Onder Afghaanse militairen

Het is zeven uur ’s ochtends en de zon brandt al. Masht-i-Margo, Vlakte van de Dood, heet de onverbiddelijke woestijn van Helmand. De zuidelijke provincie, waar duizenden Afghaanse troepen zijn gelegerd, is een van de gevaarlijkste gebieden van Afghanistan. Bij een militaire basis aan de rand van de provinciehoofdstad Lashkar Gah herinneren het puin en de restanten van een auto aan een aanslag van een paar weken geleden.

Het duurt tergend lang voor de wantrouwige militairen op de wachttorens besluiten de poort te openen. Ook commandant Ahmad Shah is duidelijk niet blij met het buitenlandse bezoek, al heeft dat een officiële toestemming van het ministerie van Defensie in Kabul op zak. Na de formele begroeting zwijgt hij, zelfs de traditionele kop thee biedt hij niet aan. Hij slikt een aspirientje. ‘Ik ben ziek en lijd aan slapeloosheid,’ zegt hij dan stug. Hij steekt een sigaret op en in plaats van het telefonisch toegezegde interview plus een patrouille houdt hij een kort, bitter betoog. Hij komt uit de noordelijke Pansjir-vallei, het vroegere onneembare bolwerk van de mujahedin, is vijfenveertig jaar oud en zit al drie decennia in het leger. ‘Sinds ik een tiener was, zag ik geen vrede. Tot de dag van vandaag zijn er slechts korte momenten van geluk. Met vrienden praten, een sigaret roken en een kop thee drinken.’

Hij staat moeizaam op. Hij moet op patrouille onder supervisie van een aantal jonge, gebruinde Britse militairen die al met hun pantserwagens klaarstaan. De Afghanen klimmen in de laadbak van hun zandkleurige Toyota pick-ups en stellen zich open en bloot op achter een machinegeweer.

Onvrede

De commandanten op de basis Shorabak verder naar het noorden, waar ruim vierduizend Afghaanse militairen zijn gestationeerd, zijn bereidwilliger. Ze plaatsen een tafel met frisse schijven watermeloen en glazen thee in het midden van de kleine tuin bij de ingang van hun barakken. Terwijl af en toe helikopters boven hun hoofden ronken, delen drie van hen eerst hun herinneringen. Gezamenlijk beschikken ze over bijna een eeuw aan gevechtservaring en dat heeft zijn sporen nagelaten.

Stafchef Zamin vertelt dat hij de militaire academie nog maar net had afgemaakt toen de Russen in 1979 Afghanistan binnenvielen. Hij sloot zich aan bij de mujahedin rond de westelijke stad Herat. Hij denkt er nog vaak aan hoe achtentwintig jaar geleden, net nadat hij zich had verloofd, een Russische mijn de linkerhelft van zijn lichaam tijdelijk verlamde. ‘Ik vroeg me af waar het toe diende om te willen trouwen. Na twee weken ziekenhuis was ik weer terug in de frontlinie,’ zegt de tanige kolonel. Zijn collega Najibullah, een forse man die zijn uniform heeft verruild voor een zwart trainingspak, spert zijn mond wijd open als de verwondingen die hij opliep ter sprake komen. ‘Kijk.’ Er mist een fiks aantal kiezen en de punt van zijn tong ontbreekt. Hij kon een jaar niet spreken en nog altijd praat hij alsof hij een slok teveel op heeft. Hij hijst zijn broekspijp op om een litteken te laten zien. De scherf die achterbleef is groot genoeg om een metaaldetector alarm te laten slaan.

Terwijl de anekdotes over tafel gaan, verschijnt via de Vriendschapspoort, de controlepost die het Afghaanse kamp van de internationale basis scheidt, een Amerikaanse luchtmachtofficier. ‘Ik geef het Afghaanse leger advies over hoe ze met de media moeten omgaan,’ zegt hij. Ook hij krijgt thee en watermeloen voorgezet. De Amerikaan komt uit Delaware en is begin dertig. Het contrast tussen zijn verschijning – met ronde, ietwat verbrande wangen – en de verweerde Afghanen kan bijna niet groter zijn. Hij glimlacht ongemakkelijk als de veldslagen voorbij trekken uit een tijd dat hij nog in de wieg lag.

Nadat hij is vertrokken, zegt de een na de ander op de vraag of ze de buitenlandse trainers vertrouwen die massaal zijn aangesteld om rekruten op te leiden en oudgedienden bij te scholen, onomwonden: ‘Nee.’ Maar de Afghaanse gastvrijheid is een groot goed en geen van hen heeft tijdens het gesprek ook maar iets van die argwaan laten doorschemeren.

Ze zijn lang niet de enigen die zo reageren. Overal in Afghanistan broeit achter de cultureel voorgeschreven egards waarmee gasten worden behandeld de onvrede over de buitenlandse aanwezigheid. De burgerslachtoffers, het trage tempo van opbouw, locaties en wegen die alleen voor niet-Afghanen toegankelijk zijn, verhalen over drinkgelagen en andere uitspattingen van buitenlanders in de hoofdstad, het arrogante optreden van tienduizenden contractors en dure consultants hebben de hoop op een betere toekomst die enkele jaren geleden nog wel te bespeuren was, een flinke knauw gegeven.

Een avondbriesje brengt een paar graden verkoeling en zo te horen bevalt dat ook de krekels die zich ergens in het nieuw aangelegde tuintje tussen de jonge amandelbomen en druivenranken verschuilen. Vanaf de moskee klinkt de oproep tot gebed en om de beurt verdwijnen de militairen om te bidden. Terwijl het donker wordt, sluipt de melancholie in hun stemming. Ze vertellen hoe ze hun ervaringen verzwijgen voor hun familie en niet willen dat hun zoons in het leger gaan. In deze afgelegen zandbak, ver van het comfortabele militaire hoofdkwartier in Kabul, is oorlog niet iets heroïsch of iets waar ze trots op zijn. Het is vooral iets waarvan ze willen dat het ophoudt.

Zo komt na allerlei zijwegen, zoals in Afghanistan gebruikelijk, het gesprek dan toch ter zake: hoe moet er een einde komen aan het conflict? De forse Najibullah begint zich steeds meer op te winden terwijl hij over aartsvijand Pakistan praat. ‘Zolang die steun aan de taliban niet ophoudt, zal er geen vrede zijn.’ Het is een gemakzuchtig stokpaardje van veel Afghanen, dat hen van alle verantwoordelijkheid voor de chaos in het land ontslaat, maar er schuilt een grote kern van waarheid in. In het begin van de jaren negentig dankten de taliban hun mars naar de macht mede aan de steun van Pakistaanse inlichtingendiensten, de transportmaffia en willige rekruten uit de madrassa’s. Inmiddels zijn er op het complexe schaakbord van regionale politiek signalen van toenadering tussen de beide landen te bespeuren. Maar recente rapporten duiden ook op voortdurende steun van de Pakistaanse geheime diensten aan de guerrillabeweging en de plannen om politieke macht op te eisen voor de taliban. Ook vecht Pakistan op Afghaanse bodem het geschil met aartsvijand India uit. Als Najibullah is uitgeraasd, vult kolonel Zamin zijn collega aan: ‘De taliban zullen niet winnen. Veel van hun ideeën zijn middeleeuws en dat willen Afghanen niet meer. De hele wereld leeft immers in de eenentwintigste eeuw,’ zegt hij. Maar of het Afghaanse leger de strijd zal winnen? Dat durft hij evenmin te beweren.

Gebrek aan discipline

In hoog tempo worden Afghaanse militairen opgeleid. Officieel bedraagt hun aantal nu ruim honderdtwintigduizend, en dit najaar moet het leger uit 134.000 manschappen bestaan. De uiteindelijke sterkte is op 240.000 à 260.000 gesteld. Maar de cijfers zijn onbetrouwbaar. Er wordt door corrupte militairen gerommeld met aantallen om meer geld op te strijken. Soldaten deserteren (volgens sommige schattingen zelfs een op de vier) of komen niet terug van verlof. Ook op kamp Shorabak worden net als elders in het land Afghaanse militairen bijgeschoold of rekruten opgeleid door NAVO-trainers. Een groepje soldaten veegt ritmisch met mijndetectoren over de grond. Verderop bereiden zo’n veertig Afghanen een operatie voor. Ze kruipen onder de vrachtwagens om de laatste inspectie te verrichten. De voedselvoorraden in de laadbakken worden gecontroleerd. ‘Ze zijn goede vechters, maar ze storten zich in de strijd zonder hun aanvoerlijnen te onderhouden,’ zegt een van de twee Amerikaanse trainers. Ook rijlessen bleken voor een aantal geen overbodige luxe.

De trainers zijn tevreden over het resultaat van vier maanden training, maar anderen komen met klachten over drugsgebruik en gebrek aan discipline onder de rekruten. Nieuwkomers met gezondheidsproblemen, slechte ogen of andere gebreken komen regelmatig door de keuring heen. Dat de nieuwe eenheden nog veel te leren hebben, bleek begin augustus. Een bataljon dat zelfstandig een operatie uitvoerde, liep in een hinderlaag van de taliban. Volgens het Afghaanse ministerie van Defensie vielen er zeven doden en veertien gewonden. NAVO-troepen moesten de Afghaanse militairen ontzetten.

Ook Candace Rondeaux, senior analyst voor de International Crisis Group, plaatst kanttekeningen bij de snelle uitbreiding van het Afghaanse leger. ‘De kwaliteit is onder de tijdsdruk moeilijk te garanderen.’ Maar ze signaleert ook een breder probleem. ‘De civiele macht heeft nog altijd weinig controle over het militaire apparaat.’ Ook het opzetten van milities die het leger moeten bijstaan in de race tegen de klok beziet ze met zorg. ‘In een natie met een zwak bestuur en zo veel corruptie zijn nog meer werkloze jongemannen met geweren het laatste wat je wilt. We hebben in het verleden immers gezien waar dat toe leidt,’ refereert ze aan de jaren negentig, toen rivaliserende krijgsheren het land te gronde richtten. Ze somt op hoe de afgelopen jaren ook andere pogingen tot het opzetten van hulppolitie en milities faalden en stilletjes werden stopgezet.

Gehersenspoeld

Een zandstorm geselt de vanillekleurige barakken van kamp Shorabak. Het stof maakt de wereld klein. Terwijl op tafel verse naan, honing en een pot thee verschijnen, praat kolonel Zamin in een smetteloze kamer met in elke hoek een kleurig nepbloemstuk verder over het leger en de toekomst van zijn land. ‘De rekrutering van infanteriesoldaten verbetert, maar ingenieurs, medisch personeel, artillerie en verkenningsmaterieel hebben we nog lang niet genoeg. Onze planning is niet goed, we hebben geen reservetroepen. Ons materieel stamt voor een groot deel nog uit de Sovjettijd.’

Hij schat dat het nog zeker zeven à tien jaar zal duren voor Afghanistan over een goed leger beschikt. Maar de werkelijke oorzaken van het doorwoekerend conflict liggen dieper. Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes en staart naar de muur. Het is alsof hij twijfelt om verder te praten. ‘Mensen zijn teleurgesteld. Waar is de weg, de school, de kliniek die werd beloofd? We hebben geen plan om het proces van opbouw uit te leggen en daarom verwachten mensen alles in een keer.’ Hij zucht even zachtjes voordat hij verder gaat. ‘We zouden ze aan projecten kunnen laten werken die gerelateerd zijn aan het leger, maar dat gebeurt niet. Als dan de taliban komen die hen vijfduizend Afghani (ongeveer tachtig euro) bieden voor het leggen van een IED (een bermbom), doen ze dat, want het is veel geld.’

Hij wil niet verder ingaan op de corruptie, de wetteloosheid en de incompetentie van de overheid, waar talloze Afghanen in alle delen van het land over klagen en die de antiregeringsgroepen in de kaart spelen. ‘Ik houd me als militair buiten de politiek.’ Ook het gewapende verzet wordt volgens hem gevoed door een economisch probleem. ‘Arme families uit het grensgebied en Pakistan sturen hun zonen noodgedwongen voor kost en inwoning naar madrassa’s toe en daar worden ze gehersenspoeld. Dan zijn ze na een paar jaar klaar om te vechten. Alleen als we hen perspectief bieden, kunnen we ze van hun organisaties losweken.’ De adjudant komt binnen. Zamin kijkt op zijn horloge. Het is acht uur en tijd om aan de slag te gaan. ‘Onderwijs en nog eens onderwijs. Banen en nog eens banen,’ besluit hij terwijl hij naar zijn kantoor loopt.

Buiten het kilometers lange netwerk van legerbases wordt duidelijk hoe klein het gebied is dat de Afghaanse en buitenlandse militairen in Helmand onder controle hebben. De grote operatie-Moshtarak (de naam betekent ‘samen’ in het Dari) van ongeveer vijftienduizend Britse, Amerikaanse en Afghaanse troepen in het opiumproducerende district Marjah, dat zowel een basis als een inkomstenbron voor de taliban vormt, werd eerder dit jaar door militaire bronnen en talloze media een succes genoemd. In werkelijkheid is de plattelandsstreek met lemen gehuchten en irrigatiekanalen twintig kilometer verder naar het westen dagelijks het toneel van bermbomontploffingen, aanslagen en gevechten.

In het ziekenhuis in Lashkar Gah liggen gewonden uit het gebied, onder wie veel vrouwen en kinderen. Honderden, zo niet duizenden nieuwe ontheemden zwerven rond. De meeste inwoners van Lashkar Gah wagen zich niet voorbij de brug aan de rand van de provinciehoofdstad. Aan de overkant van de rivier Helmand begint een ongewis gebied.

Martelaren

Een paar kilometer verderop stappen de taliban-commandant en zijn assistent van hun brommer bij een ommuurd lemen huis dat in een wirwar van zandpaden staat. Met hun witte tulband en lichte shalwar qamiez onderscheiden ze zich in niets van de andere burgers. Hun verhaal klinkt stijf en voorgekookt, maar hun houding is zelfverzekerd. ‘Ons doel is het vestigen van een islamitische staat,’ zegt Hamid (codenaam), een forse man van midden veertig met een donkere baard en die een beetje loenst. Volgens hem hebben de taliban het gelijk aan hun zijde omdat de corrupte overheid alle krediet kwijt is. Net zoals het geval was in het begin van de jaren negentig, toen de taliban ontstonden. ‘De buitenlanders die in 2001 kwamen hebben meegeholpen om deze verkeerde mensen weer aan de macht te brengen.’

Ook daarmee verwoordt hij een veelgehoorde klacht onder de Afghaanse bevolking over de westerse rol in het land. Hamid vecht al sinds de Russen ruim dertig jaar geleden het land binnenvielen en nog steeds zijn de buitenlandse troepen de belangrijkste reden waarom hij strijdt. ‘Zolang die er zijn willen we niet onderhandelen.’ Het vertrek van de Nederlanders juicht hij toe. ‘Zeg maar tegen je landgenoten dat ze nooit meer hun mannen en zonen naar ons land moeten sturen.’ In een variant op Kissingers woorden ‘The guerrilla wins if he does not lose’ vervolgt hij: ‘In Marjah zijn nu allemaal buitenlandse legerbases en controleposten, maar wij opereren er nog steeds. Dus wie heeft er dan gewonnen?’ Als het aan Hamid ligt, houden de taliban de strijd dan ook nog heel lang vol. ‘Er zijn al vier martelaren in mijn familie na dertig jaar oorlog. Mijn zoons vechten nu ook en daar ben ik trots op,’ zegt hij voordat hij weer op zijn brommer stapt.

Verliefd

In de westerse pers domineren verhalen over de taliban als tegenstanders van de regering en westerse troepen. In werkelijkheid zijn er diverse gewapende groepen actief die al dan niet samenwerken met de taliban. Ook het begrip ’taliban’ is complex. Hoewel het leiderschap ideologisch gemotiveerd is, vechten strijders op lokaal niveau om allerlei verschillende redenen tegen de regering of tegen concurrerende stammen en andere rivalen. Vaak gaat het in de wetteloze omgeving om zar, zan en zamin: goud, vrouwen en macht. Vooral in de zuidelijke Pashtun-provincies zijn de meningen over de taliban verdeeld. Sommige inwoners vinden dat hun aanwezigheid het bestaan gevaarlijker maken, anderen zeggen dat het leven onder de taliban juist veiliger is en er minder corruptie heerst. ‘Ze zijn voor ons geen vreemden, maar onze ooms en onze broers,’ zegt een inwoner van Lashkar Gah.

Volgens de International Crisis Group is het Afghaanse leger nog lang geen neutraal instituut. Etnische en politieke verschillen spelen de militairen parten en tussen het ministerie van Defensie en de legertop heerst veel wantrouwen. Het is mede een erfenis uit de Russische tijd en de burgeroorlog van de jaren negentig, toen het leger verdeeld raakte langs etnische lijnen. Sinds het vertrek van de taliban uit Kabul in 2001 domineren Tadzjieken uit de vroegere Noordelijke Alliantie het nieuw opgezette leger. Pashtun zijn nog steeds ondervertegenwoordigd. Het is vooral in het Zuiden een probleem omdat de andere soldaten in dit Pashtun-gebied op onbekend terrein zijn.

‘Misschien moeten we het zuiden maar aan de taliban overlaten en dan houden wij het noorden,’ zegt een Tadzjiekse militair op het hoofdkwartier. Hij lacht, maar helemaal een grap is het niet en het typeert de kloof die er tussen het noorden en zuiden bestaat. Maar er zijn ook hoopgevender voorbeelden. Het bataljon van commandant Khoday, dat in de afgelegen bergen tweeënhalf uur rijden ten oosten van Kabul is gelegerd, is gemengd. Khoday is een Oezbeek die tijdens de door de Russen gesteunde regering van president Najibullah tegen de mujahedin vocht. In de laadbak van de pick-up staat een jonge Hazara-soldaat achter een machinegeweer. De derde soldaat is ook een Oezbeek en in het kamp bevinden zich Pashtun-soldaten.

Ondanks de etnische en historische verschillen kunnen ze het goed met elkaar vinden, zegt Khoday terwijl de banden van de pick-up piepen. Hij patrouilleert regelmatig in de bergen rond Sarobi en kent de asfaltkronkels als zijn broekzak. ‘Waarom dool je rond?’ klinkt het uit de radio onder het geluid van trommels en cimbalen. ‘Omdat ik op zoek ben naar mijn geliefde,’ luidt het antwoord. Khoday lacht en plaagt de jonge Oezbeekse soldaat die binnenkort gaat trouwen, maar zijn bruid nog nooit gezien heeft. Als de auto een pad van zand en stenen in slaat, raakt de muzikale hartekreet overstemd door het geknars van de wielen op het gruis. In de bergen rondom opereren niet alleen taliban, maar ook de Hezb-i-Islami, die een aantal grote aanslagen op zijn naam heeft, en criminele bendes. Khodays assistent wijst de rotspieken aan vanwaar ze met raketten regelmatig onder vuur genomen worden.

De basis is een uitgewoond gebouw achter hoge stapels zandzakken. Op de kleine slaapzaal met stapelbedden springt een vijftiental soldaten even in de houding, maar al snel drommen ze bij elkaar om hun verhaal te doen. Ze duwen een man naar voren die volgens hen de held van de groep is. ‘Dat zeggen ze omdat ik met een collega de enige van een groep van tien ben die een zelfmoordaanslag bij Kandahar overleefde,’ zegt Najib Daoud, 32. ‘Maar alle Afghanen zijn helden. We versloegen twee supermachten: de Engelsen en de Russen.’

Hier en daar hebben soldaten een poging gedaan wat sfeer te creëren in de haveloze ruimtes. De deuren van een kamertje waar medicijnen voor eerste hulp op tafel liggen, zijn versierd met tekeningen van vlinders, bloemen en kaarsen. Op de muur ernaast staat een gedicht dat een van de soldaten schreef: ‘Als het vuur van de liefde opvlamt, zal de oogst verbranden.’ Er is ook een ruimte met banken die uitzicht geeft over de vallei met dennenbomen, populieren en een smalle stroom. ‘Hier komen we voor onze gemoedsrust,’ zegt Khoday. Hij wijst naar een roodharige kat die op etensrestjes is afgekomen. ‘Die hebben we Gorbatsjov gedoopt. Omdat hij ook klein is.’

Iedereen lacht. Maar de ontspannen sfeer is bedrieglijk. Gisteren hebben de soldaten een minibus met explosieven onderschept die onderweg was naar de basis. De vier inzittenden zijn opgepakt. De militairen zijn opgetogen over het succes en laten foto’s van hun buit zien.

Halverwege de middag eindigt de patrouille van Khoday bij een uitgestrekt meer van wazig smaragd tussen ruige rotspartijen. Sommige soldaten springen in het water, anderen proberen op vissen te schieten. ‘Ik ben verliefd op mijn land,’ zegt Khoday terwijl zijn collega’s de kogels van een M16-geweer in het roerloze water laten knallen. n

Deze reportage kwam mede tot stand dankzij financiële steun van het Postcodeloterijfonds/Freevoice