot in het parlement. Met als gevolg dat Nederland in 2000 het bordeelverbod afschafte.
Sindsdien geldt er een heilig onderscheid tussen onvrijwillige en vrijwillige prostitutie. Het eerste verdient bestrijding, het tweede is legaal. En wie er nu nog vraagtekens bij plaatst, belandt als vanzelf in het kamp der benepen moraalridders.
‘Raamprostitutie is zo’n schending van de privacy, van het intiemste dat een mens bezit, het lichaam’
Maar soms ziet een buitenstaander dingen die wij wellicht niet meer zien. Onlangs verscheen Een manier van leven, een nieuw boek van de Zwitserse filosoof Peter Bieri (beter bekend onder de naam Pascal Mercier, van de roman Nachttrein naar Lissabon). Uitvoerig verkent hij daarin het begrip ‘menselijke waardigheid’. Daaronder schaart hij bijvoorbeeld het recht op autonomie en het recht om niet vernederd te worden. Die twee komen, schetst hij, niet zelden met elkaar in conflict.
Ergens beschrijft hij hoe je in Amsterdam op de Wallen verzeild kunt raken. Vrouwen, constateert hij, zijn er als slaven op de slavenmarkt. Het zijn geen unieke individuen meer, alleen hun vlees telt. ‘Het was spookachtig,’ schrijft Bieri. ‘Op de terugvlucht dommelde ik in. Toen ik wakker werd vroeg ik me af of ik dit alles niet alleen maar gedroomd had.’
In een interview dat ik met hem had voor Filosofie Magazine ging hij er nader op in. Natuurlijk, zei hij, wist hij dat de Nederlandse wet deze vorm van prostitutie toestaat. Maar voor hem lag de kwestie glashelder. ‘De waardigheid van de vrouwen achter de ramen wordt aangetast. Dat is voor mij zo duidelijk als wat. Raamprostitutie is zo’n schending van de privacy, van het intiemste dat een mens bezit, het lichaam. En dat talloze keren per dag. Ik begrijp niet waarom jullie dat normaal vinden. Ik begrijp er werkelijk niets van.’ Maar wat, vroeg ik hem, als de prostituee er vrijwillig voor koos achter de ramen te staan? Ze heeft toch recht op zelfbeschikking? Dan nog, zei Bieri, kun je als gemeenschap besluiten dat hier ‘iets groters’ in het geding is. ‘Besluiten dat je geen samenleving wilt zijn waarin het normaal is dat menselijke wezens als handelswaar in de etalage uitgestald staan.’
Fluitend aan de slag
Geen misverstand: een volwassen vrouw die seks zo geweldig vindt dat ze er geld voor vraagt – ze gaat haar gang maar. Ook de masterstudente die een escortbedrijfje begint, de kunstacademica die haar beurs aldus aanvult, de veertiger die naast haar ‘uitdagende baan in de financiële sector’ bijklust als ‘high class nymphomaniac’ – mijn zegen hebben ze. Dat er vrouwen zijn die gehandicapten tegen betaling ‘snoezel- en verwenzorg’ leveren, vind ik zelfs schattig.
Zou het in de branche wemelen van de vrouwen die bij wijze van spreken elke dag fluitend aan de slag gaan, prostitutie zou inderdaad een normaal beroep zijn. De werkelijkheid, zoals elke krantenlezer weet, ziet er soms minder idyllisch uit. Probleem is alleen dat er nauwelijks betrouwbaar wetenschappelijk onderzoek naar bestaat.
In oktober vorig jaar publiceerde bureau Regioplan de studie Sekswerkers aan het woord, uitgevoerd in opdracht van het WODC, het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het ministerie van Veiligheid en Justitie. In totaal werden 364 in Nederland werkzame prostituees uit alle sectoren – van escort tot tippelzone – gevraagd naar hun welbevinden.
Gejubel
De zogeheten non-respons was liefst 60 procent (en eigenlijk hoger, want wie helemaal niet reageerde op het verzoek werd niet mee geturfd). Dus stond er in de ‘managementsamenvatting’ keurig vermeld dat de uitkomsten misschien ‘een vertekend beeld’ gaven: prostituees met een minder sterke sociale positie waren ‘mogelijk minder snel bereid’ mee te werken.
Het belette de onderzoekers niet om bijkans in gejubel uit te barsten. Onder de respondenten lijkt ‘geen of nauwelijks’ sprake te zijn van ‘misstanden’ of ‘gedwongen sekswerk’. ‘De indruk bestaat dat de geïnterviewden geheel of in ieder geval in grote mate vrijwillig werken.’ Bovendien zijn de meeste ondervraagden ‘tevreden (…) over hun arbeidsrelatie, het verloop van hun werkzaamheden en hun (eventuele) werkrelatie met een werkgever of exploitant’. Uiteraard, aldus het rapport, behoeft de branche ‘op een aantal aspecten’ verbetering. Maar dat is dat.
Nu wil ik graag buigen voor de wetenschap. Maar hoe je zulke conclusies kunt trekken op grond van de verzamelde data is me een raadsel. Verder op in het rapport staat namelijk dat bijna 20 procent van de ondervraagden zich bij tijd en wijle ‘persoonlijk aangevallen’ of ‘bedreigd’ voelt. Dat iets minder dan de helft (45 procent) het werk soms als ‘emotioneel zwaar’ ervaart, dat 14 procent dit vaak of altijd vindt. Dat meer dan de helft te maken heeft met ‘lastige klanten’. Dat ruim een op de drie onder werktijd een ‘ingrijpende gebeurtenis’ heeft meegemaakt. Dat 55 procent van hen als gevolg daarvan kampt met nare dromen, angsten, terugkerende herinneringen. En o ja: dat meer dan de helft van alle ondervraagden ‘soms’ of ‘vaak’ overweegt om te stoppen met het werk. (Van de ‘raamsekswerkers’ zelfs bijna driekwart.)
Zou dezelfde onvrede blijken uit een onderzoek onder pakweg hoogleraren, brandweerlieden of kleuterjuffen – uw krant zou ermee openen. Als het om prostituees gaat, is het blijkbaar niet zorgwekkend. Als het om prostituees gaat, weet de wetenschap er nog een geruststellende draai aan te geven ook.

Wonderlijk neveneffect van de liberalisering was dat ze leidde tot mildheid voor alle vormen van prostitutie – legaal, illegaal, vrijwillig, onvrijwillig. Want hoewel je onbegrip zou verwachten voor wie nu nog seks aanschaft buiten de fatsoenlijke kanalen, blijkt het tegendeel het geval. De hoerenloper, ook als hij zijn gerief zoekt in het dubieuze segment, kan op veel consideratie rekenen.
Zie het rumoer dat recentelijk losbarstte rond de zedenzaak die zich afspeelde in een Valkenburgs hotel. In oktober vorig jaar kwam de politie een jongeman op het spoor die een zestienjarig meisje voor zich zou hebben laten werken. In korte tijd zou ze tientallen klanten hebben bediend die haar op het spoor waren gekomen via internetadvertenties.
Nieuw was dat de justitiële belangstelling dit keer niet alleen uitging naar de jongeman, maar ook naar de klanten wier gegevens ter plekke waren aangetroffen. In niet mis te verstane bewoordingen liet het Openbaar Ministerie weten dat het de hoerenlopers zou opsporen. Goed idee, natuurlijk. Betaalde seks met een minderjarige is per slot een strafbaar feit. Of een meisje uit vrije wil meewerkt, is voor de wet niet relevant.
Zelfmoord
Begin dit jaar pleegden twee van de mannen op de lijst zelfmoord. En onmiddellijk keerde het sentiment zich tegen justitie – ook bij de nette media. De journaals gaven ruim baan aan een advocaat die zich beklaagde over de ‘onmenselijke’ druk waaraan zijn cliënten bloot stonden. Een rechtspsycholoog verklaarde justitie ‘feitelijk’ schuldig aan de twee zelfmoorden. In NRC Handelsblad mochten deskundigen het ‘aplomb’ hekelen waarmee het OM optreedt in zedenzaken. ‘Bij seksueel misbruik,’ jammerde een forensisch hoogleraar, ‘is er alleen maar sprake van schaamte en sociale consequenties. Je kunt worden buitengesloten door je partner, kinderen, ouders en vrienden, en je baan verliezen.’
Over het minderjarige meisje geen woord.
Keiharde cijfers mogen ontbreken, het is zonneklaar dat de ambities van de nieuwe prostitutiewet – het streven naar een ‘schone’ branche, het terugdringen van mensenhandel – in de verste verte niet zijn gehaald. Net als in Duitsland (dat in 2002 een vergelijkbare stap zette) lopen dwang en vrijwilligheid volstrekt door elkaar.
‘het stigma
De sekswerkerslobby – gezelschap van altijd dezelfde happy hookers, wetenschappers en zelfbenoemde deskundigen – heeft daar een standaardantwoord op. Volgens deze pleitbezorgers is er op zichzelf niks mis met de Nederlandse wetgeving. Dat de praktijk onvolkomenheden vertoont, komt slechts doordat de legalisering ‘halfzacht’ en ‘onvolledig’ is geweest. We moeten die, in de woorden van publiciste Asha ten Broeke, ‘enthousiaster’ doorvoeren. Zouden de zaken beter geregeld zijn, meent de lobby, misstanden zouden gemakkelijker aan het licht komen. Bovendien zou dankzij deze ‘normalisering’ eindelijk ‘het stigma’ kunnen verdwijnen waaronder prostituees nu zo vreselijk lijden.
En o wee als je oppert om eens te kijken naar alternatieven voor het Nederlandse model. O wee, als het Z-woord valt.
In 2013 kondigden Myrthe Hilkens (toen Kamerlid voor de PvdA) en Gert-Jan Segers (nog steeds Kamerlid voor de ChristenUnie) een studiereisje aan naar Stockholm. Ze wilden aldaar, op uitnodiging van de EO, het Zweedse model bestuderen. Zoals bekend kozen de Zweden in 1999 voor een diametraal ander prostitutiebeleid – overigens dankzij een even feministische lobby. Terwijl Nederland vooropliep in de liberalisering, was Zweden het eerste land waar hoerenlopen strafbaar werd gesteld.
Segers en Hilkens hadden hun voornemen nog niet bekendgemaakt of de sekswerkerslobby sprong boven op de kast. Volgens Joyce Outshoorn had het totaal geen zin om naar Zweden af te reizen. In de Volkskrant noemde ze de prostitutiewetgeving aldaar ‘symbolisch’, het Zweedse model ‘naïef’. Deskundige Marjan Wijers was ‘diep bezorgd’ over de onderneming. Ze hoopte maar, zei ze in een radiogesprek, dat de beide parlementariërs ‘een beetje door de propaganda heen’ konden kijken.
Eerder al had onderzoeker Hendrik Wagenaar in een opiniestuk het Zweedse beleid afgeserveerd. De hooggeleerde wees erop dat betrouwbare cijfers over de effecten van het Zweedse model niet voorhanden waren. Opmerkelijk genoeg kon hij even later toch concluderen dat het ‘grotendeels’ had gefaald. Wij moesten begrijpen, schreef hij, dat de Zweedse overheid seks van oudsher associeert met ‘zelfvertrouwen en psychologisch welbevinden’ en meent dat zulks uitsluitend vrijwillig, tussen twee volwassenen, mag plaatsvinden (inderdaad, het idee!). Onder ons gezegd: ik rolde bijna van de bank.
Wilde verhalen
Sowieso werkt de wijze waarop de sekswerkerslobby argumenteert regelmatig op de lachspieren – nou ja, op de mijne. Zo krijgen critici van het Nederlandse model strijk en zet het verwijt dat ze zich laten leiden door ‘morele verontwaardiging’. Ze zouden geloof hechten aan ‘wilde verhalen’, ‘ratio’ en ‘logica’ uit het oog verliezen. Populairste klacht: ze zouden weigeren te ‘luisteren’ naar de doelgroep waarvoor ze zeggen op te komen.
Gemakshalve vergeet de lobby dat prostitutie uitventen als een normaal beroep evenzeer getuigt van een moraal – alleen dan een waarbij je het menselijk lichaam als waar mag beschouwen, desgewenst te verhandelen op de markt van vraag en aanbod. Sommige pleitbezorgers heb ik prostitutie zelfs een legitiem ‘instapberoep’ horen noemen voor vrouwen uit arme landen. Zouden zij ook zo tegen de handel in nieren aankijken? Vinden dat je die moet reguleren omdat mensen ertoe overgaan uit economische nood? Ik denk zomaar van niet.
Tamelijk mal is ook het verwijt dat de tegenvoeters stelselmatig overdrijven – dikwijls gevolgd door de suggestie dat het met de misstanden wel meevalt. Bij gebrek aan betrouwbare cijfers lijkt mij suggereren dat het wel losloopt evenzeer een slag in de lucht als suggereren dat het heel erg is.
Nog maller is het verwijt dat de tegenvoeters niet zouden ‘luisteren’ naar de vrouwen voor wie ze zeggen op te komen. Ze luisteren heus. Maar niet alléén naar het handjevol happy hookers met een grote mond en een Twitteraccount.

Van alle argumenten waarvan de sekswerkerslobby zich bedient, is er een mijn favoriet: wij moeten het fenomeen aanvaarden omdat het in ‘de natuur’ besloten ligt. De oudsteberoepredenering: prostitutie is er altijd geweest, zal nooit verdwijnen, dus moeten wij het discreet reguleren.
Joyce Outshoorn bijvoorbeeld hekelde het Zweedse model omdat het uitgaat van de gedachte dat je ‘de mens tot het goede kan bewegen, de mannelijke lust kan indammen en daarmee prostitutie kunt uitbannen’. Nee, dan Nederland. ‘Wij hebben hier de protestantse traditie: de mens is geneigd tot het kwade en dat kun je maar beter in goede banen leiden.’
Een soortgelijke redenering stond niet veel later op de opiniepagina’s van de Volkskrant. Ene Fabian Schurgers betoogde dat het mannelijk libido een ‘rauwe oerkracht’ is die derhalve om kanalisering vraagt. ‘Het onderdrukken van het libido of het doodzwijgen ervan, het negeren van de mannelijke voortplantingsdrift, is in mijn ogen gevaarlijk en ongewenst.’ Prostituees, schreef hij, zullen altijd nodig blijven opdat de samenleving ‘de rust in haar gelederen kan bewaren’.
Rauw oerkrachten
Onlangs liet publiciste Renate van der Zee, belijdend voorstander van het Zweedse model, van zich horen in Het Parool. ‘Wie zegt mij,’ reageerde een boze briefschrijver, ‘dat degene die zich niet tegen betaling kan laten bevredigen niet uit wanhoop gaat verkrachten? Of naar niet-gelegaliseerde wegen gaat?’
De redenering blijft me fascineren. Want het klopt dat in onze natuur rauwe oerkrachten schuilen. Dat de mens geneigd is tot het kwade, klopt al evenzeer. Moord, diefstal, slavernij – het bestaat sinds het begin der tijden. En helemaal verdwijnen zullen deze verschijnselen nooit. Toch zal geen weldenkend mens ervoor pleiten om huizen in te richten waar geweldplegers, dieven en slavendrijvers tegen betaling hun gang mogen gaan, opdat de rest van de samenleving de rust in haar gelederen kan bewaren. Geen weldenkend mens zal vinden dat medeburgers zich daar maar moeten laten vermoorden, bestelen of tot slaaf maken. Ook al zouden zij zelf nog zo hard roepen dat dit hun vrije keuze is. Waarom geldt het argument dan wel als het gaat om ‘de mannelijke lust’?
Nauwelijks weerwoord
Toch lijkt het politieke klimaat te veranderen. Het zijn niet langer alleen brave christenen die zich druk maken om wat er mis gaat in de branche.
In oktober vorig jaar kwam een coalitie van ChristenUnie, PvdA en SP met een initiatiefwetsvoorstel dat seks met onvrijwillig werkende prostituees strafbaar maakt. Als een klant ‘redelijkerwijs’ kan weten dat de prostituee die hij bezoekt tegen haar wil werkt, dan kan dat tot veroordeling leiden. De Nationaal Rapporteur Mensenhandel nam ‘met waardering’ kennis van het voorstel. De Raad voor de Rechtspraak was minder enthousiast, want vond het op een aantal punten ‘onduidelijk’.
De sekswerkerslobby hield zich stil – tot nu toe, zeg ik er zekerheidshalve bij. Behalve op de VARA-site Joop.nl (‘Wetgeving is er al, nu de gewenste verbeteringen in arbeidssituatie en -verhoudingen nog’) ben ik nauwelijks weerwoord tegengekomen.
Ik reken me nog niet rijk. Maar misschien is de tijd eindelijk rijp voor een debat over het Zweedse model. Een serieus debat.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.